II.
DE VERJAARDAG DER INFANTE.
Het was de verjaardag der Infante. Zij was juist twaalf jaar oud geworden en de zon scheen stralend in den tuin van het paleis.
Alhoewel zij eene heuschelijke Prinses, en de Infante van Spanje was, had zij toch elk jaar maar één verjaardag, precies als de kinderen van heele gewone menschen. Daarom deed natuurlijk het gansche land zijn uiterste best, dat zij bij deze gelegenheid een echt pleizierigen dag zou beleven. En het was dan ook inderdaad een heerlijke dag. De groote gevlekte tulpen stonden kaarsrecht op hare stengels, als soldaten in ’t gelid, en zij keken met uitdagende blikken in den tuin rond naar de rozen en zeiden: “Wij zijn nu precies zoo mooi als jullie.” De purperen vlinders, met goudstof op de vleugels, fladderden in de lucht rond en bezochten alle bloemen, de eene na de andere; de kleine hagedissen kropen uit de reten der muren en lagen stil zich te koesteren in den witten zonnegloed; en de granaatbloesems sprongen open in de hitte, en toonden haar bloedrood hart. Zelfs de geelbleeke citroenen, die in rijken overvloed aan de half vermolmde omheiningen, en langs de donkere zuilengangen hingen, schenen rijker kleur van het heerlijke zonlicht te hebben gedronken, en de magnoliaboomen openden hunne groote langwerpige bloesemkelken van toegevouwen ivoor en vervulden de lucht met zwaren, bedwelmend-zoeten geur.
De kleine Prinses liep met hare speelgenooten op het terras heen en weer en speelde verstoppertje achter de steenen vazen en de oude met mos bedekte beelden. Op gewone dagen mocht zij alleen met kinderen van haar eigen rang spelen, bijgevolg moest zij dus altijd alleen spelen; maar op haar verjaardag werd er eene uitzondering gemaakt, en de Koning had bevel gegeven, dat zij van hare jonge vriendjes en vriendinnetjes zoovele mocht uitnoodigen als zij maar wilde, en dat zij naar hartelust pleizier konden maken. Eene statige sierlijkheid scheen al dezen slankgebouwde Spaansche kinderen eigen, zoo als zij zich spelend heen en weer bewogen, de knapen met hunne groote hoeden met lange veeren en de korte, zwierige mantels om, de meisjes, zooals zij de slepen harer lange brokaat japonnen droegen, en met groote waaiers van zwart en zilver hare oogen voor de zon beschutten. Maar de Infante was de liefelijkste van allen, en zij was ook het smaakvolste gekleed, hoewel volgens de lastige mode van dien tijd. Haar kleed was van grijze zijde, de zoom en de wijde poefmouwen zwaar met zilver geborduurd, en het stijve keurslijf was met rijen van de heerlijkste paarlen bezet. Wanneer zij liep, kwamen van onder den rok twee zeer kleine schoentjes met groote roze strikken te voorschijn. Haar groote waaier was van rose en paarlkleurig gaas, en in het haar, dat als een aureool van lichtend goud stijf om haar bleek klein gezichtje stond, droeg zij een mooie witte roos.
Van uit een venster van het paleis keek de zwaarmoedige Koning het schouwspel toe. Achter hem stond zijn broeder, Don Pedro van Aragon, dien hij haatte, terwijl zijn biechtvader, de Groot-Inquisiteur van Granada, aan zijne zijde zat. Nog treuriger was de Koning dan gewoonlijk, want, als hij naar de kleine Infante zag: hoe zij met kinderlijken ernst de verzamelde hovelingen begroette, of achter haar gazen waaier de knorrige Hertogin van Albuquerque, die haar steeds begeleidde, uitlachte, dan moest hij aan hare moeder denken, de jonge Koningin, die—zoo kwam ’t hem voor—eerst kort geleden uit het levenslustige Frankrijk was gekomen, om in den somberen glans van het Spaansche hof alras te verwelken—want zij stierf zes maanden na de geboorte van haar kind, aleer zij nog de amandelboomen van den tuin voor de tweede maal had zien bloeien, en aleer zij opnieuw den oogst geplukt had van den ouden gekromden vijgeboom, die eenmaal het middelpunt vormde van den nu met gras begroeiden hof. Zoo groot was zijne liefde voor haar geweest, dat hij niet eens het graf vergund had haar aan zijn oog te onttrekken. Een Moorsch geneesheer, dien men om dezen dienst zijn leven had geschonken, dat, zoo zeide men, reeds wegens ketterij en verdenking van zwarte tooverkunsten aan de heilige Inquisitie was vervallen, had haar gebalsemd; en zoo lag haar doode lichaam nog juist zoo op de geborduurde baar in de zwarte marmeren kapel van het paleis, als de monniken het, bijna twaalf jaar geleden, op een stormachtigen dag in Maart naarbinnen gedragen hadden. Eenmaal in het jaar ging de Koning, gehuld in een donkeren mantel en een omfloerste lantaarn in de hand, naar de kapel, knielde neder aan haar zijde en riep: “Mi reina! Mi reina!” En somtijds verbrak hij zelfs de regels der etikette, die in Spanje elke handeling van het leven beheerscht en tot voor de smart van een Koning zekere grenzen bepaalt, greep de bleeke, met ringen gesierde handen, in een woeste uitbarsting van wanhoop, en trachtte onder zijne hartstochtelijke kussen het koude beschilderde gelaat te doen herleven. Heden was het hem, als zag hij haar terug, zooals hij haar voor het eerst gezien had, in het slot van Fontainebleau, toen hij vijftien jaren telde en zij nog jonger was. Zij waren toen door den pauselijken Nuntius, in tegenwoordigheid van den Koning van Frankrijk en van het geheele hof, plechtig met elkaar verloofd geworden, en hij was in het Escuriaal teruggekeerd en had een lok blond haar medegebracht en de herinnering aan zachte kinderlippen, die zich naar omlaag bogen om hem de hand te kussen, toen hij in zijn koets steeg. Later was toen de bruiloft gevolgd, die in allerijl te Burgos, een kleine stad aan de grenzen der beide Koninkrijken, voltrokken werd, en daarop de plechtstatige en schitterende intocht te Madrid, met de gebruikelijke plechtige hoogmis in de kerk La Atocha en een buitengewoon indrukwekkend autodafé, bij welke gelegenheid ongeveer driehonderd ketters—waaronder zich vele Engelschen bevonden—door de wereldsche gerechtigheid aan den vuurdood waren overgeleverd geworden.
Waarlijk, hij had haar hartstochtelijk liefgehad, en, zoo beweerden vele, niet tot heil van zijn vaderland, dat toentertijd met Engeland oorlog voerde om het bezit der heerschappij in de Nieuwe Wereld. Ter nauwernood had hij geduld dat zij zich uit zijne oogen verwijderde, om harentwille had hij—zoo beweerde men althans—alle ernstige staatsaangelegenheden vergeten; en, met blindheid geslagen, als zij allen, die den slaaf zijn geworden van hunne hartstocht, had hij niet eens bemerkt, dat die schitterende ceremoniën, waarmede hij haar trachtte op te beuren, de vreemde ziekte, waaraan zij leed, slechts had doen toenemen. Toen zij stierf, was hij een tijdlang als een, die van zijn verstand beroofd was. Ja, ongetwijfeld zou hij formeel afstand hebben gedaan van zijne koningsrechten, en zich in het Trappistenklooster bij Granada, waarvan hij den Priortitel reeds droeg, teruggetrokken hebben, zoo hij niet daarvoor teruggedeinsd ware de kleine Infante in de macht van zijn broeder achter te laten, wiens wreedheid tot zelfs in Spanje aanstoot gaf, en dien vele in stilte beschuldigden den dood der Koningin, door middel van een paar vergiftigde handschoenen, die hij haar zou hebben aangeboden, toen zij eens als gast op zijn slot te Aragon vertoefd had, op zijn geweten te hebben. Zelfs na afloop van den driejarigen algemeenen rouw, dien hij door koninklijk besluit voor den ganschen omtrek van zijn gebied voorgeschreven had, veroorloofde de koning nimmer zijne ministers van eene nieuwe verbintenis te gewagen. En toen de Keizer-zelf zijne afgezanten tot hem gezonden had om hem de hand zijner nicht, de liefelijke Aartshertogin van Boheme, ten huwelijk aan te bieden, had hij dezen opgedragen hunnen Heer te antwoorden, dat de Koning van Spanje met de Smart een huwelijksband gesloten had, en dat hij haar, al was zij ook een droeve bruid, meer liefhad dan de Schoonheid.
Dit antwoord had hem de rijke Provinciën der Nederlanden gekost; want kort daarop stonden deze, meegesleept door eenige dweepers der Gereformeerde kerk, die daartoe door den Keizer aangezet waren, tegen hem op.
Het scheen hem toe, alsof heden zijn gansche huwelijksleven, met al zijne matelooze, gloeiende vreugden en den vernietigenden slag van een plotseling einde, hem weer voor den geest kwam, terwijl hij toekeek en de Infante op het terras zag spelen. Het kind vertoonde in geheel haar wezen denzelfden gratievollen overmoed der Koningin, zij had dezelfde eigenzinnige manier om het hoofdje achterover te werpen, denzelfden trotschen, fijn gevormden mond, denzelfden bekoorlijken glimlach—vrai sourire de France—wanneer zij nu en dan naar het venster opkeek, of wanneer zij den statigen Spaanschen edellieden hare kleine hand tot den eerbiedigen handkus reikte. Maar het vroolijke lachen der kinderen klonk hem smartelijk in de ooren, het heldere, onmeedoogenlooze zonlicht scheen te spotten met zijn verdriet, en het was hem, als vermengde zich een benauwde geur van vreemdsoortige mirren, zooals zij voor het balsemen gebruikt worden—of was het slechts verbeelding?—met de zuivere morgenlucht. Hij verborg zijn gelaat in de handen, en toen de Infante wederom naar boven opkeek, waren de gordijnen dichtgetrokken en had de Koning zich verwijderd.
Zij maakte een klein gebaar van teleurstelling en trok even hare schouders op. Waarlijk, hij had wel bij haar kunnen blijven, op haar verjaardag. Wat deerde het, of die malle staatsaangelegenheden nu eens veronachtzaamd werden? Of was hij weer in die donkere kapel gegaan, waar steeds de kaarsen brandden, en waar zij nooit mocht binnentreden? Hoe dwaas van hem om zoo te doen, wanneer de zon zoo helder scheen, en iedereen zich zoo gelukkig gevoelde! Bovendien verzuimde hij nu het stierengevecht, waartoe de trompet reeds het sein had gegeven, om niet van het poppenspel te spreken, en van de andere heerlijke dingen. Haar oom en de Groot-Inquisiteur waren verstandiger. Die waren naar buiten op het terras gekomen, en zeiden haar aardige complimenten. Zoo wierp zij dan het hoofdje in den nek, nam Don Pedro bij de hand, en ging langzaam de treden af, naar een lange tent uit purperen zijde, die men achter in den tuin had opgeslagen, terwijl de andere kinderen in strenge rangorde volgden: zij, die de langste namen droegen, kwamen het eerst.
Een optocht van edelknapen, in fantastisch Toreadorgewaad gestoken, schreed haar tegemoet, en de jonge Graaf van Tierra-Nueva, een veertienjarige knaap van opmerkelijke schoonheid, ontblootte zijn hoofd met de voorname gratie van een Hidalgo en Grande van Spanje, en geleidde haar plechtstatig naar een zetel van goud en ivoor, die op een verhoogd podium boven de arena was geplaatst. De kinderen groepeerden zich om haar heen, bewogen hare groote waaiers en fluisterden onderling, terwijl Don Pedro en de Groot-Inquisiteur lachend aan den ingang bleven staan. Zelfs de Hertogin—men noemde haar de Camerera-Mayor—eene magere dame, met scherpe trekken en een breede geplooide gele kraag om den hals, keek heden niet zoo slechtgeluimd als zij gewoonlijk placht te doen, er speelde zelfs iets als een koud lachje op haar gerimpeld gelaat, en de dunne bloedelooze lippen stonden niet zoo strak.
Het was werkelijk een zeer indrukwekkend stierengevecht en de Infante vond het nog veel prachtiger dan het echte stierengevecht, waarheen men haar eens in Sevilla medegenomen had, toen de Hertog van Parma haren vader een bezoek bracht. Eenige der knapen reden op rijk-opgetuigde hobbelpaarden in ’t rond, en zwaaiden met lange werpspiesen, waaraan bontgekleurde linten zwierden; andere waren te voet, zwenkten hunne scharlakenroode doeken voor den stier, en sprongen behendig over de barrière wanneer het dier hen aanviel. En de stier-zelf was precies als een werkelijke stier, ofschoon hij slechts van gevlochten met leder overtrokken riet vervaardigd was, en somtijds liep hij hardnekkig op zijne achterpooten langs de geheele arena, wat een heuschelijken stier in de verste verte niet zou zijn ingevallen. En hij weerde zich prachtig, en de kinderen geraakten daarbij in zoo groote opwinding, dat zij boven op de banken stegen en hunne kanten zakdoeken zwaaiden en luide Bravo toro! riepen, Bravo toro! met dezelfde geestvervoering als waren zij volwassen menschen. Ten slotte, na een langdurig gevecht, waarbij eenige der opgezette paarden van alle kanten volslagen doorstoken en de ruiters afgeworpen werden, deed de jonge graaf van Tierra-Nueva den stier eindelijk op de knie neerzinken, en, nadat hij van de Infante de toestemming had verkregen het dier de coup de grâce te geven, stiet hij zijn houten zwaard met zulk een kracht in den hals van den stier, dat de kop er van af vloog en het lachende gezicht van den kleinen Monsieur de Lorraine, den zoon van den Franschen gezant te Madrid, er uit te voorschijn kwam.
Daarop verlieten de dappere strijders onder uitbundig handgeklap de arena, en werden de neergevelde hobbelpaarden door twee Moorsche pages in geel-en-zwarte livereien plechtig weggesleept. Na een kort tusschenspel, waarin een fransch koorddanser zijne kunsten op het gespannen koord had laten bewonderen, verschenen toen eenige italiaansche marionetten op het tooneel van een klein theater, dat voor dit speciale doel was opgericht, en voerden de halfklassieke tragedie “Sophonisbe” op. Zij speelden zoo uitmuntend, en de bewegingen waren zoo natuurlijk, dat aan het slot van de voorstelling de oogen der Infante vol tranen stonden. Eenige der kinderen weenden heusch bitterlijk, zoodat men hen met bonbons moest troosten, en zelfs de Groot-Inquisiteur was zoozeer onder den indruk geraakt, dat hij tegenover Don Pedro de opmerking niet kon onderdrukken, dat het toch eene kwellende gedachte was, dat simpele poppen van hout en gekleurde was, die men door middel van mechaniek en ijzerdraden in beweging bracht, zóó ongelukkig konden zijn, en door zoo zware rampen konden getroffen worden.
Toen verscheen een afrikaansche goochelaar, die een groote mand, bedekt met een rooden doek, binnendroeg. Hij plaatste die midden in de arena, nam uit zijn tulband een zonderling rieten fluitje, en begon daarop te fluiten. Na weinige oogenblikken ging de doek aan het bewegen, en toen de man al scheller en scheller floot, staken twee groen-gouden slangen hare platte koppen uit de mand, richtten zich langzaam omhoog en wiegden zich heen en weer op de maat van de melodie, zooals een plant in het water heen en weer deint. Maar de kinderen waren bang geworden voor de gevlekte slangenkoppen met de snel bewegelijke tongen, en vonden ’t veel mooier toen de goochelaar een kleinen citroenboom uit het zand liet opschieten die liefelijke witte bloesems droeg en even later trossen van werkelijke vruchten; en toen hij den waaier van het kleine dochtertje der markiezin de Las-Torres nam en dien in een blauwen vogel omtooverde, die overal in de tent rondfladderde en zong, toen kende de verbazing en de vreugde der kinderen geen grenzen meer. Ook het deftige menuet, dat de dansknapen der kerk van Nuestra Señora del Pilar ten uitvoer brachten, was vol liefelijkheid en gratie. De Infante had deze prachtige ceremonie, die elk jaar in Mei voor het hoogaltaar en ter eere der Heilige Jonkvrouw plaats vindt, nog nooit aanschouwd. Want geen enkel lid der koninklijke familie van Spanje had de kathedraal van Saragossa ooit weder betreden, nadat een waanzinnig priester—vele beweerden dat hij door Elisabeth van Engeland er toe was aangedreven geworden—getracht had den Prins van Asturie een vergiftigde hostie toe te dienen. Zoo kende zij slechts van hoorenzeggen dezen “Onze Lieve Vrouwendans,” zooals men den dans noemde, en inderdaad vormde die een indrukwekkend schouwspel. De knapen droegen oudmodische hofkleedij van wit fluweel, hunne eigenaardige driekantige hoeden waren met zilveren franje omzet, en met groote toeffen van wuivende struisvederen gesierd, terwijl het verblindende wit van hun gewaad, wanneer zij zich in het zonlicht bewogen, nog treffender uitkwam door de matgetinte aangezichten en het lang-golvende donkere haar. Alle waren verrukt over de ernstige waardigheid waarmede zij zich door de ingewikkelde figuren van den dans heen bewogen, en over de volmaakte bekoorlijkheid hunner langzame gebaren en fiere buigingen, en toen de opvoering geëindigd was, en zij de groote met veeren versierde hoeden voor de Infante ter aarde lieten zinken, aanvaardde zij de hulde met veel vriendelijke hoffelijkheid, en deed de gelofte het altaar der Beschermvrouwe van Pilar een groote waskaars te zullen wijden, ten dank voor het genoegen, dat zij haar verschaft had.
Toen verscheen een groep fijngebouwde Egyptenaren—zoo noemde men in dien tijd de Zigeuners—in de arena; met kruiselings gevouwen beenen zetten zij zich in een kring ter neer en begonnen zachtkens op hunne gitaren te tokkelen; daarbij bewogen zij hun lijf naar de maat der melodie, en neurieden bijna onhoorbaar een zacht droomerig lied.
Toen zij Don Pedro zagen, keken zij somber voor zich uit, en eenige onder hen werden zeer bevreesd; want eerst kort geleden had hij op het marktplein van Sevilla twee van hunne troep wegens hekserij laten ophangen. Maar de aanblik der allerliefste Infante, zooals zij daar achterover geleund zat, en met hare groote blauwe oogen over haren waaier heentuurde, vervulde hen met verrukking en zij gevoelden dat, wie zóó liefelijk te aanschouwen was, tegenover niemand ooit wreed zou kunnen zijn. En zoo speelden zij verder, heel zachtjes, vluchtig—maar de snaren aanroerend met hunne lange puntige nagels, terwijl hunne hoofden zich lichtelijk voorover bogen, als waren zij op ’t punt van in te sluimeren. Maar plotseling sprongen zij overeind met zulk een schrillen kreet, dat de kinderen verschrikt opvlogen, en Don Pedro’s hand naar den barnsteenen knop van zijn dolk greep, en begonnen toen woest en uitgelaten in de arena rond te springen, terwijl zij op hunne tamboerijnen sloegen en in hun vreemdsoortige gutturale taal een wild liefdeslied aanhieven.
Op een tweede teeken wierpen zij zich echter alle weer op den grond, en lagen daar volkomen stil; de eentonige klank der gitaren was het eenige geluid, dat de stilte verbrak. Nadat zij dit eenige malen herhaald hadden verdwenen zij voor een oogenblik, keerden toen met een bruinen, ruig-harigen beer aan een ketting terug, en droegen op hunne schouders kleine turksche baardapen. De beer buitelde met den grootsten ernst op zijn kop, en de apen maakten allerlei oolijke kunststukken met twee Zigeunerjongens die hunne meesters schenen te zijn, vochten met kleine zwaarden, vuurden kleine kanonnen af en excerceerden volgens alle regels, precies als ’s konings eigen lijfwacht. Kortom, de Zigeuners oogstten het grootste succes van het feest.
Maar het vroolijkste gedeelte van het geheele morgenprogramma vormde toch zonder eenigen twijfel de dans van den kleinen dwerg.
Toen hij de arena kwam binnenloopen, terwijl hij op zijne kromme beentjes voortstrompelde, en zijn wanstaltig groot hoofd naar rechts en naar links boog, stietten de kinderen luide gilletjes uit van verrukking, en de Infante zelf lachte zóó hartelijk, dat de Camerera zich genoodzaakt zag, haar daaraan te herinneren, dat, mocht het ook reeds voorgekomen zijn dat in Spanje een koningsdochter voor haars-gelijke in rang tranen had gestort, het toch ongehoord was, dat een Prinses van koninklijken bloede zich zoo vroolijk uitte in tegenwoordigheid van dezulken, die in rang beneden haar stonden. Maar de dwerg was dan ook werkelijk onweerstaanbaar, en zelfs het Spaansche hof, dat reeds van eertijds bekend stond voor zijn verfijnde zucht naar het afschrikwekkende, had nog nooit zulk een fantastisch klein monster aanschouwd. Het was dan ook zijn allereerste optreden. Den vorigen dag was men hem eerst op het spoor gekomen, terwijl hij wild ronddoolde in een afgelegen deel van het kurkeikenbosch dat de geheele stad omringt en waarin twee Granden zich ter jacht hadden begeven. Zij hadden hem toen in het paleis gebracht, als eene verrassing voor de Infante, en zijn vader, een arme kolenbrander, had er maar al te gaarne vrede mee gehad, dat men hem van een leelijk en voor alles onbruikbaar kind bevrijdde. Misschien was wel het allervermakelijkste aan hem zijn volslagen onbekendheid met de groteske belachelijkheid zijner verschijning. Hij scheen werkelijk volmaakt gelukkig te zijn en was vol vroolijken luim. Wanneer de kinderen lachten, dan lachte hij even vrij en vroolijk met hen mede, en aan het slot van elken dans maakte hij naar alle kanten zijne bespottelijke buigingen en lachte en knikte, alsof hij precies zoo-een was als zijne kleine toeschouwers, en niet slechts een klein gedrochtelijk wezen, dat de natuur in een grillige luim geschapen had om anderen ten zijnen koste te vermaken. En de Infante oefende eene onweerstaanbare bekoring op hem uit. Hij kon de oogen niet van haar afwenden en scheen uitsluitend voor haar alleen te dansen. Aan het slot der voorstelling herinnerde zij zich, eenmaal gezien te hebben, hoe de hooge dames van het hof bloemen toewierpen aan den beroemden italiaanschen tenor Caffarelli, dien de paus uit zijn eigen kapel naar Madrid had gezonden om door zijn heerlijke stem den zwaarmoedigen Koning een weinig te verstrooien, en daarom nam zij de witte roos uit heur haar, en wierp die, deels uit scherts, deels om de Camerera te ergeren, met haar vriendelijkst lachje in de arena. Maar de kleine dwerg nam alles hoogst ernstig op, drukte de bloem aan zijne ruwe, grove lippen, en legde de hand op het hart; zijn geheele gezicht vertrok zich tot een breeden grijns van blijdschap, en zijne kleine oogen glinsterden van verrukking.
Toen was ’t met den ernst der kleine Infante geheel gedaan; zij lachte steeds uitbundiger, lachte zelfs nog, toen de kleine dwerg reeds uit de arena weggestrompeld was, en vroeg haren oom om den dans toch te laten herhalen. Maar de Camerera besliste het tegendeel, met de bewering dat de zon reeds te brandend heet was, en dat het dus beter zou zijn wanneer Hare Hoogheid onmiddellijk naar het paleis terugkeerde, waar een schitterende maaltijd voor haar gereed stond, met een echte verjaardagskoek, waarop hare eigene initialen, geheel van gekleurde suiker, aangebracht waren, en waar boven een aardig zilveren vlagje aan een kleine mast wapperde. Daarop verhief zich de Infante met veel waardigheid van haar zetel en nadat zij bevolen had, dat de kleine dwerg na de siesta nogmaals voor haar dansen zou, en den jongen graaf Tierra-Nueva verzocht had aan allen haren dank over te brengen voor den alleraangenaamsten morgen, ging zij terug naar hare vertrekken, terwijl de kinderen in dezelfde rangorde volgden, als zij gekomen waren.
Toen nu de kleine dwerg hoorde, dat hij nog eenmaal voor de Infante dansen zou, en dat nog wel op haar eigen uitdrukkelijk verlangen, was hij zóó trotsch, dat hij naar buiten in den tuin liep, de witte roos in overstroomende vreugde aan zijne lippen drukte, en ook nog verder in de meest dwaze en onbeholpen gebaren aan zijne verrukking uiting gaf.
De bloemen waren buiten zichzelve van verontwaardiging, dat hij het gewaagd had haar mooi grondgebied binnen te dringen, en toen zij zagen hoe dartel hij de paden op en neer huppelde, en daarbij op zeer vermakelijke wijze met zijne armen boven zijn hoofd zwaaide, konden zij hunne gevoelens niet langer bedwingen.
—“Hij is werkelijk te leelijk dan dat men hem had mogen veroorlooven zich ook maar ergens te vertoonen, waar wij ons bevinden!” riepen de tulpen.
—“Hij moest papaversap drinken, om voor duizend jaar lang in te slapen,” zeiden de groote zwaardlelies, en zij wondden zich zoo op, dat zij rood werden van toorn.
—“Hij is een waar monster!” riep de kaktus. “Zie toch eens hoe krom hij is en hoe misvormd, en zijn hoofd staat in heel geen verhouding tot zijn beenen. Ik krijg heusch kippevel alleen al van ’t zien en wanneer hij dicht bij mij komt, zal ik hem met mijn doorns steken.”
—“En daar heeft hij waarlijk een van mijne mooiste bloemen,” sprak de witte rozenstruik. “Ik heb die van morgen zelf aan de Infante als verjaarsgeschenk aangeboden, en nu heeft hij ze van haar gestolen.”
En de rozenstruik riep zoo luid hij slechts kon: “Dief! Dief! Dief!”
Zelfs de roode geraniums, die gewoonlijk niet veel ophef van zichzelf maakten, en van wie het bekend stond dat zij vele arme familieleden hadden, trilden van afschuw toen hij haar onder de oogen kwam en toen de viooltjes bescheiden opmerkten, dat hij wel zeer leelijk was, maar hier toch niets aan te veranderen viel, antwoordden zij met veel wijsheid, dat dat juist zijn hoofdgebrek uitmaakte, en dat er geen reden bestond om een mensch te bewonderen, alleen omdat hij voor altijd misvormd was; en inderdaad moesten zelfs eenige viooltjes toegeven, dat de leelijkheid van den kleinen dwerg bijna ondragelijk was en dat hij meer smaak aan den dag zou leggen, wanneer hij er treurig uitzag, of zich tenminste stil en teruggetrokken toonde, inplaats van zoo dartel rond te springen en zoo dolle en dwaze houdingen aan te nemen.
En de oude zonnewijzer, die eene zeer opmerkelijke persoonlijkheid was, en die eenmaal aan geen geringeren dan aan Keizer Karel V de uren had aangekondigd,—de zonnewijzer was zóó ontzet over de heele verschijning van den kleinen dwerg, dat zijne lange schaduw-vingeren bijna twee volle minuten vergaten aan te wijzen; en ten slotte kon hij zich niet weerhouden den grooten melkwitten pauw, die zich op de balustrade in de zon koesterde, toe te roepen, dat ieder toch wel wist, dat de kinderen van koningen, koningen waren, en de kinderen van kolenbranders, kolenbranderskinderen, en dat het bespottelijk zou zijn te willen beweren dat dit niet zoo was; met deze mededeeling was de pauw het bizonder eens, en hij krijschte zijn: “Natuurlijk! natuurlijk!” met zulk een luide, doordringende stem, dat de goudvisschen, die onder in het bassin van de koele murmelende bron woonden, hunne koppen uit het water staken, en aan de groote steenen tritonen vroegen, wat er toch in ’s hemelsnaam aan de hand was.
Maar de vogels hadden hem lief. Zij hadden hem menigmaal in het bosch gezien, wanneer hij als een faun over de dwarrelende bladen danste, of wanneer hij in den een of anderen ouden hollen eikeboom schuilde, en zijne nooten met de eekhoorntjes deelde. Zij bekommerden zich in ’t minst niet om zijne leelijkheid. Want, zelfs de nachtegaal, die des avonds zóó liefelijk in de oranjeboomen zong dat de maan zich soms naar omlaag boog om naar hem te luisteren, de nachtegaal zag er toch ook niet uit alsof hij iets bizonders ware en buitendien—hij was altijd goed voor hen geweest, en gedurende dien schrikkelijk strengen winter, toen er heel geen bessen meer aan de struiken hingen, en de grond hard was als ijzer en de wolven aan de poorten der stad kwamen om voedsel te zoeken, toen had hij hen nooit vergeten, integendeel, hen steeds de laatste kruimpjes van zijn armzalige zwarte broodkorst gegeven, en getrouw zijn maal met hen gedeeld, al was dat ook nog zoo karig geweest.
Daarom vlogen zij steeds om hem heen en raakten in hunne vlucht lichtelijk zijne wangen aan terwijl zij onderling vroolijk tjilpten, en de kleine dwerg was zóó verheugd, dat hij niet laten kon hen de prachtige witte roos te laten zien en hen te vertellen, dat de Infante hem die zelf gegeven had omdat zij hem liefhad.
Zij verstonden geen woord van ’t geen hij zeide, maar dat was ook niet noodig, want zij bogen de kopjes zijwaarts en keken zeer verstandig uit hunne oogjes, en dat is even goed als iets begrijpen, en veel gemakkelijker.
De hagedissen vatten ook een groote voorliefde voor hem op, en toen hij te moe was om nog meer rond te springen en zich in het gras neerwierp om uit te rusten, speelden en buitelden zij om hem heen, en trachtten, zoo goed als zij konden, hem te vermaken.
—“Niet iedereen kan zoo mooi zijn als de hagedis” riepen zij, “dat zou te veel verlangd zijn. En, al klinkt ’t ook ongerijmd, wel beschouwd, is hij volstrekt niet zoo leelijk; maar natuurlijk moet men de oogen sluiten en hem niet aankijken.”
De hagedissen waren zeer wijsgeerig van natuur, en zaten dikwijls, wanneer zij niets anders te doen hadden, of wanneer het te regenachtig weer was om uit te gaan, uren en uren lang bij elkaar, in overpeinzingen verdiept.
Maar de bloemen betoonden zich ontzet over hun gedrag en over het gedrag der vogels.
—“Dat bewijst alweer,” zeiden zij, “hoe demoraliseerend dat eeuwige heen-en-weer-vliegen en draven is. Welopgevoede wezens zooals wij blijven steeds op dezelfde plaats. Nooit heeft men ons over de wegen zien heen en weer huppelen, noch in het gras als dol achter de watervlinders zien stuiven. Wanneer wij een luchtverandering noodig hebben, laten wij den tuinman roepen, en hij brengt ons in een ander bed. Zoo behoort het en zoo moest het overal zijn. Maar vogels en hagedissen hebben geen zin voor rust. De vogels hebben niet eens een vast adres. Zij zijn echte vagebonden, zooals de Zigeuners, en men moest ze op dezelfde manier behandelen.”
En zij staken hunne neuzen in den wind, keken zeer hoogmoedig voor zich uit, en waren hoogst verblijd, toen zij na eenigen tijd bemerkten, dat de kleine dwerg zich uit het gras oprichtte en naar het paleis toestapte.
—“Men moest hem werkelijk voor den verderen duur van zijn leven achter slot en grendel zetten,” bromden zij. “Zie toch eens dien bultigen rug en die malle kromme beenen,” en zij begonnen allen te giegelen.
Maar de kleine dwerg bemerkte niets van dat al. Hij hield veel van de vogels en van de hagedissen en hij vond bloemen de heerlijkste dingen van de gansche wereld, uitgezonderd natuurlijk de Infante; want deze had hem immers de witte roos geschonken, en zij had hem lief, dat maakte een groot onderscheid. Hoe innig betreurde hij het, dat hij niet met haar was medegegaan. Zij zou hem aan hare rechterhand geplaatst hebben en hij zou geen oogenblik van haar zijde geweken zijn, maar haar tot zijn speelgenoot gemaakt en haar alle mogelijke prachtige kunsten geleerd hebben. Want, al was hij nog nooit te voren in een paleis geweest, vele bizondere dingen kende hij toch ook. Zoo kon hij uit riet kleine kooitjes vlechten waarin de sprinkhanen zingen, en uit lange bamboes kon hij een fluit snijden, zooals Pan die graag hoort. Hij kende den roep van elken vogel, en kon den spreeuw uit de takken der boomen, en den reiger van de oevers van het meer lokken. Hij wist precies het spoor van elk dier te onderscheiden, en vermocht dat van den haas aan de lichte indrukken van zijn pooten, en dat van het everzwijn aan de platgetreden bladen te herkennen en te vervolgen. Alle werveldansen van den wind kende hij: den overmoedigen dans in het roode herfstkleed, den vlinderlichten dans met blauwe sandalen over het korenveld, den dans met sneeuwbekranste lokken in den winter, en den bloesemdans door de boomgaarden in de lente. Hij wist waar de woudduiven hunne nesten bouwden, en eens, toen een vogeljager een vogelpaar gevangen had, had hij de jongen zelf opgekweekt, en voor hen een duiventil gemaakt in den hollen stam van een gespleten olmboom. Zij waren geheel tam en aten elken morgen uit zijn hand. Die zou de kleine Prinses zeker aardig vinden, en ook de konijntjes, die tusschen het hooge varenkruid ronddartelden, en de eksters, met hare staalharde veeren en zwarte snavels, en de egels, die zich tot stekelige kogels konden oprollen, en de groote wijze schildpadden, die langzaam rondkropen en met het hoofd schudden en aan de jonge blaadjes knaagden. Ja zeker, zij moest meekomen in het bosch, en met hem spelen. Hij zou haar zijn eigen kleine bedje afstaan, en aan het venster waken, totdat de morgen schemerde, om op te passen dat de wilde boschbewoners haar geen kwaad deden, en de uitgehongerde wolven de hut niet te dichtbij naderden.
En wanneer de morgen schemerde, zou hij aan de luiken kloppen en haar wekken, en zij zouden in het bosch gaan en den ganschen dag tezamen spelen. Waarlijk, in het bosch was het nooit eenzaam. Somwijlen reed een bisschop voorbij op een wit muildier, en las in een beschilderd boek. Somtijds kwamen er ook valkeniers langs, met groen fluweelen mutsen op en in jassen van gelooide dierenhuid; op de hand hielden zij de met kappen bedekte valken. Als het winter werd, kwamen de druiventrappers met purperen handen en voeten, bekransd met glanzend klimop, en zij droegen druipende lederen zakken vol wijn; en de kolenbranders zaten in den nacht om hunne vuren, en keken toe, hoe de drooge houtblokken langzaam in de vlammen verkoolden, en zij poften kastanjes in de asch, en de roovers kwamen van uit hunne schuilplaatsen te voorschijn en maakten gekheid met hen. Eens had hij ook eene mooie processie gezien, die zich op den langen stoffigen weg naar Toledo voortslingerde. De monniken liepen vooraan en zongen zoo mooi; ze droegen bonte wimpels en gouden kruisen, en toen volgden er soldaten in zilveren rusting en met pieken gewapend, en in hun midden liepen er barrevoets drie mannen in zonderlinge gele gewaden, die van boven tot beneden met prachtige figuren beschilderd waren, en die droegen brandende kaarsen in de handen. O, in het bosch was er onnoemelijk veel te zien, en wanneer zij vermoeid was, zou hij een zacht bed van mos voor haar zoeken, of hij zou haar op zijne armen dragen, want hij was heel sterk, al wist hij ook dat hij niet groot was. Dan zou hij een ketting voor haar rijgen van hagedoornbessen, die zouden even mooi zijn als de witte besjes, die zij op haar kleed droeg; en wanneer de ketting haar verveelde, dan kon zij die weggooien en hij zou andere bessen voor haar zoeken. Eikeldoppen zou hij haar brengen en duizende anemonen, en kleine glimwormpjes, die als sterren zouden flonkeren in het bleeke goud van heur haar.
Maar waar was zij? Hij vroeg het aan de witte roos, maar die antwoordde hem niet. Het geheele paleis scheen in slaap gedompeld te zijn, en zelfs daar, waar de luiken niet gesloten waren, hingen zware gordijnen voor de vensters om de gloeihitte buiten te sluiten. Hij liep rond om het heele paleis, in de hoop ergens een plaats te vinden waar hij zou kunnen binnentreden. Eindelijk ontdekte hij een kleine verborgen deur, die openstond. Hij sloop naar binnen en bevond zich plotseling in een schitterende zaal, wel prachtiger, vreesde hij, dan het bosch; hier was overal zoo veel meer goud, en zelfs de vloer bestond uit groote gekleurde steenen, die op kunstige wijze tezamen waren gevoegd. Maar de kleine Infante bevond er zich niet in, alleen eenige heerlijke witte beelden, die van hunne jaspis-voetstukken op hem neerkeken met treurige leege oogen en een vreemd lachje om de lippen.
Aan het einde van de zaal hing een rijkgeborduurd gordijn van zwaar fluweel, dat bedekt was met zonnen en sterren, de lievelingsymbolen des Konings, en ook het fluweel was van de kleur, die hij het liefste had. Wellicht was zij daarachter verborgen? Hij wilde dit in elk geval onderzoeken.
Zoo liep hij dan heel zacht tot aan het einde van de zaal en trok het gordijn weg. Neen; er kwam nu slechts een andere kamer, nog mooier, vond hij, dan die waaruit hij trad. De wanden waren hier geheel behangen met groene, figuurrijke Arrazzis, met de hand vervaardigd tapijtwerk, dat een jacht voorstelde; het was afkomstig van eenige Vlaamsche kunstenaars, die meer dan zeven jaren voor de voltooiing van dit werk noodig hadden gehad. Eenmaal was dit de kamer geweest van Jean le Fou, zooals men hem noemde, den waanzinnigen Koning, die de jacht zoo liefhad, dat hij dikwijls in zijne zins verbijsteringen getracht had de groote steigerende rossen te bestijgen en het hert neder te vellen waartegen de koppels honden opsprongen, terwijl hij op zijn jachthoorn blies en met zijne dolk naar het bleeke wegvliedende wild stiet. Nu gebruikte men dit vertrek als Raadszaal; op de tafel in het midden lagen de roode portefeuilles van de ministers, waarop de gouden tulpen van Spanje ingeprest waren, benevens het wapen en de emblemen van het huis Habsburg.
De kleine dwerg zag in verwondering om zich heen en was bang om verder te loopen. Die vreemde zwijgende ridders, die zoo snel door de boschvlakten schenen te rijden, zonder het minste geruisch te maken—zij herinnerden hem aan de angstwekkende phantomen, waarvan hij de kolenbranders had hooren vertellen—de “Comprachos” die alleen in den nacht gaan jagen, en, wanneer zij een menschelijk wezen tegenkomen, hem in een hinde veranderen, en jacht op hem maken. Maar hij dacht weer aan de liefelijke Infante en schepte moed. Hij wilde haar alléén aantreffen om haar te kunnen zeggen, dat ook hij haar liefhad. Wellicht was zij in het naaste vertrek.
Hij liep over de dikke Moorsche tapijten en opende de deur. Neen! Ook daar was zij niet. De kamer was volkomen leeg. Het was een troonzaal, die tot de ontvangst van vreemde gezanten diende, wanneer de koning—hetgeen sedert lang niet meer het geval was geweest,—zich bereid verklaard had eene private audiëntie te verleenen; dezelfde kamer, waarin vele jaren geleden Engeland’s afgezanten verschenen waren om het verdrag tot het huwelijk hunner Koningin—toentertijd eene der Katholieke vorstinnen van Europa—met des Keizers oudsten zoon te sluiten. De behangsels waren van verguld Cordovaansch leder, en een zware, vergulde kroon, met armen voor driehonderd waskaarsen, hing van het zwart-en-witte plafond naar omlaag. Onder een groot baldakijn van goudlaken, waarop de leeuwen en de torens van Castilië in paarlen geborduurd waren, stond de troon, met een rijk zwart fluweelen kleed overdekt, dat bestikt was met zilveren tulpen en omzoomd met zilverfranje en paarlen.
Op de tweede trede van den troon stond het lage stoeltje der Infante, waarop een kussen van met zilver bewerkt laken, en nog iets lager, en buiten het bereik van den troonhemel, stond de zetel voor den pauselijken Nuntius, die, alleen, het recht had in des Konings tegenwoordigheid bij alle openbare plechtigheden te gaan zitten, en wiens kardinaalshoed, met de in elkaar geslingerde scharlaken kwasten, op een purperen tabouret daarvóór lag. Aan den wand tegenover den troon hing een levensgroote beeltenis van Karel V in jachtcostuum, aan zijne zijde een groote dog, terwijl het portret van Philips II, die de hulde der Nederlanden aanvaardt, het midden van den anderen wand in beslag nam. Tusschen de vensters stond een geheime kast van zwart ebbenhout, met stukjes ivoor ingelegd, waarin de gestalten van Holbein’s Doodendans gesneden waren—eenige beweerden, door de hand van den beroemden meester zelf.
Maar de kleine dwerg bekommerde zich niet om al die pracht. Zijne roos zou hij niet om al de paarlen van den troonhemel weg hebben gegeven, er niet, voor den ganschen troon, ook maar één blad van hebben afgestaan. Hij wilde slechts de Infante zien, alvorens zij weer naar buiten in de tent trad, en hij wilde haar smeeken met hem mee te gaan, wanneer hij voor haar gedanst zou hebben. Hier in het paleis was de lucht benauwd en zwaar, maar in het bosch woei een frissche wind, en het zonlicht scheidde er met spelende goudvingeren de immer-trillende blaadjes van-een. Ook bloemen groeiden in het bosch; misschien niet van zoo kostbare soort als die in den tuin bloeiden, maar daarvoor geurden zij ook des te heerlijker; in het voorjaar de hyacinthen, die met golven van purper de koele ravijnen en de met gras begroeide heuvels overdekten; gele primulas, die in kleine boschjes aan den vermolmden voet der eikeboomen groeiden; bonte goudwortels en blauwe eereprijs en paarsen en gouden iris. Aan de hazelnootsstruiken hingen grijze pluimpjes en het vingerhoedskruid boog onder het gewicht van zijn gevlekte bloesems, waarin de bijen graag huisden. De kastanjeboom droeg fier zijn torentjes van witte sterren en de meidoorn was overgoten met bleeke maantjes vol liefelijkheid. Ja, daar was geen twijfelen aan: zij zou stellig meekomen, wanneer hij haar maar vinden kon. Zij zou meekomen in het heerlijke bosch, en den ganschen dag-door zou hij voor haar dansen, om haar blij te stemmen. Een lachje vonkte in zijne oogen bij die gedachte en hij trad de naaste kamer binnen. Van alle vertrekken was dit wel het schoonste en het schitterendste.
De wanden waren met rosekleurig damast uit Lucca bespannen, waarin vogels en sierlijke zilveren bloesems geweven waren, de inrichting was van massief zilver met bloeiende slingers omrankt, waartusschen amoeretten zweefden; voor de twee groote schoorsteenen stonden reusachtige schermen die met papegaaien en pauwen bewerkt waren, en de vloer van zeegroene onyx, scheen zich in een ver verschiet te verliezen. En hij was er niet alleen. Onder de schaduw van de deur aan het andere einde van de kamer, ontwaarde hij eene kleine gestalte, die hem aankeek. Zijn hart bonsde, een vreugdekreet ontglipte aan zijne lippen en hij trad naar buiten in het zonlicht. Toen hij dit deed, trad ook de gestalte naar buiten, en hij zag die nu zeer duidelijk.
De Infante! O, het was een monster, het vreemdsoortigste monster, dat hij ooit in zijn leven gezien had. De gestalte was niet zoo gevormd als die van alle andere menschen, maar toonde een bult en kromme beenen, een groot neerhangend hoofd en lang zwart haar. De kleine dwerg rimpelde het voorhoofd, en het monster rimpelde eveneens het voorhoofd. Hij lachte, en het lachte met hem mede en drukte de handen in de zijde, precies zooals hij deed. Hij maakte eene spottende diepe buiging, en het begroette hem met denzelfden honenden groet. Hij ging naar hem toe, en het kwam hem tegemoet en bootste elken voetstap na die hij maakte, en het stond stil, wanneer hij stil stond. Hij jubelde het uit van plezier en liep vooruit, en strekte zijn hand uit, en de hand van het monster raakte de zijne aan, en die andere was koud als ijs. Hij schrikte en trok zijn hand terug, en de hand van het monster maakte hetzelfde gebaar. Hij beproefde verder te gaan, maar iets glads en hards hield hem terug. Het gezicht van het monster was nu dicht bij het zijne, en het scheen vol angst. Hij streek zich het haar uit de oogen. De gestalte deed hetzelfde. Hij sloeg naar haar, de gestalte gaf hem elken slag terug. Hij maakte grimassen, en het monster trok eveneens de afschuwelijkste gezichten. Hij trad achteruit, en getrouwelijk verwijderde zich de gestalte.
Wat beteekende dat? Hij peinsde een oogenblik na en zag toen om zich heen in de zaal. ’t Was vreemd, maar in dezen onzichtbaren wand van helder water scheen elk voorwerp zijn eigen evenbeeld te hebben. Ja, beeld na beeld, en stoel na stoel, herhaalde zich. De sluimerende faun, die bij de nis, dicht naast de deur lag, had zijn slapenden tweelingbroeder en de zilveren Venus daar in het zonlicht, strekte den arm uit naar een Venus, die even schoon was als zij.
Was dat de echo? Eens had hij in het dal de echo aangeroepen, en woord voor woord was tot hem teruggekomen. Kon de echo het oog bedriegen, zooals zij het oor bedriegen kon? Kon zij een wereld van schijn in het leven roepen, die aan de werkelijke wereld precies gelijk was? Konden de schaduwen der voorwerpen kleur hebben en leven en beweging? Was het mogelijk dat—?
Hij sidderde. Hij nam de heerlijke witte roos van zijn borst en keerde zich om en kuste die. Het monster had eveneens een roos, blad voor blad gelijk aan de zijne. En hij kuste de roos met even vurige kussen en drukte die aan het hart met de afschuwelijkste gebaren.
Toen de waarheid hem langzamerhand duidelijk begon te worden, slaakte hij een rauwen kreet van wanhoop en viel snikkend op den grond. Dus hij zelf was zoo misvormd en bultig en afschuwelijk en grotesk om aan te zien. Hij zelf was dus het monster, en om hem hadden de kinderen gelachen en de kleine Prinses, die, zooals hij gemeend had, hem liefhad—ook zij had alleen met zijn leelijkheid gespot en over zijne misvormde ledematen hartelijk gelachen. Waarom had men hem niet in het bosch gelaten, waar geen spiegels waren, die hem konden zeggen hoe terugstootend hij was? Waarom had zijn vader hem niet gedood in plaats van hem in zijne schande te verkoopen? De heete tranen stroomden hem over de wangen, en hij scheurde de witte roos aan stukken. Het kruipende monster deed hetzelfde, en wierp de blanke bladen weg in de lucht. Het kroop over den grond, en wanneer hij er naar keek, zag hij hoe het hem aanstaarde met smartelijk verwrongen aangezicht. Hij wendde zich af om het niet meer te zien en bedekte zijn oogen met zijne heete handen. Als een verwond dier sleepte hij zich in de schaduw en bleef daar snikkend liggen.
Op dit oogenblik trad de Infante zelf door de openstaande balkondeur binnen, gevolgd door hare speelgenooten; en toen zij den leelijken kleinen dwerg op den grond zagen liggen, en bemerkten hoe hij op fantastisch overdreven wijze met zijne gebalde vuisten om zich heen sloeg, barstten de kinderen het uit in een luid, vroolijk gelach, en zij omringden hem om hem beter gade te kunnen slaan.
—“Zijn dansen was vermakelijk,” zeide de Infante; “maar zijn komediespel is nog vermakelijker. Het is bijna zoo aardig als dat van de marionetten, alleen maar lang niet zoo natuurlijk.”
En zij wuifde zich met haar grooten waaier koelte toe en klapte goedkeurend in de handen.
Maar de kleine dwerg zag niet een enkele maal tot haar op; zijn snikken werd al zachter en zachter, en plotseling hijgde hij zonderling naar lucht, en drukte zijne handen in de zijde. En toen viel hij achterover en lag doodstil.
—“Dat is prachtig geweest!” zei de Infante na eene kleine pauze, “maar nu moet je voor mij dansen!”
—“Ja,” riepen de kinderen, “je moet opstaan en dansen, want je bent net zoo knap als de baardapen, alleen ben je nog veel maller.” Maar de kleine dwerg antwoordde niet.
En de Infante stampte met haar voetje en riep haar Oom, die met den kanselier op het terras stond, en eenige telegrammen doorlas, die juist uit Mexico gekomen waren, waar kort te voren de Inquisitie ingevoerd was geworden.
—“Mijn vroolijke kleine dwerg is uit zijn humeur,” riep zij, “U moet hem weer in goeden luim brengen, en hem zeggen, dat hij voor mij dansen moet.”
Don Pedro en de kanselier keken elkaar glimlachend aan en traden naderbij en Don Pedro boog zich neer over den dwerg, en sloeg hem met zijn gestikten handschoen op de wangen.
—“Je moet dansen,” riep hij uit. “Klein monster, je moet dansen. De Infante van Spanje en van beide Indische rijken wil geamuseerd worden.”
Maar de kleine dwerg verroerde zich niet.
—“Men moet den zweepmeester laten halen,” zeide Don Pedro lusteloos, en trad weer naar buiten op het terras.
Maar de kanselier trok een ernstig gezicht, hij knielde naast den kleinen dwerg neer en legde zijn hand op diens hart. En na eenige oogenblikken, haalde hij even de schouders op, maakte voor de Infante eene diepe buiging en sprak:
—“Mi bella Princesa, uw komieke kleine dwerg zal nooit meer dansen. Het is jammer, want hij is zoo leelijk, dat hij zelfs den Koning een glimlach had kunnen ontlokken.”
—“Maar waarom zal hij dan niet meer dansen?” vroeg de Infante lachend.
—“Omdat zijn hart gebroken is,” antwoordde de kanselier.
Er kwamen rimpels op het voorhoofd van de kleine Infante, en hare fijne rozenlippen plooiden zich tot een uitdrukking van kinderlijke verachting.
—“Voortaan mogen zij, die bij mij komen spelen geen harten hebben,” sprak zij, en liep naar buiten in den tuin.
