Cover

The Project Gutenberg EBook of Het Granaatappelhuis, by Oscar Wilde

This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever.  You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
www.gutenberg.org.  If you are not located in the United States, you'll have
to check the laws of the country where you are located before using this ebook.

Title: Het Granaatappelhuis

Author: Oscar Wilde

Illustrator: Johanna Berhardina Midderigh-Bokhorst

Translator: Liane van Oosterzee

Release Date: September 4, 2017 [EBook #55485]

Language: Dutch


*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET GRANAATAPPELHUIS ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg






HET GRANAATAPPELHUIS.

Oorspronkelijke titelpagina.
WERELD BIBLIOTHEEK
ONDER · LEIDING · VAN · L · SIMONS
OSCAR WILDE
HET GRANAATAPPELHUIS
VERTAALD DOOR
LIANE VAN OOSTERZEE
MET VERSIERINGEN VAN
J. EN B. MIDDERIGH-BOKHORST
UITGEGEVEN · DOOR · DE MAATSCHAPPIJ · VOOR GOEDE · EN · GOEDKOOPE LECTUUR—AMSTERDAM

En de dood lachte, nam een schaal en doopte die in een waterpoel, en uit de schaal steeg de anderdaagsche Koorts (pag. 21).

En de dood lachte, nam een schaal en doopte die in een waterpoel, en uit de schaal steeg de anderdaagsche Koorts (pag. 21).

I.

I.

DE JONGE KONING.

Het was de nacht vóór zijn kroningsdag, en de jonge koning zat alleen in zijn mooie kamer. Zijne hovelingen waren allen heengegaan onder hoffelijk nijgen van het hoofd tot aan den grond—naar het vormelijk gebruik dier tijden—en hadden zich in de groote zaal van het paleis begeven, om van den opperceremoniemeester nog eenige laatste aanwijzingen te ontvangen; want er waren er onder hen die nog zeer natuurlijke manieren hadden, en ik behoef wel niet te verzekeren, dat zoo iets aan een hof steeds groote ergernis wekt.

De knaap—want hij was met zijne zestien jaren nog slechts een knaap—was niet verdrietig dat zij heengingen, en had zich, met een diepe zucht van verlichting, op de zachte kussens van zijn geborduurd rustbed neergeworpen; daar lag hij met vlammende oogen en geopende lippen, gelijk een bruine faun uit het woud, of als een jong dier uit de wildernis, dat door jagers gevangen werd. En inderdaad was ook hij door jagers gevangen geworden. Bijna door toeval hadden zij hem ontdekt, toen hij blootsvoets, met een fluit in de hand, de kudde van den armen geitenhoeder voortdreef, die hem had opgevoed en als wiens zoon hij zich tot dusverre ook had beschouwd. Als het kind van ’s ouden konings eenige dochter, geboren uit den heimelijken echt met een, die aan rang verre beneden haar stond,—een vreemdeling was hij geweest, zeiden sommigen, die door de wonderzoete bekoring van zijn fluitspel de jonge prinses betooverd en tot liefde bewogen had, terwijl anderen spraken van een kunstenaar uit Rimini, wien de Prinses veel, wellicht te veel eer had aangedaan, en die plotseling uit de stad verdwenen was, zonder zijn werk in de kathedraal voleindigd te hebben—was hij, nauwelijks een week oud, uit de armen van zijn sluimerende moeder geroofd, en aan een eenvoudigen boer en diens vrouw toevertrouwd, die geen eigen kinderen hadden en in een afgelegen deel van het woud woonden, meer dan een dagreize ver van de stad verwijderd. Het verdriet, of de pest, gelijk de hofarts verzekerde, of wel, zooals andere meenden, een snel werkend italiaansch gif, in een beker gekruiden wijn gereikt, doodde reeds een uur na haar ontwaken de bleeke jonge vrouw die hem gebaard had; en toen de trouwe knecht, die het kind vóór zich op het zadel gedragen had, van zijn vermoeid paard afsteeg en aan de deur van de herdershut klopte, toen liet men juist het lijk der Prinses neerdalen in een graf, dat men, ver buiten de poorten van de stad, op een verlaten kerkhof voor haar gedolven had—een graf, waarin, zooals men zei, reeds een andere doode lag, een jonge man van wondere en vreemde schoonheid, wiens handen met vastgestrikte snoeren op den rug gebonden waren, en wiens borst veel roode wonden aanwees.

Zoo luidde althans het verhaal, dat men elkander toefluisterde.

En toen gebeurde het, dat de koning op zijn sterfbed, door berouw over zijn groote zonde misschien gekweld, misschien ook door den wensch, dat het koningschap in zijn geslacht verblijven zoude, den knaap liet halen, en hem, in tegenwoordigheid van den Hoogen Raad, als zijn erfgenaam erkende.

En het schijnt wel, dat hij, van het eerste oogenblik zijner erkenning af, blijken gaf van den zonderlingen schoonheidsdorst, die van zoo grooten invloed worden zou op heel zijn volgend leven. Zij, die hem begeleidden door de vlucht van zalen, die voor hem bestemd waren, verhaalden menigmaal van de vreugdekreten die van zijn lippen juichten, toen hij de fijngeweven stoffen en fonkelende juweelen aanschouwde die men voor hem gereed gelegd had, en van den bijna wilden jubel, waarmede hij zijn ruw lederen wambuis en de ruige schapenvacht die hem tot mantel diende van zich geworpen had. Zeker, nu en dan, miste hij wel de blijde vrijheid van zijn leven in het woud, en vaak genoeg moest hij zich ergeren over de ondragelijke ceremoniën aan het hof, maar het prachtige paleis—Joyeuse was het geheeten—waarover hij nu te beschikken had, scheen hem een nieuwe wereld toe, alleenlijk voor zijn lust geschapen; en zoodra hij Raadsvergadering of Audientiezaal ontvluchten kon, snelde hij de groote trap omlaag, waar leeuwen stonden uit verguld en brons en welker treden waren van glanzend rood porphier, en dwaalde van de eene kamer naar de andere, van de eene naar de andere gang, als een, die in de schoonheid zocht een balsem voor het leed, genezing schier, na doffe kwelling. Op deze ontdekkingstochten, zooals hij ze te noemen placht—en inderdaad waren ze voor hem ook werkelijke reizen door een land van wonderen—liet hij zich dikwijls begeleiden door de slanke, blondgelokte hofpagen met hunne uitwaaierende mantels en vroolijk wapperende linten; maar liever nog bleef hij alleen, want hij besefte ras, met instinctmatig begrijpen, dat de geheimen van de kunst het best aanvaard worden in éénzaamheid, en dat de Schoonheid, evenals de Wijsheid, den stilpeinzenden vereerder liefheeft. Menig zonderling verhaal vertelde men elkaar van hem in dezen tijd. Zoo heette het, dat een welgedaan heer Burgemeester, die gekomen was om eene gloeiende, welsprekende begroetingsrede uit naam der stadsbewoners tot hem te richten, hem aangetroffen had, toen hij in innige aanbidding geknield lag voor een groot schilderij, dat juist was aangekomen uit Venetië, en dat den triomf der nieuwe goden scheen voor te stellen.

Bij een andere gelegenheid, had men hem uren lang gemist, en na veel zoeken eindelijk weer gevonden in een kleine, in een der noordelijke torentjes gelegen kamer, waar hij, als een die in extase ligt verzonken, op een grieksche gemme staarde waarin de gestalte van Adonis was gesneden. Men had gezien, zoo luidde verder de mare, hoe hij zijn warme lippen hield gedrukt op ’t kille voorhoofd van een antiek marmeren beeld, dat men bij ’t bouwen van een steenen brug, in het zandbed van den stroom gevonden had en dat als inschrift droeg den naam van den Bithynschen slaaf Hadriaan.

En een ganschen nacht had hij doorwaakt onder ’t bespieden van maanlichtgetoover op een zilveren beeldje van Endymion.

Alle zeldzame en kostbare weefsels oefenden blijkbaar eene groote bekoring op hem uit, en in het onweerstaanbare verlangen deze stoffen te bezitten, had hij vele kooplieden uitgezonden; deze naar het ruwe visschersvolk aan noordsche zeekust, om van hen het barnsteen te verkrijgen, gene naar Egypte, om er de vreemde groenlichtende turkooizen te zoeken, die slechts in de graven der Koningen te vinden zijn en die magische kracht heeten te bezitten; andere nog naar Perzië, voor glanzend zijdene tapijten en beschilderd aardewerk, en weer anderen wees hij Indië aan, om er luchtig-gazen weefsels te koopen en bleek ivoor en maansteenen en armbanden uit nephriet; sandelhout en blauw emaille en shawls van fijne wol.

Maar wat het meest zijne gedachten bezig hield, dat was het gewaad, dat hij bij zijne kroning zou dragen, het gewaad uit gesponnen goud, en de kroon van fonkelende robijnen, en de schepter bezet met rijen en ringen van paarlen. Ja, daaraan dacht hij ook dezen avond, toen hij op het kostbaar rustbed uitgestrekt lag en naar het groote blok dennenhout staarde, dat in open schouw door het vuur verteerd werd. De teekeningen van de hand der meest beroemde meesters uit dien tijd waren hem reeds maanden geleden voorgelegd geworden, en hij had bevel gegeven, dat men dag en nacht zou arbeiden om ze ten uitvoer te brengen, en dat men de geheele wereld zou doorzoeken om juweelen te vinden, die waardig zouden zijn voor dezen arbeid. En in gedachten zag hij zich reeds staan voor het hoogaltaar in de kathedraal, gehuld in het kostbaar pronkgewaad,—en een lachje speelde om zijne jongenslippen en dat lachje bleef bestendig en ontvlamde in zijne donkere woudoogen een stralenden glans.

Na korte wijle stond hij op, bleef geleund staan tegen den uitgesneden mantel van den schouw en blikte om zich heen, in het matbeschenen vertrek. De wanden waren behangen met prachtige gobelins, die den Triomf der Schoonheid voorstelden. Een groot schrijn, versierd met inlegsels van achaat en lapislazuli, stond in een hoek van het vertrek, en tegenover het venster bevond zich een kast van vreemden vorm, met laden die vakken vormden van lak en goudvernis en guldene mozaïken; en op die kast stonden teere bekers uit Venetiaansch glas en een drinkschaal van donkergeaderd onyx. Bleek getinte papaverbloemen, aan den slaap ontglipt, waren door kunstige naald op het overkleed van het bed gespreid, en hooge uitgesneden staven van ivoor droegen den fluweelen baldakijn, uit welks hemel groote struisvederbossen, gelijk kroezelig wit schuim, omhoog sprongen tot de met bleekdof zilveren kassetten versierde zoldering. Een lachende Narkissus uit groenig brons hield een glanzenden spiegel boven het hoofd. Op de tafel stond een lage amethisten schaal.

Van uit het venster kon hij den geweldigen koepel van de kathedraal aanschouwen, die wel een zeepbel geleek, lichtend boven de in schaduw gedompelde huizen; en hij zag ook de schildwachten, die, op het in nevel gehulde terras aan het water, met vermoeiden tred heen en weer liepen. Verweg, in een tuin, zong een nachtegaal. Een lichte geur van jasmijn zweefde binnen door het geopende venster. Hij streek de bruine lokken van het voorhoofd weg, nam een luit, en liet de vingers over de snaren glijden. Zijne moede oogleden sloten zich en een wonderlijke loomheid kwam over hem. Nimmer had hij met zoo duidelijke gewaarwording, of met zoo voelbaar opjubelende vreugde, de betoovering ondervonden—de zoet-geheime—van het schoone.

Toen de torenklok middernacht sloeg, drukte hij even op een schel. Zijne pagen traden binnen en ontkleedden hem met velerlei ceremoniën, goten rozenwater op zijne handen en strooiden bloemen op zijn kussen. En dra nadat zij hem verlaten hadden, sluimerde hij in.


En toen hij sliep, droomde hij eenen droom, en deze was zijn droom:

Het was hem, als stond hij in een lange lage dakkamer, en om hem heen was het snorrend en ratelend geluid van vele weefgetouwen. Het fletse daglicht drong flauwtjes door de getraliede vensters en toonde hem de magere gestalten van de wevers die over hunne weeframen gebogen zaten. Bleeke ziekelijke kinderen hurkten op de breede dwarsbalken. Wanneer de weefspoelen door den inslag gingen trokken zij het zware stelhout naar boven; en stonden de spoelen stil, dan lieten zij de wig weer neervallen en schoven de draden bij elkaar. Hunne gezichten waren ingevallen van den honger en hunne smalle handen trilden van zwakte. Enkele uitgemergelde vrouwen zaten aan een tafel te naaien. Een ontzettende stank vervulde de ruimte. De lucht was er zwaar en verpest, en de wanden dropen van de vocht.

De jonge koning ging tot een der wevers, trad dicht naast hem en zag toe hoe hij werkte.

Knorrig keek de wever tot hem op en zei:

—“Wat ziet ge me op de handen? Zijt gij een bespieder, die door onzen heer naar ons toe werd gezonden?”

—“Wie is uw heer?” vroeg de jonge Koning.

—“Onze heer!” riep de wever bitter. “Hij is een mensch als ik. Een onderscheid is er maar tusschen ons—hij draagt mooie kleeren en ik ga in lompen; en ik ben zwak van honger, terwijl hij lijdt aan oververzadiging.”

—“Het land is vrij,” sprak weer de jonge Koning, “en gij zijt niemands slaaf.”

—“In den oorlog,” antwoordde de wever, maken de sterken de zwakken tot slaven, en in vredestijd maken de rijken de armen tot slaven. Wij moeten werken om te leven, en zij geven ons zoo smadelijk loon dat wij sterven. Voor hen werken wij den ganschen dag en zij stapelen het goud in hunne kisten; maar onze kinderen verwelken vóór hun tijd en de aangezichten van hen, die wij liefhebben, worden vroeg hard en bitter. Wij persen de druiven, en een ander drinkt den wijn. Wij zaaien het koren en onze eigen schuur blijft leeg. Wij dragen ketens, al ziet ze ook niemand, en wij zijn slaven, ook al noemen de menschen ons vrij.”

—“Is dat werkelijk zoo?” vroeg hij.

—“Dat is werkelijk zoo,” antwoordde de wever, “bij de jongen zoowel als bij de ouden, bij de vrouwen zoowel als bij de mannen, bij de kleine kinderen zoowel als bij hen die door de jaren terneer gebogen werden. De kooplieden trappen op ons, en wij moeten doen wat zij van ons verlangen. De priester rijdt voorbij en telt zijne kralen, en geen mensch bekommert zich om ons. Door onze zonnelooze krotten sluipt de armoede met hongerige oogen rond, en de zonde, met haar walgelijk gezicht, volgt haar op de hielen. De ellende wekt ons des morgens en des nachts waakt de schande aan onze legerstede. Maar wat deert u dat alles? Gij zijt niet een der onzen. Uw gezicht is te gelukkig.”

En morrend keerde hij zich om en wierp de spoel in ’t weefgetouw; en de jonge Koning zag hoe die met een gouden draad omsponnen was. En een groote angst kwam over hem, en hij vroeg den wever:

—“Wat is dat voor een gewaad, dat gij daar weeft?”

—“Het is het kroningsgewaad voor den jongen Koning” antwoordde de wever; “maar wat gaat u dat aan?”

En de jonge Koning stiet een schrillen kreet uit en ontwaakte; en zie! hij was in zijn eigen kamer, en door het venster zag hij de groote honingkleurige maan, die zweefde door nevelige luchten.


En hij sliep wederom in en droomde en deze was zijn droom:

Het was hem, als lag hij op het dek van een groote galei, die door honderd slaven geroeid werd. Op een tapijt aan zijne zijde zat de eigenaar der galei. Hij was zwart als ebbenhout en zijn tulband was van roode zijde. Groote zilveren sieraden hingen zwaar neer aan de dikke oorlappen, en in de handen hield hij twee ivoren weegschalen. De slaven waren, op een havelooze lendenschort na, geheel naakt, en elk hunner was aan zijn buurman vastgeketend. De brandende zonnegloed viel strak op hen neer en in draf liepen de negers langs hen heen en sloegen hen met zweepen van leder. Zij strekten hunne magere armen uit en trokken de zware roeispanen door het water. Het zilten schuim spatte hoog op aan den boeg.

Eindelijk bereikten zij een kleine bocht en wierpen het dieplood uit. Een speelsche wind woei van de kust en strooide fijn rood stof op dek en zeilen. Drie Arabieren kwamen op wilde ezels aangereden en wierpen met hunne speeren naar hen. De heer der galei nam een beschilderden boog ter hand, en schoot een der mannen in de keel; met zwaren plof viel hij in de branding en zijne metgezellen vloden heen. Een vrouw, in gele sluieren gehuld, volgde langzaam op een kameel, en van tijd tot tijd keerde zij zich om en wierp een blik naar het doode lichaam.

Zoodra zij het anker uitgeworpen hadden, en het zeil binnengehaald, daalden de negers naar beneden in het ruim, en keerden terug met een lange touwladder, die zwaar behangen was met looden gewichten. De eigenaar der galei bevestigde de einden aan twee ijzeren haken en wierp haar toen overboord. Daarop grepen de negers den jongsten van de slaven, rukten hem de ketens van het lijf, vulden zijne neus en oorgaten met was en bonden hem een zwaren steen om de heupen. Moede steeg hij de sporten naar omlaag en snel verzonk hij in de diepte. Daar waar hij verdwenen was, borrelde het water nog even op. Van de overige slaven keken er enkele nieuwsgierig over de verschansing. Vóór, aan den boegspriet der galei, zat een haaienbezweerder, en sloeg met eentonig geluid op zijn trommel. Na een poos, steeg de duiker omhoog uit het water en klemde zich hijgend aan de ladder vast. In de rechter hand hield hij een parel. De negers ontrukten hem die en stietten hem terug. De slaven vielen bij hunne roeispanen in slaap.

En telkens opnieuw steeg de duiker uit het water omhoog, en telkenmale bracht hij een wonderschoone parel mede. Die woog dan de heer der galei en stak haar daarna in een kleinen zak van groen leder.

De jonge Koning beproefde te spreken, maar het was hem, als kleefde zijn tong aan het verhemelte, en als gehoorzaamde zijne lippen hem niet. De negers kakelden onderling en begonnen te twisten om een snoer bonte kralen. Twee kraanvogels zweefden in cirkelvormige vlucht bestendig om het schip henen.

Toen steeg ten laatsten maal de duiker omhoog, en de parel, die hij meebracht was heerlijker dan al de paarlen van den Ormuzd, want zij was in haren vorm den vollen maan gelijk en glanzender scheen zij dan de morgenster. Maar het aangezicht van den duiker was van vreemde bleekheid, en toen hij op het dek viel, stuwde het bloed hem uit neus en ooren.

Een wijle dan stuiptrekte hij nog, toen werd hij stil. De negers haalden de schouders op en wierpen het lichaam over boord.

En de heer van de galei lachte; en hij strekte den arm uit, en nam de parel, en toen hij haar in de hand hield, drukte hij haar aan zijn voorhoofd en boog het hoofd.

—“Zij zal,” sprak hij, “voor den schepter van den jongen Koning dienen;” en aan de negers gaf hij een teeken om het anker te lichten.

En toen de jonge Koning dit hoorde, stiet hij een luiden schreeuw uit en ontwaakte, en uit het venster blikkende, zag hij, hoe de schemering hare lange grauwe vingeren uitstrekte naar de verbleekende starren.


En hij sliep wederom in en droomde, en deze was zijn droom:

Het was hem te moede als zwierf hij door een donker woud, waarin zeldzame vruchten groeiden en prachtige giftige bloemen. Adders sisten hem tegen toen hij voorbij schreed en bontkleurige papegaaien vlogen krijschend van tak tot tak. Reusachtige schildpadden lagen te slapen op het heete slijk. En de boomen waren vol apen en pauwen.

Hij liep steeds verder en verder, tot hij aan den rand kwam van het bosch; en daar ontwaarde hij eene ontzaglijke menigte van menschen, die in de opgedroogde bedding eener rivier aan den arbeid waren. Zij kropen als mieren op de rotsblokken rond. Zij groeven diepe kuilen in den bodem en daalden dan naar omlaag. Eenige van hen spleten de rotsen met groote houweelen; andere woelden in het zand. De cactusplant trokken zij met hare wortels uit den grond en de scharlaken bloemkelken vertraden zij onder hunne voeten. Zij liepen rusteloos heen en weer, en schreeuwden elkaar toe en niemand die ledig zat.

Uit de donkerte eener spelonk bespiedden hen de Dood en de Hebzucht, en de Dood zei:

—“Ik ben moe, geef mij het derde deel van hen en laat mij gaan.”

Maar de Hebzucht schudde het hoofd.

—“Zij zijn mijne dienstknechten,” antwoordde zij.

En de Dood sprak tot haar:

—“Wat houdt gij daar in uwe hand?”

—“Drie graankorrelen,” antwoordde zij, “wat gaat u dat aan?”

—“Geef mij er ééne van!” zeide de Dood, “opdat ik die plante in mijn tuin; slechts ééne en ik zal gaan.”

—“Niets wil ik U geven,” zei de Hebzucht, en zij verborg haar hand in een vouw van haar kleed.

En de Dood lachte, nam een schaal, en doopte die in een waterpoel, en uit de schaal steeg de anderdaagsche Koorts. Die schreed door de groote menschenmenigte en het derde deel van hen lag dood. Een koude nevel gleed achter haar aan en waterslangen schuifelden aan weerszijden.

En toen de Hebzucht zag, dat het derde deel der menschen dood ternêer lag, sloeg zij zich op de borst en weende. Zij sloeg zich op de onvruchtbare borst en weende luid.

—“Gij hebt het derde deel mijner dienstknechten vermoord,” riep zij, “ga nu heen! In de bergen van het Tartarenland heerscht krijg en de Koningen van beide legers roepen om u. De Afghaners hebben den zwarten stier gedood en trekken naar het oorlogsveld. Zij hebben met hunne speeren op hunne schilden geslagen en de hoofden bedekt met hunne ijzeren helmen. Wat kan mijn dal u zijn, dat gij daarin vertoeven zoudt? Ga heen van hier en keer nimmer meer terug.”

—“Zeker,” antwoordde de Dood, “maar niet aleer gij mij ééne van de graankorrelen gegeven hebt ga ik heen van hier.”

Doch de Hebzucht schudde het hoofd.

—“Niets wil ik u geven,” murmelde zij. En de Dood lachte, en nam een zwarten steen op, en wierp dien in het woud, en uit een wildernis van dolle kervel verrees de Moeraskoorts in een kleed van vlammen. En die ging door de menigte en raakte de menschen aan, en ieder die werd aangeraakt, stierf.

En waar zij ging, daar verdorde het gras onder hare voeten.

En de Hebzucht huiverde en strooide asch op haar hoofd.

—“Gij zijt wreed,” riep zij, “gij zijt wreed. In de ommuurde steden van Indië heerscht hongersnood en in Samarkand zijn de bronnen verdroogd. In de ommuurde steden van Egypte heerscht hongersnood en uit de woestijn zijn in zwermen de sprinkhanen gekomen. De Nijl is niet buiten zijne oevers getreden, en de priesters hebben Isis en Osiris vervloekt. Ga henen tot hen die u noodig hebben, en laat mij mijne dienstknechten behouden.”

—“Zeker,” antwoordde de Dood, “maar niet aleer gij mij ééne van de graankorrels gegeven hebt, ga ik heen van hier.”

—“Niets wil ik u geven,” sprak de Hebzucht.

En wederom lachte de dood en floot tusschen zijn vingers en een vrouw kwam door de lucht gevlogen. PEST stond op haar voorhoofd geschreven en een schare van uitgehongerde gieren klapwiekten om haar heen. Met beî haar vleugelen overdekte zij het dal en niet één die in leven bleef.

En de Hebzucht vluchtte weeklagend door het woud en de Dood sprong op zijn bloedrood ros en reed henen, en zijn ros reed sneller dan de wind.

En uit het slijk op den bodem van het dal, kropen draken te voorschijn, en ander afzichtelijk, met schubben bedekt gedierte; en jakhalzen kwamen langs het zand geloopen en snoven met wellust de verpestende lucht in hunne neusgaten op.

En de jonge Koning weende en vraagde:

—“Wie waren deze mannen en wat zochten zij?”

—“Robijnen voor eens Koning’s kroon,” antwoordde hem een, die achter hem stond. En de jonge Koning schrikte hevig en keerde zich om, en werd een man gewaar, die gekleed was als een pelgrim, en een zilveren spiegel in de hand droeg.

Hij verbleekte en vroeg:

—“Voor welken Koning?”

En de pelgrim antwoordde en sprak:

—“Zie in dezen spiegel en gij zult hem aanschouwen.”

En hij zag in den spiegel, en toen hij zijn eigen beeltenis aanschouwde, stiet hij een luiden kreet uit en ontwaakte, en het gouden zonlicht stroomde binnen in de kamer en in de boomen van den tuin fladderden de vogels en zongen.


En de kanselier en de hooge beambten van den Staat traden het vertrek binnen en huldigden hem, en de pagen brachten hem het gewaad uit gesponnen goud, en legden de kroon en den schepter voor hem neder. En de jonge Koning aanschouwde ze beide en zij waren heerlijk om aan te zien. Zij waren heerlijker nog dan iets, wat hij ooit te voren aanschouwd had. Maar hij dacht aan zijne droomen en sprak tot de Grooten des Rijks: “Neemt deze dingen weg, want ik wil ze niet dragen.”

En de hovelingen ontzetten zich en eenige onder hen begonnen te lachen, want zij meenden, dat hij schertste. Maar nog eenmaal richtte hij streng het woord tot hen en zeide:

—“Neemt deze dingen weg en verbergt ze voor mijn oogen. Al is het ook heden mijn kroningsdag, ik wil ze geenszins dragen. Want op het weefgetouw van de Zorg en door de bleeke handen van het Leed werd dit mijn gewaad geweven. Bloed is in het hart van den robijn en in het hart van de parel rust de Dood.”

En hij vertelde hen van zijn drie droomen.

En toen de hovelingen die aangehoord hadden, keken zij elkander aan en fluisterden:

—“Geen twijfel of hij is waanzinnig geworden; want blijft niet een droom een droom en is een visioen iets anders dan een visioen? Zij zijn niet iets wezenlijks, waarover men zich te bekommeren heeft. En wat deert ons het leven van hen, die voor ons werken? Zal een mensch geen brood meer eten, aleer hij den zaaier gezien heeft, en geen wijn meer drinken alvorens hij met den wijnlezer gesproken heeft?”

En de kanselier sprak tot den jongen Koning en zeide:

—“Mijn gebieder, ik smeek u, laat deze sombere gedachten varen, omkleed u met dit schoone gewaad en zet de kroon op uw hoofd. Want hoe zal het volk weten, dat gij Koning zijt, wanneer gij niet het kleed eens Konings draagt?”

En de jonge Koning zag hem aan.

—“Is dit werkelijk zoo?” vraagde hij; “zullen zij mij niet als hun Koning kennen, omdat ik niet het kleed eens Konings draag?”

—“Zij zullen u niet als zoodanig erkennen, mijn gebieder,” sprak de kanselier.

—“Ik meende, dat er mannen geleefd hebben, die koninklijk waren van natuur,” antwoordde hij, “maar het kan zijn, dat gij waarheid spreekt. En toch wil ik dit kleed niet dragen, noch wil ik mij met deze kroon laten kronen; maar zooals ik binnenkwam in het paleis, zoo wil ik het weder verlaten.”

En hij liet hen allen heengaan, op een page na, een knaap, die een jaar jonger was dan hij. Dien behield hij bij zich ter zijner dienste; en toen hij zich in helder water had gebaad, opende hij een groote, zeer oude uitgesneden kist, en nam daaruit het rood lederen wambuis en den groven mantel van schapenvacht, dien hij gedragen had toen hij in het heuvelland de ruigharige geiten van den herder had gehoed. Dien trok hij aan, en in de hand nam hij zijn knoestigen herdersstaf. De kleine page sperde de groote blauwe oogen wijd open van verbazing en zeide lachend:

—“Mijn gebieder, ik zie wel uw kleed en wel uw schepter, maar waar is uw kroon?”

En de Koning plukte een tak van een wilden struik, die over het balkon rankte, boog hem rond tot een krans, en drukte dien op ’t hoofd.

—“Dit zal mijn kroon zijn,” antwoordde hij.

En aldus getooid, ging hij uit zijn kamer naar de groote zaal, waar de Edelen op hem wachtten.

En de Edelen lachten luidkeels en eenige riepen hem toe:

—“Mijn gebieder, het volk wacht op zijn Koning en gij laat het een bedelaar aanschouwen;” en andere werden toornig en spraken:

—“Hij brengt schande over onzen Staat, en hij is niet waardig onze Heer te zijn.”

Maar hij antwoordde niet met een enkel woord, ging heen, en schreed de glanzende trap van porphyr omlaag en naar buiten, door den bronzen poort, en hij steeg op zijn ros en reed naar de kathedraal, terwijl de kleine page naast hem bleef voortloopen. En het volk lachte en riep:

—“Daar rijdt des Konings nar voorbij,” en zij beschimpten hem.

En hij trok aan den teugel en zeide:

—“Neen, want ik ben de Koning.” En hij verhaalde hen zijne drie droomen.

En een man trad uit de menigte naar voren en sprak vol bitterheid tot hem, en zeide:

—“Heer, weet gij niet dat het leven van den armen zich voedt met de weelde van den rijkaard? Uwe pronk schenkt ons verzadiging, en uwe ontucht verschaft ons brood. Voor een gestreng heer te werken is hard, maar harder nog is het, geen heer te hebben voor wien men werken kan. Meent gij, dat de raven ons voedsel zullen brengen? En welk heelmiddel hebt gij voor deze dingen? Wilt gij den kooper zeggen: gij moet voor zoo-veel koopen en den koopman: gij moet voor dezen prijs verkoopen? Ik geloof van neen. Dus keer terug naar uw paleis, omkleed U met uw purperen mantel en met uw fijngeweven linnen. Wat bekommert gij u om ons, en om datgene wat wij dragen moeten?”

—“Zijn niet de rijken en de armen broeders?” vroeg de jonge Koning.

—“Zoo is het,” antwoordde de man, “en de naam van den rijken broeder luidt Kaïn.”

En de oogen van den jongen Koning vulden zich met tranen, en hij reed verder onder het gemor van het volk, en groote angst beving den kleinen page, en hij vlood heen van hem.


En toen hij het portaal van de kathedraal bereikt had, versperden de soldaten met hunne hellebaarden hem den weg en zeiden:

—“Wat hebt gij hier te zoeken? Door deze deur mag niemand binnentreden dan alleen de Koning.”

En zijn aangezicht werd rood van toorn en hij sprak tot hen:

—“Ik ben de Koning,” en hij stiet de hellebaarden op zijde en trad binnen.

En toen de oude Bisschop hem in zijn herderskleed zag naderen, stond hij verwonderd op van zijn troonzetel en sprak:

—“Mijn zoon, is dat het kleed van een Koning? En met welke kroon zal ik u kronen, en welken schepter zal ik in uw handen leggen? Waarlijk, deze dag was bestemd om u vreugde te brengen en niet vernedering.”

—“Zou Vreugde kunnen dragen wat Zorg heeft voortgebracht?” vroeg de jonge Koning. En hij verhaalde hem zijne drie droomen.

En toen de Bisschop die gehoord had, rimpelde zich zijn voorhoofd en hij sprak.

—“Mijn zoon, zie, ik ben een oud man, en ik sta in den winter van mijn leven, en ik weet, dat er vele slechte dingen gebeuren in de wereld. De wilde roovers dalen neer van de bergen en slepen de kleine kinderen mede en verkoopen ze aan de Mooren. De leeuwen liggen roerloos en bespieden de karawanen en werpen zich op de kameelen. Het wilde everzwijn wroet in het koren van het dal en de vossen knagen aan de wijnstokken op de heuvels. De zeeroovers verwoesten de kusten der zee en verbranden de schepen der visschers en nemen hunne netten weg. In de zoutmoerassen leven de melaatschen en zij wonen in woningen van gevlochten riet, en niemand mag nader tot hen komen. De bedelaars trekken door de steden en deelen het brood met de honden. Kunt gij dat al verhinderen, dat het niet zoo zij? Wilt gij den melaatschen tot uw slaapgenoot maken, en den bedelaar aan uw tafel nooden? Moet de leeuw doen wat gij hem beveelt te doen, en moet het everzwijn u gehoorzamen? Is niet Hij, die de ellende schiep, wijzer dan gij? Daarom prijs ik u niet om wat gij gedaan hebt, veeleer gelast ik u naar het paleis terug te keeren, de zorgen van uw gelaat te bannen, en het gewaad aan te leggen, dat eenen Koning betaamt; en met de gouden kroon wil ik u kronen, en den paarlen schepter in de hand u geven. En denk niet meer aan uwe droomen. De last van deze aarde is voor één mensch te zwaar om te dragen en het leed dezer aarde te zwaar voor één hart om te dulden.

—“Spreekt gij alzoo in dit huis?” sprak de jonge Koning en hij schreed den Bisschop voorbij en besteeg de treden van het altaar en stond voor het beeld van Christus.

Voor het beeld van Christus stond hij, en aan zijn rechter en aan zijn linkerzijde bevonden zich de heerlijk-schoone gouden schalen, de kelk met den goudkleurigen wijn, en de fiool met de heilige olie. Hij knielde neder voor het beeld van Christus, en de groote kaarsen brandden helder naast het van juweelen fonkelend schrijn, en de geurige wierook cirkelde in doorzichtige blauwe wolkjes door het koepelruim.

Hij boog het hoofd als tot gebed, en de priesters in hunne stijfuitstaande koorgewaden slopen weg van het altaar.


En plotseling hoorde men van buiten, van de straat, een wild rumoer, en de Edelen drongen naar binnen met getrokken zwaarden en wild-golvende vederbossen en schilden van blank metaal.

—“Waar is die droomen—droomer?” riepen zij. “Waar is de Koning die gekleed is gelijk een bedelaar?—de knaap, die schande brengt over onzen Staat? Waarlijk, beter is het, indien onze hand hem neervelt, want hij is onwaardig over ons te heerschen.”

En de jonge Koning boog wederom het hoofd en bad, en toen hij zijn gebed geëindigd had, stond hij op en keerde zich tot hen, en zijn oogen waren vol van droefenis.

En zie! door de geschilderde ramen brak het zonnelicht in stroomen; en de stralen van de zon weefden om hem heen een gewaad, dat verrukkelijker was te aanschouwen dan het kleed, dat men gemaakt had ter zijner eere. De doode staf begon te bloeien en haar ontsproten leliën, die blanker nog waren dan paarlen. De verdroogde hagedoorn ontlook en droeg rozen, die rooder waren dan robijnen. Blanker dan reine paarlen waren de leliën en hare stengels waren van glinsterend zilver. Rooder dan robijnen waren de rozen en hare bladeren waren van gedreven goud. Hij stond daar in het gewaad eens Konings, en de deuren van het met juweelen bezette schrijn openden zich en van het kristal der schitterende monstrans brak uit een mystisch licht. Hij stond daar in het gewaad eens Konings en de glorie van God vulde algeheel de ruimte, en de Heiligen in de gebeeldhouwde nissen schenen zich te bewegen. In het pronkgewaad eens Konings stond hij voor hen, en aan het orgel ontstroomden volle melodieën en de fanfarenblazers bliezen hunne fanfaren, en de koorknapen zongen. En het volk viel in schuwe vreeze op de knieën en de Edelen lieten hunne zwaarden in de scheede terugzinken, en huldigden hem, en het aangezicht van den Bisschop werd bleek en zijne handen beefden.

—“Een die grooter is dan ik, heeft U gekroond,” sprak hij, en hij knielde voor hem neder.

En de jonge Koning schreed de treden af van het hoogaltaar en keerde terug naar het paleis, midden door het volk. Maar niemand waagde hem in het aangezicht te zien, want het was als het aangezicht van een Engel.

Ornament.

of wanneer zij den statigen Spaanschen edellieden hare kleine hand tot den eerbiedigen handkus reikte. (pag. 41).

of wanneer zij den statigen Spaanschen edellieden hare kleine hand tot den eerbiedigen handkus reikte. (pag. 41).

II.
II.
1 of 87
14 pages left
CONTENTS
Chapters
Highlights