III.
DE VISSCHER EN ZIJN ZIEL.
Elken avond voer de visscher uit op de zee en wierp zijne netten in het water.
Wanneer landwind woei, dan ving hij niets, of althans weinig, want de zwartgewiekte wind sloeg groote golven tegen zijn boot. Maar wanneer zeewind woei, dan kwamen de visschen in overvloed uit de diepte naar boven en zwommen vroolijk in de mazen van zijn net. De ruime vangst droeg hij dan ter markt en verkocht ze voor goeden prijs.
Zoo voer hij elken avond uit op de zee, en eens was zijn net zoo zwaar, dat hij het nauwelijks binnen de boot kon halen.
En hij lachte en zei tot zichzelf: “Waarlijk, ik heb òf alle visschen gevangen, die in zee rondzwemmen, òf ik heb een vreemdsoortig ondier gevischt, dat voor de menschen een wonder zal zijn—misschien ook wel een vreeselijk monster, dat de groote Koningin zal wenschen te zien.”
En hij spande al zijne krachten in, en trok aan de ruwe touwen, totdat de aderen op zijne armen donker gezwollen waren, en wel lijnen geleken van blauw email op een bronzene vaas. En hij trok aan de dunne touwen, en reeds kwamen, steeds dichter en dichterbij, de rijen van drijvende kurken te voorschijn, tot eindelijk het net volkomen op het oppervlak van het water te zien was. Maar geen visch bevond zich daarin, en ook geen gedrocht, noch iets afzichtelijks, maar alleen een klein zeemeerminnetje, dat in diepen slaap lag.
Heur haar geleek een vochtig gouden vlies, en elk afzonderlijk haartje was als een draad van fijn gesponnen goud in glanzend omhulsel. Haar lijf was gelijk wit ivoor en haar staart bestond uit zilver en paarlen. Van zilver en paarlen was haar staart en het groene zeegras had zich daaromheen geslingerd. Hare ooren waren gelijk zeeschelpen, en haar lippen rozerood als koralen. De kille golven bespatten haar blanken boezem en het zout glinsterde op hare oogleden.
Zij was zoo mooi, dat de jonge visscher van bewondering vervuld werd toen hij haar aanzag, en hij strekte de hand naar haar uit en trok het net naar zich toe, en leunde over de boot en nam haar op in zijne armen. En toen hij haar aanraakte, slaakte zij een kreet als die van een opgeschrikte meeuw, terwijl zij met hare paarsblauwe oogen hem ontzet aanzag en trachtte zich uit zijne omarming los te wringen. Maar hij hield haar vast aan zijn borst gedrukt en wilde haar niet loslaten.
En toen zij zag, dat zij zich niet bevrijden kon, begon zij te schreien en zeide:
—“Ik bid u, laat mij gaan, want ik ben de eenige dochter van een Koning, en mijne vader is oud en eenzaam.”
Maar de jonge visscher antwoordde:
—“Ik wil u niet laten gaan, aleer gij mij beloofd hebt naar boven te zullen komen en voor mij te zingen, zoo vaak ik om u roepen zal, want de visschen luisteren graag naar het gezang van het watervolk en op deze wijze zullen mijne netten overvloedig gevuld worden.”
—“Zult ge mij werkelijk laten gaan, wanneer ik u dit beloof?” vroeg het zeemeerminnetje.
—“Ik zal u dan werkelijk laten gaan,” zei de jonge visscher.
En zij deed hem de gelofte, die hij van haar verlangde en bezegelde die plechtig met den eed van het watervolk. Zoo liet hij dan zijne armen los en het zeemeerminnetje zonk weg in de diepte, al trillend van vreemde angst.
En elken avond voer de visscher uit op de zee, en elken avond riep hij het zeemeerminnetje. En dan steeg zij op uit het water en zong voor hem. En om haar heen zwommen de dolfijnen, en de wilde meeuwen vlogen cirkelend boven haar hoofd, al heen er weer.
En een heerlijk lied zong zij. Want zij zong van de zeebewoners, die hunne kudden van de eene bocht naar de andere voeren, en de kleine kalfjes op hunne schouders dragen; van de tritonen, die lange groene baarden hebben en behaarde borsten en door gekronkelde schelpen blazen wanneer de Koning voorbijtrekt; van het paleis des Konings, dat gansch uit barnsteen gemaakt is, met een dak van doorzichtig smaragd, en met vloeren van glanzende paarlen; van de heerlijke tuinen der zee, waar de groote gevlochten bloedkoralen waaiers den geheelen dag-door heen en weer wuiven, waar de visschen in pijlsnelle vaart doorheen glijden als zilveren vogels, waar de anemonen zich aan de rotsen vastklemmen en de anjelieren in het heuvelachtige gele zand wortelen. Van de groote scharen walvisschen zong zij, die van de noordelijke zeeën stroom-àfwaarts trekken en puntige ijskegels hebben hangen in hunne kiewen; van de sirenen, die, al zingende, van zulke wonderzoete dingen wisten te verhalen, dat de kooplieden hunne ooren met was moesten toestoppen om haar gezang niet te hooren en in het water te springen en te verdrinken; van de gezonken galeien met hare hooge masten, en hoe de bevroren zeevaarders zich nog aan de touwen vastgeklemd houden, en de makreelen door de open luiken in en uit zwemmen; van de kleine eendenmosselen, die groote reizen maken doordat zij zich aan de kielen der schepen vastbooren en zoo om de gansche wereld medevaren; en van den inktvisch, die tegen de steile klippen woont, en zijne lange zwarte armen uitstrekt en den nacht kan doen neerdalen, wanneer hij dat wil. En zij zong van Nautilus en zijn fraaie boot, die uit een opaal gesneden is en een zeil van zilver draagt; van de gelukkige zeemeermannen, die op harpen spelen en de watermonsters in slaap konden tooveren; van de kleine kinderen, die de gladde marmotjes vangen en dan op hunne ruggen gaan rijden; van de zeemeerminnen, die in het witte schuim zich laten drijven en hare armen uitstrekken naar de zeelieden, en van de zeeleeuwen met hunne kromgebogen slagtanden, en van de zeepaarden met hunne golvende manen. En wanneer zij zong, schoten al de tonijnen uit de diepte omhoog om naar haar zang te luisteren, en de jonge visscher wierp zijn netten om hen uit en hij ving ze, en andere visschen doodde hij met zijn speer.
En wanneer zijn boot goed volgeladen was, dook het zeemeerminnetje weg in de zee en lachte hem toe.
Maar nooit kwam zij hem zoo na, dat hij haar had kunnen aanraken. Menigmaal riep hij haar, en bad haar toch dichter bij hem te komen, maar zij wilde niet, en wanneer hij beproefde haar vast te grijpen, dan dook zij snel weg in het water, zooals ook wel een zeehond duikt, en hij zag haar op dien dag niet meer terug.
En met elken dag klonk het geluid harer stem hem liefelijker in de ooren. Zoo liefelijk klonk haar stem, dat hij zijne netten vergat en al zijn list, en zich gansch niet meer bekommerde om zijn handwerk. Met hunne roode vinnen en hunne uitpuilende gouden oogen, trokken de tonijnen in scharen rond zijn boot: hij sloeg geen acht op hen. Zijn speer lag ongebruikt aan zijne zijde en zijne biezen korven bleven ledig. Met geopende lippen, en oogen die van verlangen zich donker kleurden, zat hij in zijn boot en luisterde, luisterde, totdat de zeenevelen met hare dichtgeweven sluiers hem omsloten, en de dwalende maan zijn bruine lijf met zilveren glans overgoot.
En op een avond riep hij haar en sprak:
—“Klein zeemeerminnetje, klein zeemeerminnetje, ik heb je lief! Laat mij je bruidegom zijn, want ik heb je lief.”
Maar het zeemeerminnetje schudde het hoofd.
—“Ge hebt een menschelijke ziel,” antwoordde zij, “alleen wanneer ge je ziel van je zoudt kunnen wegzenden, zou ik je lief kunnen hebben.”
En de jonge man dacht nà over hare woorden en sprak tot zichzelf: “Welk nut heb ik van mijn ziel? Ik kan haar niet zien. Ik kan haar niet betasten. Ik ken haar niet. Waarlijk, ik zal mijn ziel wegzenden, dàn zal groote vreugde mijn deel worden.”
En een blijde kreet jubelde van zijne lippen en hij stond overeind in zijn beschilderde boot en strekte de handen uit naar het zeemeerminnetje.
—“Ik zal mijn ziel wegzenden,” riep hij haar toe, “en je zult mijn bruid zijn en ik je bruidegom, en op den bodem van de zee zullen wij te samen wonen, en alles, waarvan je gezongen hebt, zult ge mij toonen, en alles, wat je verlangt, zal ik doen, en ons leven zal heerlijk zijn voor altijd.”
En de kleine zeemeermin lachte van blijdschap en verborg haar gelaat in de handen.
—“Maar hoe zal ik mijn ziel wegzenden?” riep de jonge visscher. “Zeg mij hoe ik dat doen kan en zie, het zal gebeuren.”
—“Ach, dat weet ik niet,” zei de kleine zeemeermin, “het watervolk heeft geen ziel.” En zij dook weg in de diepte, terwijl hare oogen een blik op hem richtten, waaruit al haar verlangen sprak.
En den volgenden morgen vroeg, toen de zon nog nauwelijks een handbreed boven den heuvel zichtbaar was geworden, begaf zich de jonge visscher naar het huis van den priester en klopte driemaal aan de deur.
Een kloosterling blikte door een kleine opening naar buiten, en toen hij zag wie ’t was, schoof hij den grendel van de deur en sprak: “Treed binnen.”
En de jonge visscher trad binnen en knielde op de geurige rieten mat terneer, en tot den priester, die in het heilige boek te lezen zat, sprak hij: “Vader, hoor mij aan! Eene van het watervolk heb ik lief gekregen en mijn ziel is oorzaak, dat ik mijn verlangen niet kan stillen. Zeg mij, hoe ik mijn ziel van mij kan doen gaan, want waarlijk, ik heb haar niet noodig! Welke waarde heeft mijn ziel voor mij? Zien kan ik haar niet, betasten evenmin. En kennen doe ik haar óók niet.”
De priester sloeg zich op de borst en sprak:
—“Wee, wee, ge zijt waanzinnig, of ge hebt van verderfelijke kruiden gegeten, want weet ge niet, dat de ziel het kostbaarste goed des menschen is, en ons van God gegeven werd, opdat wij haar op edele wijze zouden gebruiken? Er bestaat niets, dat zoo kostbaar is op aarde als de menschelijke ziel, en geen aardsche vreugde kan tegen haar opwegen. Zij is meer waard dan al het goud, dat zich in de aarde bevindt, en meer waard dan de robijnen der Koningen. Daarom, mijn zoon, denk niet meer aan ’t geen ge daar gezegd hebt, want het is een zonde waarvoor geen vergeving bestaat. En het watervolk! Dat is een verloren volk, en zij, die zich met hen inlaten, zullen eveneens verloren gaan. Zij gelijken de dieren des velds, die het goede niet van het kwade kunnen onderscheiden, en voor hen is de Heer niet gestorven.”
De oogen van den jongen visscher vulden zich met tranen, toen hij de strenge woorden van den priester hoorde, en hij stond uit zijne knielende houding op en sprak:
—“Vader, de faunen leven in het woud en zijn blijmoedig, en op de rotsen zitten de waterbewoners met hunne harpen van rood goud. Laat mij zijn zooals zij, ik bid u, vader, want hunne dagen zijn gelijk de dagen der bloemen. En mijn ziel! Wat deert mij mijn ziel, wanneer zij staat tusschen mij en dat wat ik liefheb?”
—“De liefde der zinnen is verachtelijk,” sprak de priester, en op zijn voorhoofd groefden zich diepe rimpels, “en verachtelijk en slecht zijn ook de heidensche schepselen die God door zijn wereld laat dwalen. Vervloekt mogen de faunen van het woud zijn en vervloekt de zangers van de zee! Ik heb ze in nachttijd gehoord, als zij beproefden mij van mijne gebeden af te leiden. Zij kloppen aan het venster en lachen. Zij fluisteren mij het sprookje van hunne verderfelijke vreugden in de ooren. Zij trachten mij in verzoeking te brengen met verleidelijke taal, en wanneer ik mij in vrome aandacht wil verdiepen, zie ik hunne spottende grimassen. Zij zijn verloren zeg ik u, zij zijn verloren. Voor hen bestaat geen hemel en geen hel, en hier noch ginds, zullen zij den naam van God ooit prijzen.”
—“Vader,” riep de jonge visscher, “gij weet niet wat gij zegt! Eens ving ik in mijne netten de dochter van een Koning. Zij is schooner dan de morgenster en blanker dan de maan. Voor háár bezit wil ik mijn ziel prijsgeven en voor hare liefde moge de hemel voor mij verloren zijn. Geef mij antwoord op mijn vraag, en laat mij in vrede van u gaan.”
—“Weg! weg!” riep luid de priester. “Uw lief is verloren en gij zelf zult met haar verloren zijn!” En hij weigerde hem zijn zegen en dreef hem weg van uit zijne deur.
Langzaam, het hoofd gebogen als een die rouw draagt in het hart, liep de jonge visscher naar de markt. Toen de kooplieden hem zagen komen, begonnen zij onderling te fluisteren, en een van hen trad naar hem toe, riep hem bij den naam en sprak:
—“Wat hebt ge te verkoopen?”
—“Mijn ziel wil ik verkoopen,” antwoordde de jonge visscher, “ik bid u, koop mijn ziel, want ik ben haar moede. Wat nut brengt mij mijn ziel? Ik kan haar niet zien. Ik kan haar niet betasten. Ik ken haar niet!”
Maar de kooplieden lachten hem uit en spraken:
—“Wat nut brengt ons de ziel van een mensch? Zij is geen stuk gestempeld zilver waard. Verkoop ons uw lijf als slaaf, en wij zullen u in purper kleeden en een ring aan uw vinger steken, en u tot gunsteling maken van de groote Koningin. Maar spreek niet van uw ziel: ons gaat zij niets aan en voor onze zaak heeft zij geenerlei waarde.”
En de jonge visscher overlegde bij zichzelf: “Hoe zonderling is dit! De priester zeide, dat de ziel kostbaarder was dan al het goud der aarde, en de kooplieden zeggen, dat zij geen stuk gestempeld zilver waard is.”
En hij verliet de markt en schreed omlaag, naar de kusten der zee, en begon te overdenken wat hij wel doen zou.
En des namiddags viel hem te binnen, dat een zijner vrienden die zeevenkel gaarde hem van een jonge heks gesproken had, die in een spelonk aan het einde van de bocht woonde, en groote kennis had van vele dingen. En hij besloot tot haar te gaan, en zoo verlangend was hij van zijn ziel bevrijd te zijn, dat hij liep zoo snel hij kon; een stofwolk volgde hem, toen hij op het zand aan de kust voortijlde.
Aan het jeuken van haar hand, bespeurde de heks, dat de jonge visscher naderde; zij lachte en liet heur roode haar lang neervallen. En met het roode, los golvende haar om hare schouders stond zij aan den ingang van de spelonk te wachten, en in de eene hand hield zij een tak dolle kervel die in bloei stond.
—“Wat verlangt ge? Wat verlangt ge?” riep zij hem tegemoet, toen hij buiten adem de helling opgeklommen kwam en voor haar boog. “Verlangt ge visschen in uw net, wanneer de wind tegen is? Ik heb een kleine rieten fluit, en wanneer ik daarop speel, dan komen de harders de bocht ingezwommen. Maar zij kost veel, schoone knaap, zij kost veel! Wat verlangt ge? Wat verlangt ge? Een storm, die de schepen doet schipbreuk lijden, en de kisten der rijke kooplieden aan de kusten doet spoelen? Ik beschik over meer stormen dan de wind, want ik dien Een, die sterker is dan de wind, en met een zeef en een emmer water kan ik de groote galeien naar den bodem van de zee doen dalen. Maar ik laat mij duur betalen, schoone knaap, ik laat mij duur betalen. Wat verlangt ge? Wat verlangt ge? Ik ken een bloem, die in het dal groeit, niemand weet van haar dan ik-alleen. Zij heeft scharlaken bladen en draagt een ster in het hart en haar sap is wit als melk. Wanneer ge met deze bloem de trotsche lippen der Koningin aanraakt, dan volgt zij u over de gansche wereld. Van de zijde des Konings zou zij moeten opstaan om u over de gansche wereld te volgen. Maar slechts voor hoogen prijs verkrijgt men die bloem, schoone knaap, slechts voor hoogen prijs. Wat verlangt ge? Wat verlangt ge? Ik kan een pad in den vijzel fijnstampen, en een aftreksel daarvan maken, en het aftreksel met de hand van een doode omroeren. Spat het op uw vijand wanneer hij slaapt, zoo zal hij in een zwarte adder veranderd worden, en zijne eigen moeder zal hem neervellen. Met een rad kan ik de maan van den hemel neerhalen, en in een kristal u den dood laten zien. Wat verlangt ge? Wat verlangt ge? Zeg mij uw verlangen, en ik wil die vervullen, maar gij zult mij daarvoor moeten betalen, schoone knaap, gij zult mij daarvoor moeten betalen.”
—“Mijn wensch is niet groot,” zeide de jonge visscher, “maar de priester is toornig op mij geworden en heeft mij weggejaagd. Mijn wensch is niet groot, maar de kooplieden hebben mij bespot en mijn verzoek afgeslagen. Daarom ben ik tot u gekomen, hoewel de menschen u eene booze vrouw noemen; en welke ook uw prijs moge zijn, ik zal dien betalen.”
—“Wat is dan uw wensch?” vroeg de heks en trad dichter bij.
—“Ik wil mijn ziel van-mij zenden,” antwoordde de jonge visscher.
De heks verbleekte en huiverde en bedekte haar aangezicht met haar blauwen mantel.
—“Schoone knaap, schoone knaap,” murmelde zij, “dit te verlangen is vreeselijk.”
Hij schudde zijne bruine lokken naar achteren en lachte.
—“Mijn ziel lijkt mij een nietig ding,” antwoordde hij, “ik kan haar niet zien. Ik kan haar niet betasten. Ik ken haar niet.”
—“Wat zult gij mij geven, wanneer ik het u zeg?” vroeg de heks en zij keek strak op hem neer met hare diep-donkere oogen.
—“Vijf stukken goud,” antwoordde hij, “en mijne netten en het huis van gevlochten riet waarin ik woon, en de geschilderde boot waarin ik vaar. Zeg mij alleen maar, hoe ik mij bevrijden kan van mijn ziel, en alles wat ik bezit zal ik u geven.”
Zij lachte spotachtig en raakte hem even aan met haar bloeienden tak van dolle kervel.
—“Ik kan de bladeren van den herfst in goud veranderen,” zeide zij, “en ik kan de bleeke stralen van de maan tot zilveren draden weven, wanneer ik dat wil. Hij, dien ik dien, is rijker dan alle Koningen van de aarde, en hij beheerscht al hunne landen.”
—“Wat zal ik u dan geven,” riep de jonge visscher, “wanneer uw prijs niet uit goud en niet uit zilver kan bestaan?”
De heks streek met hare dunne witte hand over het roode los-zwierende haar.
—“Gij moet met mij dansen, schoone knaap,” murmelde zij en zij lachte hem toe, terwijl zij dit zeide.
—“Anders niet?” vroeg de jonge visscher verwonderd, en verheugd sprong hij op.
—“Anders niet,” antwoordde zij en wederom lachte zij hem toe.
—“Dan zullen wij op een stille plaats gaan dansen, wanneer de zon zal zijn ter kimme gedaald,” zeide hij, “en wanneer wij gedanst hebben, zult gij mij dan zeggen, wat ik verlang te weten?”
Zij schudde het hoofd.
—“Wanneer de maan vol is, wanneer de maan vol is,” murmelde zij.
Toen keek zij spiedend om zich heen en luisterde. Een blauwe vogel vloog krijschend uit zijn nest en cirkelde boven de duinen, en drie bontkleurige vogels ritselden door het stoppelige gras en floten elkaar toe. En anders was er geen geluid, dan het geluid van de golven, die daar beneden over de gladde kiezelsteenen bruisten. Toen strekte zij haar hand uit, trok hem dicht naar zich toe, en legde hare dunne lippen aan zijn oor.
—“Heden nacht moet gij met mij naar den top van den berg gaan,” fluisterde zij, “het is Sabbatdag en Hij zal komen.”
De jonge visscher huiverde en zag haar vragend aan, terwijl zij lachte en hare witte tanden liet zien.
—“Wie is Hij van wien ge spreekt?” vroeg hij.
—“Dat doet er niet toe,” antwoordde zij. “Kom dezen nacht, blijf staan onder de takken van den witten beuk en wacht tot gij mij ziet. Wanneer een zwarte hond op u toe komt geloopen, sla hem dan met een wilgentak en hij zal van u gaan. Wanneer een uil tot u spreekt, antwoord dan niet. Als de maan vol is, zal ik bij u zijn, en wij zullen op het gras dansen.”
—“Maar wilt ge mij zweeren, dat ge me dan zeggen zult, hoe ik mijn ziel van-mij kan zenden?” vraagde hij.
Zij trad naar buiten in het zonlicht, en de wind speelde met het lokkige roode haar.
—“Ik zweer het bij de hoeven van de geit,” antwoordde zij.
—“Gij zijt de beste van alle heksen,” riep de jonge visscher “en ik zal gaarne heden nacht met u dansen op den top van den berg. Liever ware ’t mij wel geweest, wanneer ge goud of zilver van mij hadt verlangd. Maar wàt ook uw prijs moge zijn, gij zult dien ontvangen, want het zal mij een geringe prijs zijn.”
En hij zwenkte zijne muts voor haar en boog diep het hoofd en liep terug naar de stad, van groote vreugde vervuld.
De heks zag hem nà terwijl hij zich verwijderde, en toen hij uit hare oogen verdwenen was, ging zij terug naar de spelonk, nam een spiegel uit een kistje van uitgesneden cederhout, plaatste dien op een voetstuk, en brandde daarvoor ijzerkruid op koolen vuur. En zij keek aandachtig naar het uitwolken van den rook. Na eene poos balde zij toornig de hand.
—“Den mijnen had hij moeten zijn,” murmelde zij. “Ik ben even schoon als zij.”
En ’s avonds, toen de maan hoog aan den hemel stond, steeg de jonge visscher naar den top van den berg, en wachtte onder de takken van den witten beuk. Als een schild van blank zilver lag de ronde meerboezem aan zijne voeten, en de schaduwen der visschersbooten wiegelden zich zacht in de kleine bocht.
Een groote uil, met zwavel-geele oogen riep hem bij zijn naam, maar hij antwoordde niet. Een zwarte hond kwam op hem toe en gromde. Hij sloeg naar hem met zijn wilgentak en de hond liep kwispelstaartend heen.
Te middernacht kwamen de heksen als vledermuizen door de lucht gevlogen. “Phoen!” riepen zij, toen zij den grond raakten, “hier moet er een zijn dien wij niet kennen.”
En zij snuffelden overal in ’t rond, kakelden onderling en gaven elkaar teekens. Als laatste kwam de jonge heks. Heur roode haar zwierde in den wind; zij had een kleed aan uit goudstof geweven, waarop pauwenoogen geborduurd waren, en op het hoofd droeg zij een kleine muts van groen fluweel.
—“Waar is hij? Waar is hij?” riepen de heksen, toen zij haar gewaar werden. Maar zij lachte als eenig antwoord, liep naar den witten beuk, nam den jongen visscher bij de hand, trad met hem naar voren in het heldere maanlicht en begon te dansen.
Om en om keerden zij zich in dollen overmoed en de jonge heks sprong daarbij zoo hoog, dat hij de scharlaken hakken van hare schoentjes kon zien. Toen hoorde hij, dwars door de dansenden heen, duidelijk het geluid van een galoppeerend paard, maar men zag geen paard, en het werd hem onrustig te moede.
—“Vlugger;” riep de heks, en zij sloeg wild hare armen om zijn hals, en hij voelde haar warmen adem op zijn aangezicht. “Vlugger, vlugger!” herhaalde zij, en de aarde scheen onder zijne voeten te draaien, en zijn blik werd beneveld en een groote angst beving hem, alsof een booze geest hem in het aangezicht blikte.
En toen eerst zag hij onder de schaduw van een vooruitspringende rots eene gestalte, die er tevoren niet gestaan had.
Het was die van een man in gewaad van zwart fluweel, naar Spaansche dracht gesneden. Zijn gelaat was uitermate bleek, maar zijn mond geleek een trotsche roode bloem. Hij scheen vermoeid en leunde tegen de rots, terwijl zijn hand achteloos met het gevest van een dolk speelde. Naast hem op het gras lag een met veeren getooiden hoed en een paar rijhandschoenen, die met gouden koorden versierd, en met paarlen bestikt waren, in figuren van zonderling symbool. Een koter, met sabelbont gevoerde mantel, hing over zijne schouders, en zijne fijne witte handen waren met ringen bezet. Zwaar vielen hem de oogleden over de oogen. De jonge visscher zag hem aan, en hij gevoelde zich als iemand, die onder de macht eener zonderlinge betoovering geraakt was. Eindelijk ontmoetten beider blikken elkaar, en toen gebeurde het, dat, wáár hij ook danste, hij steeds de oogen van den somberen man op zich voelde rusten. Hij hoorde hoe de heks lachte, krachtiger omvatte hij haar lijf, en wilder nog draaide hij met haar in de rondte.
Plotseling blafte een hond in het bosch, de dansenden stonden stil en bewogen zich paarsgewijze, knielden toen neder voor den man en kusten hem de hand. Terwijl zij zoo deden, speelde een vluchtig lachje over zijne trotsche lippen, zooals eens vogels vleugelpaar lichtelijk over het water scheert. Maar verachting lag in dien lach, en voortdurend bleef zijn blik op den jongen visscher gevestigd.
—“Kom, laten wij gaan en hem aanbidden,” fluisterde de heks, en zij voerde hem met zich mede. En een groot verlangen om te doen wat zij gebood greep hem aan, en hij volgde haar. Maar toen hij naderbij kwam, maakte hij, zonder dat hij wist waarom, op zijn borst het teeken des kruizes, en noemde den heiligen naam.
En nauwelijks had hij dit gedaan, of de heksen krijschten luid als wilde valken en vloden heen naar alle richtingen, en het bleeke gelaat dat hem voortdurend had aangezien, vertrok zich in een kramp van pijn. De man verdween in het kreupelbosch en floot. Een klein Spaansch ros, met zilver opgetuigd, sprong hem tegemoet. Hij wierp zich in het zadel, keerde zich om, en zag met droeven blik naar den jongen visscher. En de heks met het roode haar beproefde eveneens te ontvluchten, maar de visscher greep haar bij den pols en hield haar tegen.
—“Laat mij los,” riep zij, “en laat mij gaan! Want gij hebt genoemd wat niet genoemd mag worden, en het teeken gemaakt, dat niet gemaakt mag worden.”
—“Neen,” antwoordde hij, “ik laat u niet los, alvorens gij mij het geheim gezegd hebt.”
—“Welk geheim?” vroeg de heks, en zij worstelde met hem als een wilde kat en beet zich op de met schuim bedekte lippen.
—“Gij weet wat ik meen,” antwoordde hij.
Hare grasgroene oogen werden donker van tranen en zij sprak tot den visscher:
—“Verlang alles van mij wat ge wilt, alleen dit eene niet.”
Hij lachte en hield haar des te steviger omklemd.
En toen zij zag dat hare pogingen vruchteloos waren, fluisterde zij aan zijn oor: “Ben ik niet even schoon als het kind van de zee, en even bekoorlijk als zij, die in het blauwe water woont?” en zij vleide zich tegen hem aan en drukte haar gelaat aan zijn borst. Maar zijn voorhoofd rimpelde zich van toorn, hij stiet haar ruw van zich af en sprak: “Wanneer ge de belofte niet houdt die ge mij gegeven hebt, zal ik je dooden als een valsche heks.”
Zij werd zoo grauw als een judaspenningblad en huiverde.
—“Zoo zij het dan!” murmelde zij. “Het geldt uwe ziel, niet de mijne. Doe met haar wat ge wilt.”
En zij nam uit haar gordel een kleinen dolk, die een handvat had van groene adderenhuid, en gaf hem dien.
—“Waartoe moet de dolk mij dienen?” vroeg hij verwonderd.
Zij zweeg een oogenblik, en eene uitdrukking van ontzetting vloog over haar gezicht. Toen streek zij de lokken weg van haar voorhoofd, en met een zonderling lachje sprak zij:
—“Wat de menschen de schaduw van het lichaam noemen, dat is niet de schaduw van het lichaam, maar dat is het lichaam van de ziel. Plaats u aan de kust van de zee, den rug tegen de maan gekeerd, en snijd rondom uwe voeten de schaduw weg, die het lichaam van uw ziel is, en gebied uw ziel vàn-u te gaan. En zij zal u gehoorzamen.”
De jonge visscher huiverde.
—“Is dat waar?” fluisterde hij.
—“Dat is waar—maar ik wilde dat ik het u niet gezegd had!” riep zij en omklemde weenend zijn knie. Hij duwde haar terug en liet haar achter in het welige gras, stak den dolk in zijn gordel, ging naar den rand van den berg en begon den weg afwaarts te dalen.
En de ziel die in hem was, sprak tot hem: “Zie, ik ben bij u geweest al deze jaren lang, en heb u trouw gediend. Zend mij nu niet weg van u. Want welk leed heb ik u aangedaan?”
De jonge visscher lachte.
—“Gij hebt mij geen leed aangedaan,” zeide hij, “maar ik kan u niet langer gebruiken. De wereld is groot en er is nog een hemel, en ook een hel, en er is het donkere schemerhuis, dat tusschen die beiden ligt. Ga waarheen ge wilt, maar stoor mij niet, want mijn liefde verlangt naar mij.”
En zijn ziel weende en smeekte om genade, maar hij luisterde niet naar haar; vlug sprong hij van de eene klip op de andere, want zijn voet was zeker als die van een wilde gems, en eindelijk had hij het strand bereikt, en de gele kust van de zee.
Met een lichaam als uit brons gegoten, en ledematen zoo forsch en fier als die van een Grieksch beeld, zoo stond hij op het zand, den rug naar de maan gekeerd.
En uit het spattende schuim hieven zich slanke armen die hem wenkten, en uit de deinende golven stegen donkere gestalten, die hem huldigden, en achter hem stond de maan aan den honingkleurigen hemel.
En zijn ziel sprak tot hem:
—“Wanneer ge mij werkelijk van u zenden wilt, stuur mij dan niet heen zonder uw hart. De wereld is wreed, geef mij uw hart mede op mijn weg.”
Maar hij wierp het hoofd achterover en lachte.
—“Waarmede zou ik mijn liefste liefhebben, wanneer ik u mijn hart gaf?” riep hij.
—“Ach, heb erbarmen met mij,” klaagde de ziel, “geef mij uw hart, want de wereld is zoo wreed en ik ben vol vreeze.”
—“Mijn hart behoort aan mijn liefste,” antwoordde hij. “Aarzel daarom niet langer en ga heen van mij.”
—“Moet ik dan niet óók liefhebben?” vroeg de ziel.
—“Nog eenmaal: ga heen, want ik heb u niet noodig,” riep de jonge visscher, en hij nam den kleinen dolk met het handvat van groene adderenhuid en sneed de schaduw rondom zijne voeten weg; en hij richtte zich op en stond voor de schaduw; en hij bezag die en die was gelijk hemzelf.
Hij trad eenige schreden terug en stak den dolk in zijn gordel; een gevoel van angst en schuwheid bekroop hem.
—“Ga heen,” murmelde hij, “en laat mij uw aangezicht nooit meer vóór mij zien.”
—“Ik ga,…. Maar wij zullen elkaar weervinden,” zeide de ziel. Haar stem klonk zacht en zangerig gelijk een fluit, en hare lippen bewogen zich nauwelijks terwijl zij sprak.
—“Hoe zouden wij elkander ooit terugzien?” vroeg de jonge visscher. “Gij zult mij toch niet tot in de diepten der zee volgen?”
—“Eenmaal in elk jaar zal ik hierheen komen en u aanroepen,” sprak de ziel. “Het kon zijn, dat ge mij noodig hadt.”
—“Hoe zoude ik u noodig kunnen hebben?” riep de jonge visscher. “Maar het geschiede zooals gij zegt!”
En met een sprong dook hij weg in het water, en de tritonen bliezen op hunne hoorns, en het kleine zeemeerminnetje kwam naar boven, hem tegemoet gezwommen, en zij sloeg hare armen om zijn hals en kuste hem op den mond.
Aan het eenzame strand van de zee stond de ziel en zag het schouwspel aan.
En toen zij hen zag wegzinken in de diepte, ging zij weenend heen.
En verdween achter de moerassen.
En toen een jaar verstreken was, keerde de ziel terug naar de kust van de zee, en riep den jongen visscher, en hij steeg uit de diepte opwaarts en sprak:
En de ziel antwoordde:
—“Kom naderbij, opdat ik met u spreken kan, want ik heb heerlijke dingen gezien!”
En hij kwam nader en zette zich aan den zoom van het water, leunde met het hoofd in de hand en luisterde. En de ziel sprak tot hem:
“Nadat ik u verlaten had keerde ik naar den kant van het Oosten, en begon er mijn zwerftocht. Uit het Oosten komt alle wijsheid. Zes dagen zwierf ik rond, en op den morgen van den zevenden dag kwam ik aan een heuvel, die in het land der Tartaren ligt. Ik zette mij neder in de schaduw van een tamariskenboom, om mij voor de zon te beschutten. Het land was droog en door de hitte verschroeid. De menschen liepen her en derwaarts in de vlakte, gelijk vliegen, die over een plaat van blinkend koper kruipen.
Tegen den middag, verhief zich aan den vlakken kant van het land een roode stofwolk. Toen de Tartaren dit zagen spanden zij hunne beschilderde bogen, sprongen op hunne kleine paarden en reden de stofwolk tegemoet. De vrouwen vluchtten met groot misbaar naar de wagens, en verborgen zich achter de voorhangen van dierenvellen. Toen het begon te schemeren kwamen de Tartaren terug, maar vijf van hen ontbraken, en van degenen, die terugkwamen, waren niet weinige verwond. Zij spanden hunne paarden voor de wagens en reden haastig weg. Drie jakhalzen slopen uit een hol en zagen hen na. Zij snoven met welbehagen de lucht in hunne neusgaten op en draafden in de tegenovergestelde richting heen.
Toen de maan opkwam, zag ik een bivakvuur in de vlakte opvlammen en begaf mij daarheen. Een kring van kooplieden zat rond het vuur, op uitgespreide tapijten. Hunne kameelen waren, achter hen, aan palen gebonden, en de negers, die hunne slaven waren, sloegen op het zand tenten van gelooide vachten op, en bouwden eene hooge omheining van stekeldraad.
Terwijl ik hen naderde, stond het hoofd van de karavaan op, trok zijn zwaard uit de scheede en vroeg wat ik wilde. Ik antwoordde dadelijk, dat ik de vorst was van een ver gelegen rijk, en dat ik den Tartaren ontvlucht was, die mij tot hun slaaf hadden willen maken. De hoofdman lachte, en toonde mij vijf menschelijke hoofden, die op lange bamboestaven staken.
Daarop vroeg hij wie de Profeet van God was en ik antwoordde Mohamed.
Toen hij den naam van den valschen Profeet hoorde, boog hij zich, nam bij mij de hand en deed mij naast hem ter neer zitten. Een neger reikte mij paardemelk in een houten schotel en een stuk gebraden lamsvleesch.
Bij het schemeren van den dag, braken wij op. Ik reed op een roodharigen kameel aan de zijde van den hoofdman, en een voorlooper draafde voor ons uit en droeg een speer. Aan beide kanten bevonden zich gewapende slaven, en muildieren volgden met de koopwaren. Veertig kameelen telde de karavaan en de muildieren waren tweemaal veertig in getal.
Wij kwamen, van uit het land der Tartaren, in het land van hen, die de maan vervloeken. Wij zagen de Gryphen hun goud op de witte rotsen bewaken en de geschubde draken in hunne holen slapen. Toen wij over het gebergte trokken, hielden wij den adem in, opdat de sneeuw niet op ons zou neervallen, en elk onzer bond zich een sluier van gaas voor de oogen. Toen wij door de valleien liepen schoten de Pygmeën uit holle boomstammen met pijlen naar ons, en des nachts hoorden wij de wilden op hunne trommels slaan. Toen wij bij den Toren van de Apen kwamen, zetten wij hen vruchten voor, en zij deden ons geen kwaad. Toen wij bij den Toren van de Slangen kwamen, reikten wij hen warme melk in koperen schotels, en zij lieten ons voorbijtrekken. Drie malen kwamen wij op onze reizen aan de oevers van den Oxos. Wij trokken er over met behulp van houten vlotten, waaraan groote met lucht gevulde blazen bevestigd waren. De Nijlpaarden stormden tegen ons aan en wilden ons dooden. Toen de kameelen hen zagen, sidderden zij van angst.
De Koningen van elke stad hieven invoergeld van ons, maar veroorloofden ons geen toegang binnen hunne poorten. Zij wierpen ons over de muren brood toe, kleine maïskoeken die in honing gebakken waren, en koeken uit fijn meel die met dadels gevuld waren. Voor honderd korven brood gaven wij eene barnsteenkraal.
Wanneer de bewoners der dorpen ons zagen komen, vergiftigden zij de bronnen en vloden op de heuvels. Wij streden met de Magaden, die, oud geboren, van jaar tot jaar jonger worden, en sterven wanneer zij kleine kinderen zijn geworden; met de Lakten, die van tijgers beweren af te stammen, en zich zwart en geel beschilderen; met de Auranten, die hunne dooden in de kruinen der boomen begraven en zelf in donkere holen wonen, opdat de zon, die hun God is, hen niet doode; met de Krimniers, die een krokodil aanbidden, hem met boter en levend gevleugelte voederen; met de Agazomben, die hondengezichten, en met de Sibers, die paardevoeten hebben en sneller loopen dan paarden. Een derde van onzen troep stierf in den strijd, en een derde stierf door gebrek. De rest morde tegen mij en zeide, dat ik hen ongeluk gebracht had. Daarop nam ik van onder een steen een adder, en liet mij door haar bijten. En toen zij zagen, dat ik niet ziek werd, beving hen vreeze.
In de vierde maand bereikten wij de stad Illel. Het was nacht toen wij aan het bosch kwamen, dat zich voor de stadsmuren uitstrekte. De lucht was zwoel, want de maan stond in den Schorpioen. Wij namen de rijpe granaatappels van de boomen, openden die en dronken er het zoete sap van. Daarop strekten wij ons uit op onze tapijten en wachtten de ochtendschemering af.
En met de schemering stonden wij op en klopten aan de stadspoort. Die was van rood brons vervaardigd, waarin zeegedrochten en gevleugelde draken waren gegoten. De schildwachten zagen van de wallen op ons neder en vraagden wat wij begeerden. De tolk der karavaan antwoordde, dat wij met vele koopwaren van het Syrische eiland kwamen. Zij namen gijzelaars uit ons midden en zeiden, dat zij ons des middags de poort zouden openen, en dat wij tot dat tijdstip te wachten hadden.
Toen het middag werd, openden zij de poort, en toen wij binnentrokken, kwam het volk in scharen uit de huizen om ons te zien, en een omroeper ging door de gansche stad en blies op een schelp. Wij stonden op het marktplein, en de negers bonden de balen met bonte doeken los en openden de uitgesneden kisten van Sykomorenhout. En toen zij dit gedaan hadden, haalden de kooplieden hunne buitenlandsche waren te voorschijn: gewast linnen uit Egypte en beschilderd linnen uit het land der Ethiopiërs; purperkleurige sponsen uit Tyrus en blauwe behangsels van Sidon; schalen van blank ivoor en doorzichtige vazen van glas, en zonderling aardewerk. Een schare van vrouwen sloeg ons van uit het dak van een huis gade. Een harer droeg een masker van verguld leder.
En op den eersten dag kwamen de priesters en dreven ruilhandel met ons, en op den tweeden dag kwamen de adelijken, en op den derden dag kwamen de handwerkers en de slaven. Dit alles volgens het gebruik van alle kooplieden, zoolang zij in die stad verwijlen.
En wij toefden er een maand lang, en toen de maan afnam verlangde ik verder te gaan, en liep door de straten der stad, en kwam eindelijk aan den tuin van hunnen God. Priesters in geelzijden gewaden zag ik zwijgend onder de groene boomen schrijden, en, op een onderbouw van zwart marmer, stond het lichtroode huis, waarin de God verblijf hield. De deuren waren er met goudlak overtrokken, waarop stieren en pauwen in gedreven glanzend goud. Het dak was belegd met tegels van zeegroen porcelein, en aan de naar buiten loopende dakgootpijpen hingen kleine klokken. Wanneer de witte duiven voorbij vlogen, bewogen zij met hare vleugels de klokken, die dan tinkelend geluid gaven. Voor den tempel bevond zich een vijver vol helder water, die met gestreept agaat geplaveid was. Ik zette mij aan den rand terneer en betastte met mijne bleeke vingers de breede bladen der waterplanten. Een der priesters kwam naderbij en trad achter mij. Hij droeg sandalen aan de voeten; de eene sandaal bestond uit zacht slangenvel en de andere uit vogelveeren. Op zijn hoofd droeg hij een muts van zwart vilt, die met zilveren maansikkels versierd was. Zeven kleuren van geel waren in zijn kleed geweven en zijn krullend haar was met antimoon bestrooid.
Na eene wijle richtte hij het woord tot mij, en vroeg wat ik verlangde.
Ik zeide hem dat ik den God wenschte te zien.
—“De God is op de jacht,” zeide de priester, en keek mij met zijne kleine schuine oogen onderzoekend aan.
—“Zeg mij in welk bosch, zoo wil ik met hem ter jacht gaan,” antwoordde ik.
Hij kamde met zijne lange spitse nagels de franje van zijn gewaad.
—“De God slaapt,” antwoordde hij.
—“Zeg mij op welk rustbed hij ligt, zoo wil ik bij hem waken,” antwoordde ik.
—“De God is bij den maaltijd,” riep hij.
—“Als de wijn zoet smaakt, dan wil ik dien met hem drinken, en ook zoo de wijn zuur is, zal ik dien met hem drinken,” luidde mijn antwoord.
Hij boog verwonderd het hoofd, nam mij bij de hand en geleidde mij in den tempel.
En in het eerste vertrek zag ik een afgodsbeeld zitten, op een troon van jaspis die met kostbare paarlen uit het Oosten omzet was. Het beeld was uit ebbenhout gesneden en zijne gestalte was die van een man. Op het voorhoofd droeg hij een robijn en dikke druppels geurige olie vielen uit zijn haar op zijne dijen. Zijne voeten waren rood gekleurd door het bloed van een frisch geslacht lam, en zijne lendenen waren omsloten door een breeden koperen gordel, die met zeven berillen bezet was.
En ik vraagde den priester: “Is dit de God?” en hij antwoordde: “Dit is de God.”
—“Toon mij den God,” riep ik uit, “of waarlijk ik zal u ter neer vellen!” En ik raakte zijne hand aan en die werd dor.
En de priester smeekte en sprak:
—“Moge mijn Heer zijnen dienstknecht genezen, dan zal ik hem den God toonen.”
Daarop blies ik mijn adem over zijne hand en die werd genezen.
En hij sidderde en voerde mij in een tweede vertrek en ik zag op een lotosbloem van graveelsteen, die met groote smaragden behangen was, een afgodsbeeld staan. Uit ivoor was het gesneden en zijne gestalte was dubbel zoo groot als die van een man. Op zijn voorhoofd glansde een chrysoliet, en zijn borst was met mirren en kaneel bestreken. In de eene hand hield het een gebogen schepter van nephriet, en in de andere een rond kristal. Het droeg laarzen uit erts, en om zijn dikken hals lag een ketting van sklenieten.
Ik zeide tot den priester: “Is dit de God?” en hij antwoordde: “Dit is de God.”
—“Toon mij den God,” riep ik uit, “of ik zal u waarlijk dooden!” En ik raakte zijne oogen aan en die werden blind.
En de priester smeekte en sprak: “Moge mijn Heer zijnen dienstknecht genezen, dan zal ik hem den God toonen.”
Toen blies ik mijn adem over zijne oogen en die werden weder ziende.
En hij sidderde wederom, en voerde mij in het derde vertrek, en zie! daar bevond zich geen afgodsbeeld en ook geene andere beeltenis van welken aard dan ook, maar alleenlijk een ronde spiegel van geslepen metaal, op een altaar van steen.
En ik sprak tot den priester: “Waar is de God?”
En hij antwoordde mij: “Wij hebben geen anderen God dan dezen spiegel dien gij ziet, want deze is de Spiegel der Wijsheid. Hij weerspiegelt alle dingen die in den hemel en op de aarde zijn, alleen niet het gelaat van hem, die zich daarin spiegelt. Dit geeft hij niet weer, opdat hij, die daarin ziet, wijs kan zijn. Er zijn vele andere spiegels, maar dat zijn de spiegels der Meeningen. Deze alleen is de Spiegel der Wijsheid. En zij die dezen Spiegel bezitten, weten alles, en niets is voor hen verborgen. En zij die hem niet bezitten, hebben ook niet de Wijsheid. Daarom is hij de God dien wij aanbidden.”
En ik zag in den spiegel en het was, zooals hij gezegd had.
Toen deed ik een zonderlinge daad; maar wàt ik deed is noodeloos te verhalen, want in een dal, dat slechts een dagreize van hier verwijderd ligt, heb ik den Spiegel der Wijsheid verborgen. Laat mij slechts weer tot u ingaan en u dienen, dan zult gij wijzer zijn dan alle wijzen, en de Opperste Wijsheid zal uw deel zijn.”
Maar de jonge visscher lachte.
—“Liefde is beter dan Wijsheid,” riep hij, “en het kleine zeemeerminnetje heeft mij lief.”
—“Ge vergist u, er is niets beters op de wereld dan de Wijsheid,” sprak de ziel.
—“De Liefde is beter,” herhaalde de jonge visscher; en hij dook onder in de diepte.
En de ziel ging weenende van daar. En verdween over de moerassen.
En toen het tweede jaar verstreken was, keerde de ziel terug naar de kust van de zee, en riep den jongen visscher, en hij steeg uit de diepte opwaarts en zeide:
—“Waarom roept ge mij?”
En de ziel antwoordde:
—“Kom naderbij, opdat ik met u spreken kan, want ik heb de wonderlijkste dingen gezien.”
En hij kwam nader en zette zich aan den rand van het water, leunde met het hoofd in de hand en luisterde.
En de ziel sprak tot hem.
—“Toen ik u verlaten had, richtte ik mijne schreden naar het Zuiden en begon mijn zwerftocht. Uit het Zuiden komt alles wat kostbaar is. Zes dagen liep ik op de straatwegen, die naar de stad Asther voeren; op de stoffige roode straatwegen, die de pelgrims plegen te volgen, schreed ik voort, en op den morgen van den zevenden dag, zie! daar zag ik de stad aan mijne voeten liggen, want zij is in een dal gelegen.
Negen poorten geven toegang tot deze stad en voor elke poort staat een bronzen paard, dat hinnekt wanneer de Bedouïnen van de bergen naar omlaag komen. De muren zijn met koper beslagen en de wachttorens op de muren uit erts gebouwd. In elken toren staat een boogschutter met een boog in de hand. Bij zonsopgang slaat hij met een pijl op een klankbekken, en bij zonsondergang blaast hij op een hoorn, uit horen gesneden. Toen ik beproefde binnen te gaan, hielden de wachten mij tegen en zij vroegen, wie ik was. Ik antwoordde, dat ik een derwisch was, op weg naar Mekka, alwaar zich een groene sluier bevinden moest waarop engelenhanden in zilveren letters den Koran hadden geborduurd. Zij luisterden met groote verbazing naar hetgeen ik zeide, en vergunden mij binnen de stad te komen. En binnen de stad, daar geleek het wel een bazaar. Waarlijk, gij hadt bij mij moeten zijn. Langs de nauwe straten wiegelen bonte papierlantaarns als groote vlinders heen en weer. Wanneer de wind over de daken strijkt, dan stijgen ze op en vallen weer neer, net als gekleurde zeepbellen. De kooplieden zitten voor hunne winkeltjes op glanzende zijdene tapijten. Zij dragen recht-neerhangende zwarte baarden, hunne tulbanden zijn met gouden sechinen bedekt en lange kettingen van barnsteen en van kunstig uitgesneden perzikpitten glijden door hunne slanke vingers. Eenige van hen verkoopen galbanum en nardus, en zeldzaam reukwerk van de eilanden in de Indische zee, olie van roode rozen, en myrten en kleine kruidnagelen. Wanneer men stil staat om met hen te praten, werpen zij kleine stukjes wierook op een kolenbekken, en de lucht wordt vervuld van zoete geuren. Ik zag een Syriër, die in zijn hand een dun rieten stokje hield. Grijsblauwe draden van rook wolkten daaruit op, en de geur die het stokje onder het branden verspreidde, herinnerde aan dien van amandelbloesems in de lente. Andere verkoopen zilveren armbanden die in de rondte met melk-blauwe turkooizen bezet zijn; voetspangen van koper, waaraan een franje van fijne paarlen, tijgerklauwen in goud gevat, ook de klauwen van den goud-bronzen leopard, eveneens in goud gevat; oorhangers uit doorboorde smaragden en vingerringen van uitgeholde nephriet. Uit de theehuizen klinken gitaarklanken en de opiumschuivers liggen er met bleeke, glimlachende aangezichten naar de voorbijgangers te staren. Waarlijk, gij hadt bij mij moeten zijn. De wijnverkoopers banen zich hunnen weg, dwars door de menigte, met groote zwart leeren zakken over de schouders. De meesten verkoopen den wijn uit Schiras, die zoet is als honing. Zij bieden die aan op kleine metalen schalen, waarop zij rozenbladeren strooien. Op de marktplaats stonden de fruitverkoopers, die alle soorten van vruchten veil boden; rijpe vijgen, met haar week purperkleurig vleesch; meloenen, die naar muskus geuren, en geel zien als topazen; citroenen en rozenbottels en witte druiven; ronde, geelroode oranjeappelen en langwerpige limoenen van puur groen goud. Eens zag ik een olifant voorbijgaan. Zijn snuit was rood en geel beschilderd en over de ooren droeg hij een roodzijden gevlochten net. Hij bleef voor een der kraampjes staan en begon van de oranjeappelen te eten, en de verkooper liet dit lachend toe. Ge kunt u niet voorstellen, welk een merkwaardig volk het is. Wanneer zij vroolijk zijn, gaan zij naar een vogelhandelaar en koopen van hem een gevangen vogel, dien zij laten vliegen, opdat hunne vreugde nog grooter worde; en wanneer zij mistroostig zijn, kastijden zij zich met doornen, opdat hun verdriet niet minder worde.
Op een avond ontmoette ik eenige negers, die een zwaren draagstoel langs de winkels voortdroegen. Hij was van verguld bamboes gemaakt en de staven waren van rood lak, waarin ingelegde pauwen van erts. Voor de vensters hingen dunne gordijnen van neteldoek, die met kevervleugelen en kleine paarlen geborduurd waren, en toen de draagstoel voorbij ging, keek een bleeke cirkassische vrouw naar buiten, en wierp mij een glimlach toe. Ik volgde den stoet, de negers verhaastten hunne schreden, en hunne blikken werden dreigend en somber. Maar ik bekommerde er mij niet om; eene groote nieuwsgierigheid had zich van mij meester gemaakt.
Eindelijk hielden de dragers stil voor een vierkant wit huis. Het had geen vensters, slechts een lage deur, als de deur van een graf. Zij zetten den draagstoel neder, en klopten driemaal met een koperen hamer op de deur. Een Armeniër in een kaftan van groen leder keek door een luikje, en toen hij den draagstoel gewaar werd, opende hij de deur en breidde een tapijt over den grond.
De vrouw steeg uit. Terwijl zij naar binnen trad, keerde zij zich om en wierp mij opnieuw een glimlach toe. Nooit had ik een zoo bleek gelaat aanschouwd.
Toen de maan was opgegaan, keerde ik naar dezelfde plaats terug en zocht er het huis, maar het was verdwenen. En ik begreep wie de vrouw was en waarom zij mij had toegelachen. Waarlijk, gij hadt er bij moeten zijn.
Op het feest van de Wassenden Maan kwam de jonge Keizer uit zijn paleis en begaf zich in de Moskee om er te bidden.
Zijn haar en zijn baard waren met rozenbladeren gekleurd en op zijne wangen lag fijn stofgoud. De palmen der handen en die der voeten waren geel van safraan. Bij zonsopgang kwam hij uit zijn paleis in een gewaad van zilver, en bij zonsondergang keerde hij in een gewaad van goud terug. Het volk wierp zich op den grond en verborg het aangezicht, maar ik deed zulks niet. Ik stond bij het kraampje van een dadelverkooper en wachtte. Toen de Keizer mij opmerkte, rimpelde zich zijn voorhoofd en hij stond stil. Ik bleef zeer rustig en bewees hem geen hulde. Het volk verbaasde zich over mijne stoutmoedigheid, en men ried mij de stad te ontvluchten. Ik luisterde niet naar dien raad, doch begaf mij naar de kooplieden die beeldjes van vreemde godheden verkoopen, en, om dien handel, zeer veracht worden. Toen ik hen verhaalde wat ik gedaan had, gaf elk hunner mij een afgodsbeeldje, en zij verzochten mij dringend hen te verlaten. Des nachts lag ik op een kussen in het theehuis, dat aan den Granaatappelweg staat; daar kwam de lijfwacht van den Keizer, en voerde mij in het paleis. Toen ik binnentrad, sloot men achter mij elke deur en grendelde die bovendien. Daarop kwam ik in een grooten hof, dat omsloten was door een zuilengang. De muren waren van wit albast, en hier en daar met blauwe en groene tegels versierd. De pilaren waren van groen marmer en het plaveisel bestond uit bijkans perzikkleurig marmer. Nooit aanschouwde ik iets dergelijks.
Toen ik door den hof liep, zagen twee gesluierde vrouwen van een balkon op mij neder en spraken verwenschingen tegen mij uit. De soldaten liepen met versnelde passen en hunne speeren vielen dreunend neer op het glanzende plaveisel. Zij ontsloten een deur van uitgesneden ivoor, en ik bevond mij in een tuin met vele fonteinen en zeven terrassen. De tuin was met tulpen en papavers en zilverige aloën beplant. Als een slanke zuil van kristal flonkerde in de schemerige avondlucht de straal van een fontein. De cypressen geleken op uitgebrande fakkels. In een van de boomen zat een nachtegaal en zong.
Aan het eind van den tuin was eene kleine tent opgeslagen. Toen wij naderbij kwamen, traden daaruit twee Eunuchen ons tegemoet; hunne dikke lichamen waggelden onder het loopen en zij keken mij met hunne halfgeloken oogen nieuwsgierig aan. Een van hen riep den hoofdman van de wacht ter zijde, en fluisterde hem iets toe. Onderwijl at de ander geurige pastillen, die hij met eene gemaakte handbeweging uit een lilakleurige geëmailleerde doos nam.
Na verloop van enkele oogenblikken stuurde de hoofdman de soldaten weg. Zij gingen terug naar het paleis, de Eunuchen volgden langzaam en plukten in het voorbijgaan zoete moerbeziën van de boomen. Eenmaal keerde de oudere van de twee zich naar mij om, en lachte boosaardig.
Daarop wees de hoofdman mij den ingang van de tent.
Zonder aarzeling of vrees schoof ik het zware gordijn ter zijde en trad binnen. De jonge Keizer lag uitgestrekt op een rustbed van gekleurde leeuwenvellen, terwijl een valk op zijn vuist zat; achter hem stond een Nubiër met een metalen tulband op ’t hoofd, naakt tot aan de heupen en met zware oorhangers in de doorboorde ooren. Op een tafel naast het rustbed lag eene reusachtige kromme sabel uit blank staal.
Toen de Keizer mij zag, rimpelde zich zijn voorhoofd en hij vraagde:
—“Wie zijt ge? Weet ge niet, dat ik de Keizer van deze stad ben?”
Maar ik gaf hem geen antwoord. Hij wees met den vinger naar de sabel; en de Nubiër greep die en wierp mij haar naar het hoofd met groote kracht. De scherpe kant vloog midden door mij heen, doch zonder mij letsel te brengen. De man viel stuiptrekkend neer, en toen hij zich oprichtte, klappertandde hij van angst en verborg zich achter het rustbed. De Keizer sprong overeind, nam zijne lans van een wapenrek, en wierp die naar mij. Ik ving haar in volle vaart op en brak haar in twee stukken. Hij schoot met een pijl naar mij, maar ik hield mijne handen omhoog en de pijl bleef in de lucht zweven. Daarop trok hij een dolk uit zijn gordel van wit leder en boordde die den Nubiër in den hals, opdat deze niemand deelgenoot zou maken van den smaad, den Keizer aangedaan. De man kronkelde zich als een vertrapte slang, en van zijne lippen drupte het roode schuim.
Zoodra het lichaam zich niet meer bewoog, wendde de Keizer zich tot mij en nadat hij zich met een purperen zijden doek het zweet van het voorhoofd had afgewischt, sprak hij:
—“Zijt gij een Profeet, dat ik u niet dooden kan, of zijt gij de zoon van een Profeet, dat ik u niet verwonden kan? Ik bid u, verlaat mijne stad nog in dezen nacht, want zoolang gij daarin vertoeft, ben ik er geen heerscher.”
En ik antwoordde:
—“Ik zal gaan als gij mij de helft van uwe schatten geeft. Geef mij die en ik zal van hier gaan.”
Daarop nam hij mij bij de hand en bracht mij buiten in den tuin.
Toen de hoofdman van de wacht mij zag, was hij zeer verbaasd. En toen de Eunuchen mij zagen, beefden hunne knieën en van louter angst stortten zij zich terneer op den grond.
In het paleis bevindt zich een vertrek, dat bestaat uit acht wanden van rood porphyr, en eene met stalen platen bepantserde zoldering, waarvan lampen naar omlaag hangen. De Keizer raakte een der wanden aan, die zich daarop opende en wij traden eene gang binnen, die door vele fakkels verlicht werd. Aan weerszijden stonden, in nissen, groote wijnkruiken, die tot aan den rand met zilverstukken gevuld waren.
Toen wij tot aan het midden van de gang gekomen waren, sprak de Keizer het woord, dat men niet uit mag spreken, waarop door een geheime veer een deur van graniet zich opende. En de Keizer legde de handen voor het aangezicht om niet verblind te worden door den glans.
Gij kunt u niet voorstellen, welk een wonderbaarlijken aanblik deze pracht bood. Daar stonden groote schildpadden schalen vol paarlen; groote uitgeholde maansteenen bevatten roode robijnen; in koffers van olifantenhuid lag het goud opgestapeld en in lederen flesschen was het stofgoud bewaard. Opalen en safieren zag men er in kristallen en nephrieten schalen. Ronde groene smaragden flonkerden in rijen op dunne ivoren platen, en in een hoek lagen zijden zakken, enkele met turkooizen, andere met berillen gevuld. Hoorns van ivoor bevatten purperen amethisten, en hoorns van erts chalcedonsteenen en sardachaat. De zuilen van cederhout waren met snoeren van geele labradorsteenen omhangen. Op vlakke ovalen schilden lagen karbonkelsteenen van wijnkleurigen en grasgroenen tint. En nog veel meer was er. Wat ik u opnoem is nauwelijks een tiende gedeelte van hetgeen ik in werkelijkheid zag.
En toen de Keizer de handen van zijn aangezicht had weggenomen, sprak hij:
—“Dit is het huis van mijne schatten, en de helft van alles schenk ik u, zooals ik beloofd heb. En ik zal u kameelen geven en kameeldrijvers, en zij zullen doen wat gij hen gelast te doen en uw deel van deze schatten dáárheen brengen, waar gij verlangt dat zij gebracht zullen worden. En dit moet dezen avond nog geschieden, want ik wil niet, dat de Zon, die mijn Vader is, aanschouwe hoe in mijn stad een man zich ophoudt, dien ik niet kan verslaan.”
Maar ik antwoordde hem:
—“Het goud dat hier ligt opgestapeld blijve het uwe, en ook het zilver, en ook al de kostbare juweelen en andere schatten mogen uw eigendom blijven. Ik—ik heb ze niet noodig. En ik verlang niets van al uw rijkdom dan den kleinen ring, dien gij aan uw vinger draagt.”
Diepe rimpels groefden zich in het voorhoofd van den Keizer.
—“De ring is slechts van lood,” riep hij uit, “en van geenerlei waarde. Neem daarom de helft dezer schatten en verlaat mijne stad.”
—“Neen, antwoordde ik, “ik verlang niets dan den ring van lood, want ik weet wat daarop geschreven staat en tot welk doel het geschreven werd.”
En de Keizer sidderde, en hij smeekte en sprak:
—“Neem dan àl deze schatten, maar verlaat mijne stad. Ook de helft die mij nog toebehoorde, zal uw deel zijn.”
En ik deed eene zonderlinge daad. Maar wàt ik deed, doet er niet toe; want in een spelonk, die slechts eene dagreize van hier verwijderd ligt, heb ik den Ring van den Rijkdom verborgen. De spelonk ligt een dagreize van hier en ik zal er u heenvoeren. Wie den ring bezit, is rijker dan alle Koningen der aarde. Kom dus, en neem hem in bezit, en alle schatten van het heelal zullen uw deel zijn.”
Maar de jonge visscher lachte.
—“Liefde is beter dan Rijkdom,” riep hij, “en het kleine zeemeerminnetje heeft mij lief.”
—“Neen, er bestaat niets beters dan Rijkdom,” antwoordde de ziel.
—“De Liefde is beter!” zei de de jonge visscher en hij dook omlaag naar de diepte.
En de ziel ging weenende van daar.
En verdween achter de moerassen.
En toen het derde jaar verstreken was, keerde de ziel terug naar de kust van de zee en riep den jongen visscher, en hij steeg uit de diepte omhoog en zeide:
—“Waarom roept ge mij?”
En de ziel antwoordde:
—“Kom naderbij, opdat ik met u spreken kan, want ik heb wonderbaarlijke dingen gezien.”
En hij kwam naderbij en zette zich aan den rand van het water, leunde het hoofd in de hand en luisterde.
En de ziel sprak tot hem:
“In een stad die ik ken, staat een herberg aan eene rivier. Ik zat daarginds met zeelieden, die van twee verschillend gekleurde wijnen dronken en gerstebrood aten en kleine gezouten visschen, die, in azijn gelegd, op laurierbladen aangeboden werden. En terwijl wij aten en vroolijk waren, trad een oud man binnen, die een lederen tapijt droeg en een luit die met twee barnsteenen horens versierd was. En toen hij het tapijt op den grond had uitgespreid, sloeg hij met een veer op de snaren van zijn luit, en een meisje, wiens gelaat door een sluier omgeven was, kwam naar binnen en begon voor ons te dansen. Haar gelaat was onzichtbaar door den gazen sluier, maar hare voeten waren naakt. Naakt waren hare voeten, en zij bewogen zich over het tapijt gelijk kleine witte duiven. Nooit tevoren had ik zóó iets liefelijks gezien, en de stad waar zij danst, is slechts eene dagreize van hier verwijderd.”
En toen de visscher de woorden zijner ziel hoorde, moest hij er steeds weer aan denken dat het zeemeerminnetje geen voeten had en niet dansen kon. En een wonderlijk verlangen greep hem aan en hij sprak tot zichzelf: “Het is slechts eene dagreize van hier, en ik kan tot mijn liefste terugkeeren.” En hij lachte en richtte zich op in het lage water, en schreed naar den oever.
En toen hij het droge strand bereikt had, lachte hij wederom, en strekte zijne armen uit naar zijn ziel. En deze, dit ziende, slaakte een luiden vreugdekreet en snelde naar hem toe en drong binnen in hem. En de jonge visscher zag vóór zich op het zand uitgebreid de schaduw van zijne gestalte, die het lichaam was van zijn ziel.
En zijn ziel sprak tot hem:
—“Laat ons niet langer talmen, maar ons dadelijk op weg begeven, want de zeegoden zijn wraakzuchtig en zij gebieden over zeegedrochten, die hen terwille zijn.”
En zij haastten zich voort en den ganschen nacht liepen zij verder in het maanlicht en den ganschen volgenden dag in het zonlicht, en op den avond van dien dag kwamen zij in eene stad.
En de jonge visscher sprak tot zijn ziel:
—“Is deze de stad, waarin het meisje danst, van wie ge mij verteld hebt?”
En de ziel antwoordde:
—“Deze is niet de stad waarin zij danst, maar eene andere. Doch laat ons daarom toch binnengaan.”
En zij liepen de stad in, en trokken door de straten, en toen zij in de straat kwamen, waar de juwelieren hunne waren uitstalden, zag de jonge visscher in een der winkels een heerlijke zilveren schaal.
En zijn ziel sprak tot hem: “Neem de zilveren schaal, en verberg die in uw kleed.”
En hij nam de zilveren schaal tot zich, en verborg die in de plooien van zijn kleed, en zij verlieten ijlings de stad. En toen zij de stad een mijl ver achter zich hadden, rimpelde de jonge visscher het voorhoofd en sprak tot zijn ziel: “Waarom geboodt ge mij de schaal te nemen en haar te verbergen? Want dat was een slechte daad.”
Maar zijne ziel antwoordde: “Wees onbezorgd, wees onbezorgd.”
En op den avond van den tweeden dag kwamen zij in eene stad; en de jonge visscher sprak tot zijn ziel:
—“Is deze de stad, waarin het meisje danst, van wie ge mij gesproken hebt?”
En zijne ziel antwoordde:
—“Deze is niet de stad, waarin zij danst, doch eene andere. Maar dat doet er niet toe, laat ons binnentreden.”
En zij gingen in de stad en trokken door de straten, en toen zij in de straat gekomen waren, waar sandalenverkoopers hunne waren verkochten, zag de jonge visscher een kind bij een waterkruik staan.
En zijn ziel sprak tot hem: “Sla het kind.” En hij sloeg het kind, totdat het schreide, en toen hij het gedaan had, verlieten zij ijlings de stad.
En toen zij de stad een mijl ver achter zich hadden, werd de jonge visscher toornig en sprak tot zijn ziel: “Waarom geboodt gij mij het kind te slaan? Want dat was een slechte daad.”
Maar zijne ziel antwoordde: “Wees onbezorgd, wees onbezorgd.”
En op den avond van den derden dag kwamen zij in eene stad; en de jonge visscher sprak tot zijn ziel:
—“Is deze nu de stad, waarin zij danst, van wie gij mij gesproken hebt?”
En zijne ziel antwoordde: “Het kan zijn dat deze de stad is, laat ons daarom binnengaan.”
En zij gingen in de stad, en trokken door de straten, maar nergens kon de jonge visscher de rivier vinden, noch den herberg die aan haren oever moest staan. En de stadbewoners begonnen hem nieuwsgierig gade te slaan, en hij werd bevreesd en sprak tot zijn ziel:
—“Laat ons van hier gaan, want zij die met de blanke voeten danst, is niet hier!”
Maar zijne ziel antwoordde:
—“Nee, laat ons blijven, want de nacht is donker, en op den weg zullen we roovers ontmoeten.”
Daarop zette hij zich neder op het marktplein en rustte uit, en na een wijle ging een koopman voorbij, die een mantel van tartarenlaken aanhad, en aan de punt van een knoestigen bamboesstok een lantaarn droeg uit gesneden hoorn. En de koopman sprak tot hem:
—“Waarom zit gij op dit uur hier op de marktplaats, terwijl toch de kraampjes reeds gesloten zijn, en de balen goeds tezamen gerold?”
En de jonge visscher antwoordde:
—“Ik kan in deze stad geen herberg vinden en heb hier niemand die mij zou willen huisvesten.”
—“Zijn wij niet allen broeders?” vroeg de koopman. “En schiep ons niet één God? Volg mij dus, want er staat een kamer voor mijne gasten gereed.”
En de jonge visscher stond op, en volgde den koopman in zijn huis.
En toen zij door een tuin van granaatboomen waren gegaan, en het huis binnengetreden waren, bracht de koopman hem rozenwater in een koperen schaal, opdat hij zich de handen zou kunnen wasschen, en hij bracht hem meloenen om zijnen dorst te lesschen, en hij zette hem een schotel rijst voor en een stuk gebraden lamsvleesch.
En toen hij van alles genuttigd had, geleidde de koopman hem in de gereedstaande kamer en wenschte hem een goeden nacht. En de jonge visscher dankte hem en kuste den ring aan zijnen vinger. Daarop strekte hij zich uit op de vellen van gekleurde geitenvacht. En toen hij zich met een dek van zwarte schapenwol had toegedekt, sliep hij in.
En drie uur voor zonsopgang, toen de nacht nog zwart en stil was, wekte hem zijne ziel en zij sprak tot hem:
—“Sta op, en begeef u in gindsche kamer waarin de koopman slaapt; dood hem en ontneem hem zijn goud, want wij hebben het noodig.”
En de jonge visscher stond op en sloop in de kamer van den koopman; en aan diens voeten lag een krom zwaard, en op de tafel naast hem lagen negen buidels vol goud. En hij strekte de hand uit naar het zwaard, en toen hij het had aangeraakt, schrikte de koopman op, en ontwaakte. Hij sprong overeind en greep naar het zwaard, en riep: “Vergeldt gij aldus goed met kwaad, en beloont gij door sluipmoord de goedheid die ik u bewezen heb?”
En zijn ziel sprak tot den jongen visscher:
“Sla hem neer!” En hij sloeg hem neer, zoodat de koopman bewusteloos ter aarde stortte, en hij greep naar de negen buidels vol goud en vluchtte ijlings door den tuin van granaatboomen, en keerde zijn gelaat naar de ster, die de morgenster heet.
En toen zij een mijle ver van de stad verwijderd waren, sloeg de jonge visscher zich op de borst en sprak tot zijn ziel:
—“Waarom geboodt ge mij den koopman te dooden, en zijn goud te stelen? Waarlijk, gij zijt slecht.”
Maar zijne ziel antwoordde: “Wees onbezorgd, wees onbezorgd.”
—“Neen,” riep de jonge visscher, “ik wil niet onbezorgd zijn, want alles wat ge mij hebt laten doen, haat ik. U haat ik evenzoo, en ik wil dat ge mij zegt, waarom ge op deze wijze met mij omgaat.”
En zijne ziel antwoordde hem:
—“Toen ge mij van u heen zondt om in de wereld rond te zwerven, gaaft ge mij geen hart mede, en zoo leerde ik al deze dingen doen en ze gaarne doen.”
—“Wat zegt ge?” murmelde de jonge visscher.
—“Ge weet het,” antwoordde de ziel, “ge weet het maar al te goed. Of hebt ge vergeten, dat ge mij geen hart wildet meegeven? Ik geloof van neen. Bekommer u daarom niet om mij, maar wees onbezorgd. Want er is geen leed, dat gij niet veroorzaken zult, en er is geen vreugde, die gij niet zult kunnen genieten.”
En toen de jonge visscher deze woorden gehoord had, beefde hij, en sprak tot zijn ziel: “Neen, gij zijt slecht, want gij hebt mij mijne liefde doen vergeten, en mij met verzoekingen omgeven, en ge hebt mijne schreden op den weg der zonde geleid.”
—“Vergeet niet, dat ge mij geen hart wildet geven, toen ge mij in de wereld uitzondt. Kom, laat ons naar eene andere stad gaan, en vroolijk zijn, want wij hebben negen buidels vol goud.”
Maar de jonge visscher nam de negen buidels vol goud, wierp ze op den grond en vertrapte ze.
—“Neen,” riep hij, “ik wil niets meer met u gemeen hebben, en ik wil niet verder met u gaan, maar zooals ik u vroeger weggezonden heb, zoo wil ik u wederom wegzenden, want ge hebt mij niets goeds gebracht.”
En met den rug naar de maan gekeerd, beproefde hij met den kleinen dolk, welks handvat van slangenhuid was, de schaduw aan zijne voeten weg te snijden, de schaduw, die het lichaam van was zijn ziel.
Doch zijne ziel ging niet van hem, en achtte ook niet op zijn bevel, maar sprak tot hem:
—“De betoovering die de heks u leerde, heeft geenerlei kracht meer, want ik kan u niet meer verlaten, noch kunt gij mij meer uit u verdrijven. Slechts eenmaal in het leven kan de mensch zijn ziel uit zijn lichaam verbannen, en die haar weder tot zich neemt, die moet haar voor altijd behouden; dat is zijn straf en zijn loon tevens.”
De jonge visscher verbleekte en balde de vuist en riep: “Dan was zij eene valsche heks, dat zij mij dit niet zeide.”
—“Neen,” zeide de ziel, “want zij was Hem getrouw dien zij aanbidt en dien zij altijd dienen zal.”
En toen de jonge visscher zich bewust werd, dat hij zich nooit meer van zijn ziel zou kunnen bevrijden, en dat eene slechte ziel voor altijd in hem zou blijven wonen, toen wierp hij zich neder op den grond en weende bitter.
En toen het dag werd, stond de jonge visscher op, en sprak tot zijn ziel:
—“Ik zal mijne handen vastsnoeren, opdat zij niet kunnen doen, wat gij hen gebiedt te doen; en mijne lippen zal ik tezamen drukken, opdat zij niet uwe woorden kunnen naspreken. En ik wil dáárheen terugkeeren, waar zij woont, die ik liefheb, naar de zee wil ik teruggaan, naar de kleine bocht, waar zij voor mij placht te zingen, en dan zal ik om haar roepen en haar zeggen, welk kwaad ik deed, en welk kwaad gij mij gedaan hebt.”
En zijn ziel poogde hem opnieuw in verzoeking te brengen en sprak:
—“Wie is uwe liefste, dat gij tot haar wilt terugkeeren? De wereld heeft vele, die schooner zijn om aan te zien dan zij: de danseressen, die in Samaris wonen, dansen alle gelijk vogels en duiven, hare voeten zijn met henna beschilderd, en in de handen houden zij kleine koperen klokjes. Wanneer zij dansen lachen zij, en haar lachen klinkt zoo helder als het kabbelen van het water. Kom met mij mee, en ik zal ze u toonen. Want wat maakt ge u bezorgd om dingen, die zondig heeten? Is al wat zoet is om te eten niet voor den etenden bestemd? Zou er gif zijn in den vurigen wijn? Kwel u niet langer, en kom met mij naar een ander oord. Hier dicht bij ligt een kleine stad, daarin bevindt zich een tuin van magnolia boomen. En witte pauwen, en pauwen met blauwe borsten zijn in dien fraaien tuin. Wanneer zij hunne staarten in de zon uitspreiden, glanzen die in ivoren en gouden kleurenpracht. En die hen voedert, danst ter hunner lust, en eenmaal danst zij op hare handen, een ander maal met hare voeten. Hare oogen zijn met antimoon gekleurd, en hare neusvleugelen zijn gelijk de vleugels eener zwaluw. Een bloem, die uit een parel gesneden is, hangt aan een haakje van een harer neusvleugels af. En terwijl zij danst lacht zij, en de zilveren ringen aan hare enkels rinkelen gelijk zilveren klokjes. Kwel u toch niet langer, maar kom met mij mede naar gindsche stad.”
Doch de jonge visscher antwoordde niet. Zijne lippen hield hij vastgesloten en zijne handen had hij vastgesnoerd. En zoo ging hij terug, daarheen, vanwaar hij gekomen was, naar de kleine bocht, waar eens zijn liefste gezongen had.
En steeds opnieuw poogde zijn ziel hem onderweg in verzoeking te brengen, maar hij antwoordde haar niet, en hij deed niets van al het slechte, dat zij hem gebood te doen, zoo groot was de macht zijner liefde in hem. En toen hij eindelijk de kust van de zee bereikt had, bond hij de snoeren los van zijne handen, en opende zijne lippen en riep om de kleine zeemeermin.
Maar zij verscheen niet op zijn roepstem, hoewel hij den ganschen dag om haar riep en haar smeekte te komen.
En zijn ziel bespotte hem en sprak:
—“Waarlijk, gij beleeft niet veel vreugde van uwe liefde. Gij zijt als een die, ten tijde van watersnood, water in een gebroken kruik giet. Gij geeft weg wat ge bezit, en niets ontvangt ge terug. Beter ware het voor u, wanneer ge met mij wildet komen; ik zal u dan toonen, waar het Dal der Lusten ligt, en ik zal u laten zien, welke dingen ginds gebeuren.”
Doch de jonge visscher antwoordde zijne ziel niet, maar bouwde een huis van gevlochten stroo tusschen de rotsen en woonde daar een jaar lang. En elken morgen riep hij het zeemeerminnetje en als de middag kwam riep hij om haar, en des avonds, wanneer de duisternis gevallen was, kreet hij opnieuw haar naam.
Maar nimmermeer steeg zij van uit de diepte tot hem omhoog, noch vermocht hij haar terug te vinden in de zee, wáár hij haar ook zoeken ging, tusschen de rotskloven in het groene water, in den wassenden vloed, of in de diepe bronnen die van den bodem der zee omhoog borrelen.
En altijd opnieuw poogde zijne ziel hem tot het kwade te verleiden, en fluisterde hem vreeselijke dingen in het oor. Maar zij had geenerlei macht meer over hem, zoo groot was de macht zijner liefde.
En toen het jaar verstreken was, overpeinsde de ziel bij zichzelve: “Ik heb mijnen heer steeds door booze dingen in verzoeking gebracht, en zijne liefde bleek sterker dan ik. Nu wil ik beproeven hem door het goede te winnen, zoo zal hij mij wellicht volgen.”
En zij sprak tot den jongen visscher:
—“Ik heb u veel van de Vreugden der wereld verhaald, en gij hebt mij niet willen aanhooren. Laat mij u nu van ’s werelds Leed vertellen, wellicht zult gij dan naar mij luisteren. Want waarlijk, het Leed heerscht als Meester over de wereld, en niemand ontkomt aan zijne heerschappij. De een heeft geen kleederen en de ander heeft geen brood. Gindsche weduwe kleedt zich in purper, deze gaat in lompen. Over de moerassen trekken in scharen de melaatschen en zijn onbarmhartig jegens elkander. De bedelaars zwerven her en derwaarts langs de wegen, en hunne zakken zijn ledig. Door de straten der steden trekt de Hongersnood, en voor de poorten waakt de Pest. Kom, laat ons van hier opgaan en hulp verleenen en troost schenken. Waarom zoudt ge hier langer toeven en langer nog om uwe liefste roepen, die toch uw stem niet hoort? En wat is de liefde, dat gij daaraan zooveel waarde hecht?”
Maar de jonge visscher antwoordde niet, zoo groot was de macht zijner liefde.
En elken morgen en elken middag riep hij weder om haar, en elken avond, wanneer de duisternis gevallen was, kreet hij opnieuw haren naam.
Maar nimmermeer steeg zij van uit de diepte tot hem omhoog, noch vermocht hij haar terug te vinden, wáár hij haar ook zoeken ging, in de stroomingen der wateren of in de valleien die onder de golven zijn, in de zee die purpergekleurd ligt in avondgloed, of in de zee die grauw schijnt onder de vlerken van morgenschemering …
En toen het tweede jaar verstreken was, sprak de ziel op een nacht tot den jongen visscher, die alleen in zijn gevlochten hut zat:
—“Zie, ik heb u tot het slechte trachten te verleiden, en ook tot het goede willen voeren, en uwe liefde is sterker gebleken dan ik. Daarom wil ik u niet meer in verzoeking brengen, maar ik smeek u: laat mij tot uw hart doordringen, opdat ik één met u worde, gelijk vroeger.”
—“Waarlijk, gij moogt tot mijn hart doordringen,” sprak de jonge visscher, “want in de dagen toen gij zonder hart door de wereld rondgedoold zijt, moet ge veel geleden hebben.”
—“Ach,” riep de ziel, “geen ingang kan ik vinden, zoo zeer is uw hart omvangen door uwe liefde.”
—“En toch wilde ik, dat ik u helpen kon,” sprak de jonge visscher.
En nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of van over de zee weerklonk eene groote weeklacht, zooals de menschen die vernemen, wanneer er een van het watervolk gestorven is. En de jonge visscher sprong op, verliet zijn hut, en ijlde naar de zeekust. En de zwarte golven kwamen aangedruischt naar den oever, en droegen eene last, die blanker was dan zilver. Blank als het schuim der branding was zij, en gelijk een bloem deinde zij heen en weer op de golven.
En de branding nam haar over van de golven, en de oever ontving haar, en aan de voeten van den jongen visscher lag het levenlooze lichaam van de kleine zeemeermin.
Dood lag zij aan zijne voeten.
En kermend als een, die door smart overweldigd is, wierp hij zich naast het doode lichaam neer. En hij kuste het kille rood van haar mond, en hij streelde het natte barnsteen van heur haar. Hij wierp zich naast haar op het zand en schreide als een, die door vreugde zinneloos werd, en met zijne bruine armen hield hij haar vast aan zijn borst geklemd. Koud waren hare lippen, maar hij kuste ze warm. Zilt smaakte de honing van heur haar, maar hij proefde die met bittere vreugde. Hij kuste de gesloten oogleden, en het trillende schuim dat op hare oogen lag, was minder zout dan zijne tranen.
En aan het doode lichaam biechtte hij zijne daden. In de schelpen harer ooren goot hij den bitteren wijn van al zijn lijden. Hare kille armen plooide hij om zijn hals, en met zijne vingers streelde hij het fijne slanke lijf. Vol bitterheid was zijne vreugde, en zijne smart was vervuld van zonderlinge blijheid.
En dichter en dichter-naderbij kwam de donkere zee, en het blanke wit der branding steunde luid als een gepijnigd dier.
Met witte klauwen van schuim greep de zee naar het strand. Toen klonk van uit het paleis van den waterkoning een nieuwe kreet van rouwe, en ver, ver over de zeeën, bliezen de Tritonen met heeschen klank op hunne hoorns.
—“Vlucht!” sprak de ziel. “Vlucht, want al nader komt de zee, en zoo gij langer talmt, zal zij u verzwelgen. Vlucht, want ik ben vol vreeze, daar uw hart zich, om der wille van uwe groote liefde, nog niet voor mij geopend heeft. Vlucht naar een veilig oord …. Waarlijk, gij moogt mij niet zonder hart naar eene andere wereld zenden!”
Maar de jonge visscher luisterde niet naar zijn ziel; hij vleide zich tegen het kleine bleeke zeemeerminnetje en sprak: “Liefde is beter dan Wijsheid en kostbaarder dan Rijkdom, en schooner dan de blanke voeten van de dochteren der menschen. Geen vlammen vermogen haar te vernietigen, en geen waterstroomen haar te verzwelgen. Ik riep naar u wanneer de morgenstond gloorde en gij luisterdet niet naar mijn roep. De maan hoorde uw naam weerklinken, maar gij bleeft zwijgen. Ik had u moedwillig verlaten, en tot mijn eigen ellende ging ik heen, verre van U. Maar altijd is uwe liefde bij mij gebleven, en altijd was zij sterk, en niets vermocht zich tegen haar te richten, of ik ook van het slechte vervuld was, dan wel van het goede. En nu, nu gij gestorven zijt, zie, nu wil ik met u sterven.”
En wederom smeekte zijn ziel hem om te vluchten, maar hij luisterde niet naar haar, zoo groot was zijne liefde.
Al nader en nader kwam de zee, al rusteloozer beproefde zij hem met hare breede golven-armen te bereiken en te omspoelen.
En toen hij voelde dat zijn einde nabij was, kuste hij wild, met brandende lippen den kouden mond van het zeemeerminnetje, en zijn hart, dat in hem was, brak.
En toen zijn hart gebroken was door overgroote liefde, toen kon de ziel er toegang vinden en werden zij weder één gelijk vroeger. En de zee bedekte den jongen visscher met haar golven.
Den volgenden morgen kwam de priester op het strand, om de zee te zegenen, want zij was zeer onrustig geweest. En met hem kwamen monniken en muzikanten, kaarsendragers en knapen die wierookvaatjes zwaaiden, en nog eene menigte van menschen.
En toen de priester den oever bereikt had, vond hij het doode lichaam van den jongen visscher in de branding liggen, en, in zijne armen vastgeklemd, zag hij het lijk van de kleine zeemeermin. Met gerimpeld voorhoofd trad hij eenige schreden achteruit, maakte het teeken des kruizes en sprak luid:
—“Ik wil de zee niet zegenen, noch zegenen iets, wat zich in de zee bevindt. Vervloekt zij het watervolk en vervloekt mogen allen zijn, die zich met dat volk inlaten. Hier ligt hij dood, die, om der liefde wille, zijnen God verloochend heeft, en daar nu ligt hij met zijn liefste, door God zelf verslagen. Neemt zijn doode lichaam op, van hem en van zijn liefste, en begraaft hen in den eenzaamsten hoek van het Veld der Distelen, en zet geen steen op ’t graf, noch eenig ander teeken, opdat niemand de plaats hunner rust wete. Want vervloekt waren zij in hun leven, en vervloekt zullen zij zijn tot na hun dood.”
En het volk deed zooals hem gelast werd; en zij groeven een diepen kuil in den eenzaamsten hoek van het Veld der Distelen, daar waar geenerlei zoete kruiden groeiden, en zij legden daarin de twee doode lichamen.
En toen het derde jaar verstreken was, ging de priester op een dag, die een Heiligendag was, naar de kapel, om het volk de wonden des Heeren te toonen en van God’s toorn te prediken. En toen hij het priestergewaad had aangelegd en de kapel betreden had, en zich nijgen wilde voor het altaar, zag hij, dat het bedekt was met vreemdsoortige bloemen, zooals hij die nimmer nog aanschouwd had. En zonderling waren zij om aan te zien, en hunne schoonheid maakte hem dronken, en hunne geur was wellust voor zijne neusgaten. En hij was blijgestemd en wist toch niet waarom hij blij gestemd was.
En toen hij den tabernakel geopend, de monstrans bewierookt, en de heilige Hostie getoond had aan het volk, en het weer weggeborgen had achter den sluier aller sluiers, begon hij tot het volk te spreken, en hij wilde hen spreken van God’s heiligen toorn. Maar de schoonheid der witte bloemen maakte hem dronken, en hun zoete geur was wellust voor zijne neusgaten, en op zijn lippen kwamen andere woorden. Niet van God’s toorn sprak hij, maar van God, wiens wezen Liefde was. En wáárom hij zoo sprak, dat wist hij niet.
En toen hij had opgehouden met spreken, weende het volk en de priester trad in de sakristy, en zijne oogen waren gevuld met tranen. De diakenen kwamen binnen en namen hem het priesterkleed af, en het koorhemd en den gordel en de gewijde mouwen en de stola. Als in een droom stond daar de priester. En toen zij hem van zijn misgewaad ontdaan hadden, zag hij tot hen op en vroeg: “Welke bloemen waren heden op het altaar, en vanwaar zijn zij gekomen?”
En zij antwoordden:
—“Wat soort van bloemen ’t zijn, weten wij niet, maar zij bloeien ginds, op het Veld der Distelen, in den eenzaamsten hoek.”
En de priester sidderde en ging in zijn huis en bad.
En op den volgenden morgen, vóór dat nog de zon ter kimme was gerezen, trok de priester naar buiten, met de monniken en de muziekanten, met de knapen, die de wierookvaten zwaaiden en met hen, die de kaarsen droegen, en een groote schare van menschen volgde hem. En hij kwam aan den oever van de zee, en hij zegende het water, en alle wilde schepselen, die daarin wonen. En hij zegende de faunen, en al de kleine schepselen, die in de wouden dansen, en zij die met glanzende oogen gluren tusschen ’t loof. En alle schepselen in God’s wijd heelal zegende hij, en het volk was van verbazing vervuld.
Maar nimmermeer bloeiden de bloemen in den eenzamen hoek van het Veld der Distelen.
Leeg en kaal bleef de plek als zij te voren was. En ook het watervolk kwam niet weer in de bocht, gelijk vroeger: naar een ander deel van de zee trokken zij henen.