V.
—Moeder, moeder, ik ben zoo gelukkig, fluisterde het meisje, het gelaat verbergend in den schoot van de verlepte, afgetakelde vrouw, die, met haar rug gekeerd naar het schelle, binnen dringen de licht, zat in den lagen fauteuil van hun vuil morsig zitkamertje.
—Ik ben zoo gelukkig, herhaalde zij; en nu moet u ook gelukkig zijn.
Mrs. Vane ontstelde en legde hare magere bismuth-witte handen op het hoofd van haar dochter.
—Gelukkig! riep zij; ik ben alleen gelukkig, Sybil, als ik jou zie spelen. Je moet aan niets denken dan aan het spelen. Mr. Isaacs is heel goed voor ons geweest en wij zijn hem geld schuldig.
Het meisje zag op en trok een pruilend gezichtje.
—Geld, moeder! riep ze; wat kan dat geld nu schelen! Liefde is toch meer dan geld?
—Mr. Isaacs heeft ons vijftig pond voorgeschoten om onze schulden af te betalen en een uitzet voor James te koopen. Dat moet je niet vergeten, Sybil; Mr. Isaacs is heel goed voor ons geweest.
—Hij is volstrekt geen heer, moeder, en ik haat zijn manier van tegen me te spreken, antwoordde het meisje, terwijl zij opstond en voor het raam ging kijken.
—Ik weet niet hoe we zonder hem zouden kunnen doen, antwoordde de oude vrouw, tobberig.
Sybil Vane schudde het hoofd en lachte.
—Wij hebben hem niet meer noodig, moeder. Een tooverprins maakt nu ons leven voor ons!
Toen hield zij stil. Gloed trilde in haar bloed en overschaduwde haar wang. Snelle ademhaling opende de bloembladen harer lippen. Zij trilden. Een zuidewind van passie woei als door haar heen, en beroerde de dunne plooien van haar kleed.
—Ik heb hem lief! sprak ze eenvoudig.
—Dwaas kind! Dwaas kind! was het papegaaien-antwoord.—Het schudden van kromgetrokken, met valsche juweelen versierde vingers, maakte de woorden nog grotesker.
Het meisje lachte weêr. Het gejubel van een getralied vogeltje was in hare stem. Hare oogen namen de melodie in zich op, en juichten meê in hun geglans; toen sloten zij zich even als om hun geheim te verbergen. Toen zij zich openden was de nevel van een droom over ze heen gestreken.
Dun gelipte wijsheid sprak tot haar uit den versleten stoel, maande tot voorzichtigheid, deed aanhalingen uit het boek van lafheid, waarvan de auteur schuilt onder den naam van gezond verstand. Zij luisterde niet. Zij gevoelde zich vrij in haar gevangenis van hartstocht. Haar prins, haar tooverprins was bij haar. Zij had Herinnering gelast hem op te roepen. Zij had haar ziel gezonden om hem te zoeken—en zij had hem teruggebracht. Zijn kus brandde weêr op haar mond. Haar oogleden waren warm van zijn adem.
Toen veranderde wijsheid van methode en sprak van bespionneering en ontdekking. Die jonge man kon rijk zijn. Was dit het geval, dan moest er aan een huwelijk gedacht worden. Maar tegen haar fijne oorschelp braken de golven van wereldsche berekening. De listige pijlen wondden niet. Zij zag slechts de dunne lippen bewegen en glimlachte.
Op eens voelde zij als moest zij spreken. Die woordenrijke stilte hinderde haar.
—Moeder, moeder, waarom houdt hij zoo van me? Ik weet waarom ik van hem hoû. Ik heb hem lief omdat hij de liefde zelf is. Maar wat ziet hij in mij? Ik ben hem niet waard.—En toch,—waarom, kan ik niet zeggen—toch, hoewel ik me zoover beneden hem weet, voel ik mij niet nederig. Ik ben trotsch, verschrikkelijk trotsch. Moeder, had u mijn vader zoo lief als ik mijn tooverprins?
De oude vrouw werd bleek onder het grove poeier, dat hare wangen besmeurde, en hare dorre lippen vertrokken met eene stuiptrekking van pijn. Sybil vloog op haar toe, sloeg de armen om haar heen, en kuste haar.
—Vergeef mij, moeder. Ik weet, dat het u verdriet doet over onzen vader te spreken. Maar dat is ook alleen omdat u zooveel van hem hield. Kijk nu niet zoo treurig. Ik ben vandaag zoo gelukkig als u twintig jaar geleden was. O, laat me altijd zoo gelukkig zijn!
—Mijn kind je bent nog veel te jong om er over te denken, van iemand te houden. Buitendien, wat weet je van dien jongen meneer? Je weet niet eens zijn naam. De heele zaak is erg lastig en waarlijk, nu James op het punt staat naar Australië te gaan en ik zooveel aan het hoofd heb, moet ik zeggen, dat je toch wel wat meer aan mij had kunnen denken. Maar zooals ik zei: als hij rijk is …
—O moeder, moeder laat mij gelukkig zijn!
Mrs. Vane zag haar aan en met een van die gemaakte theatrale gebaren, die een acteur zoo dikwijls tot tweede natuur worden, sloot zij haar in de armen.
Op dit oogenblik ging de deur open en een jongen met dik bruin haar kwam binnen. Zijn figuur was kort, stevig; zijn handen en voeten waren groot en onhandig van beweging. Hij was niet zoo fijn opgevoed als zijn zuster. Men kon nauwelijks aan die verwantschap tusschen hen gelooven. Mrs. Vane vestigde hare oogen op hem en verbreedde haar glimlach. Zij zag in haar zoon een groot publiek. Zij was overtuigd dat zij een tableau vormden.
—Je kon wel wat van je zoenen voor mij overhouden, Sybil, zei de jongen, met een goedig gebrom.
—O, maar je houdt er niets van omhelsd te worden, Jim, riep zij. Je bent een verschrikkelijke oude brompot.
En zij vloog op hem toe om hem te omhelzen. Jim Vane keek zijn zuster in het gezicht vol teederheid.
—Ik woû, dat je wat met me ging wandelen, Sybil. Ik denk niet, dat ik ooit dit nare Londen terug zal zien. En ik hoop het ook niet.
—Mijn zoon, zeg niet zulke verschrikkelijke dingen, murmelde Mrs. Vane, terwijl zij een opgeschikt theatercostuum nam en met een zucht begon te verstellen. Zij was een weinig teleurgesteld, dat hij zich niet gevoegd had bij de groep. Het zoû de melodramatische schilderachtigheid er van verhoogd hebben.
—Waarom niet? Ik meen het.
—Je doet me verdriet, mijn jongen. Ik vertrouw, dat je uit Australië zult terugkeeren met een invloedrijke pozitie. Ik geloof, dat er in de kolonies geen goed gezelschap is, tenminste niet wat ik goed gezelschap noem; wanneer je dus je fortuin gemaakt hebt, moet je hier terugkeeren en je in Londen een naam maken.
—Naam maken! mompelde de jongen. Daar moet ik niets van hebben. Ik zoû geld willen verdienen om u en Sybil van het tooneel te kunnen nemen. Want dàt haat ik.
—Hé Jim! lachte Sybil. Hoe leelijk van je. Maar wil je heusch met me gaan wandelen! Dat is prettig. Ik was bang, dat je afscheid zoû gaan nemen van je vrienden—Tom Hardy, die je die afschuwelijke pijp gaf, of Ned Langton, die je uitlacht omdat je er uit rookt. Het is heel lief van je mij je laatsten middag te geven. Waar zullen we heen gaan. Naar het Park?
—Ik zie er te slordig uit, antwoordde hij met een een frons. Alleen chique lui gaan naar het Park.
—Nonsens, Jim, sprak zij zacht, en streek over de mouw van zijn jas.
Hij aarzelde even.
—Nu goed dan, zei hij ten laatste; maar treuzel dan niet met kleeden.
Zij danste de deur uit. Men hoorde haar zingen, toen zij de trap opvloog. Hare kleine voetjes tribbelden boven hen. Hij liep een paar keer de kamers op en neêr—toen wendde hij zich tot de stille gestalte op den stoel.
—Moeder is mijn boel klaar? vroeg hij.
—Alles is klaar, James, antwoordde zij de oogen op haar werk.
Sedert eenige maanden voelden zij zich niet op haar gemak alleen met haar ruwen, strengen zoon. Haar kleine, onoprechte natuur werd onrustig, als hunne oogen elkaâr ontmoetten. Zij vroeg zich dikwijls af of hij iets wantrouwde. De stilte—want hij maakte geen andere opmerkingen,—werd onhoudbaar voor haar. Zij begon te klagen. Vrouwen verdedigen zich door aan te vallen, evenals zij ook aanvallen door eene plotselinge vreemde overgave.
—Ik hoop, dat je tevreden zult zijn, James, in je leven op zee. Denk er om, dat je het zelf gekozen hebt, zei ze. Je hadt op een notariskantoor kunnen gaan. Notarissen zijn zeer fatsoenlijke menschen en buiten dineeren zij met de eerste families.
—Ik haat kantoren en ik haat klerken, hernam hij. Maar u heeft gelijk. Ik heb mijn leven nu zelf gekozen. Alles wat ik te zeggen heb, is pas op Sybil! Laat haar niets overkomen. Moeder, pas op haar.
—James, wat praat je toch vreemd! Natuurlijk pas ik op Sybil.
—Ik hoor, dat een heer iederen avond in de komedie komt en achter de schermen gaat om met haar te spreken. Is dat zoo? Wat beteekent dat?
—Je spreekt over dingen, waar je geen verstand van hebt, James. Wij zijn bij ons gewend vele attenties te krijgen. Ik kreeg in mijn tijd zeer veel bouquetten. Dat was toen het tooneel nog op prijs werd gesteld. Wat Sybil betreft: ik weet nu nog niet of zij het meent of niet. Maar de jonge man in kwestie is geheel en al een heer. Hij is altijd heel beleefd tegen mij. Buitendien schijnt hij rijk te zijn en de bloemen die hij zendt, zijn prachtig.
—Maar u weet niet hoe hij heet, zei de jongen hard.
—Neen, antwoordde zijn moeder rustig. Hij heeft ons zijn naam nog niet gezegd. Dat is zeer romantisch. Hij is waarschijnlijk iemand van de aristocratie.
James Vane beet zich op de lippen.
—Pas op Sybil, moeder! riep hij; pas op haar hoor!
—Mijn jongen, wat wil je toch? Sybil is altijd onder mijn oogen. Maar wanneer die heer rijk is, bestaat er geen reden waarom zij geen betrekking met hem zoû aanknoopen. Ik geloof, dat hij van adel is. Hij heeft er alle schijn van. Het zoû een schitterend huwelijk zijn voor Sybil. Zij zouden een knap paar zijn. Hij ziet er buitengewoon goed uit; ieder merkt hem op.
De jongen mompelde iets in zichzelven, en trommelde op de ruiten met zijn breede vingers. Hij keerde zich juist om, om weêr wat te zeggen, toen de deur openging en Sybil binnenvloog.
—Wat zijn jullie ernstig! riep zij. Wat is er?
—Niets, antwoordde hij. Een mensch moet wel eens ernstig zijn. Goeden dag, moeder; ik zal om vijf uur eten. Alles is ingepakt, behalve mijn hemden; u hoeft dus niet ongerust te zijn.
—Dag, mijn kind, antwoordde zij, met een koele statige buiging van het hoofd.
De toon, dien hij tegen haar gebezigd had, hinderde haar zeer, en er was iets in zijn blik, dat haar een gevoel van angst gaf.
—Geef mij een zoen, moeder, zei het meisje.
Haar frissche lippen beroerden de verwelkte wangen en deden de vorst er van ontdooien.
—Mijn kind, mijn kind! riep Mrs. Vane, naar het plafond opziende, als zocht zij een denkbeeldig publiek.
—Kom Sybil! maande haar broeder ongeduldig. Hij hield niet van die affectaties zijner moeder.
Zij gingen naar buiten in het flikkerende zonlicht, en liepen door den eentonigen Euston Road. De voorbijgangers zagen vol verwondering naar den plompen, zwaren jongen, die, in een grof pak, liep met zulk een bekoorlijk, mooi, lief meisje. Hij was als een tuinman, wandelend met eene roos.
Jim fronste van tijd tot tijd zijne wenkbrauwen, wanneer hij een onderzoekenden blik van een vreemde opving.
Sybil echter was zich den indruk, dien zij maakte, geheel onbewust. Hare liefde trilde in een lach op hare lippen. Zij dacht aan haar prins, en om des te meer aan hem te kunnen denken, sprak zij niet over hem, maar babbelde over het schip, waarmeê Jim zoû uitzeilen, over het goud, dat hij natuurlijk vinden zoû, over de rijke erfgename, die hij redden zoû uit de handen van woeste struikroovers met roode hemden. Want hij zoû niet altijd matroos of bootsman of zoo iets blijven. O neen. Het zeemansleven was verschrikkelijk. Verbeeldt je, opgesloten te zitten in zoo een akelig schip, waar de schorre, gebochelde golven over heen slaan, als een zware storm de masten omwaait en de zeilen aan flarden scheurt. Hij moest te Melbourne dadelijk het schip verlaten, afscheid nemen van den kapitein, naar de goudvelden gaan. Binnen een week zoû hij een klomp zuiver goud vinden, zoo groot als nog nooit gevonden was, en hij zoû dien vervoeren naar de kust in een kar, bewaakt door zes politieagenten te paard. De struikroovers zouden ze wel drie keer aanvallen, maar ze werden met groot verlies telkens teruggeslagen. Of neen, hij moest heelemaal niet naar de goudvelden gaan; dat waren nare plaatsen, waar de mannen dronken werden, elkaâr in de herbergen doodschoten, en verschrikkelijk vloekten. Hij moest maar schapenfokker worden en, op een avond naar huis rijdende, zoû hij een mooie erfdochter zien stelen door een roover op een zwart paard; hij zoû haar achterna gaan en haar redden. Natuurlijk werd zij verliefd op hem, en hij op haar en ze zouden trouwen en naar Engeland terugkomen en in een prachtig huis in Londen wonen. Ja, daar was een heele boel prettigs voor hem weggelegd. Maar hij moest maar goed oppassen en niet driftig worden of zijn geld onnoodig uitgeven. Zij was maar een jaar ouder dan hij, maar zij wist toch veel meer van het leven af. Hij moest haar ook iederen mail schrijven en iederen avond, voor hij slapen ging, moest hij zijn gebed zeggen. God was zoo goed en zoû dan zeker over hem waken. Zij ook zoû voor hem bidden en over een paar jaar zoû hij rijk en gelukkig terugkomen.
De jongen luisterde somber toe en gaf geen antwoord. Hij voelde zich treurig, dat hij ver weg zoû gaan.
Toch was het dit niet alleen wat hem somber en melancholiek maakte. Onervaren als hij was, had hij toch een intens gevoel van gevaar van Sybils toestand. Die jonge dandy, die haar zoo het hof maakte, had zeker niet veel goeds in den zin. Hij was een heer, en hij haatte hem daarom, haatte hem met een vreemd ras-instinct, dat hij niet kon beredeneeren, dat daarom des te sterker in hem was. Hij kende ook de ijdelheid en oppervlakkigheid van zijne moeder, en zag daarin een groot gevaar voor Sybil, voor Sybils geluk.
Kinderen beginnen met hunne ouders lief te hebben; als zij ouder worden gaan zij beoordeelen; soms vergeven zij ze.
Zijne moeder! Hij had haar iets willen vragen, iets waarover hij maanden in stilte had gepeinsd. Een los gezegde, toevallig eens aan het theater gehoord; een minachtend gefluister, tot hem gekomen, een avond, dat hij aan de artistendeur wachtte, had verschrikkelijke gedachten in hem gewekt. Het heugde hem nog, als had hij toen een slag met de karwats over het gelaat gehad. Diepe rimpels groefden zich nu in zijn voorhoofd; hij beet zich op de lip met een trek van pijn.
—Maar je luistert heelcmaal niet naar me, Jim, riep Sybil en ik maak nog wel allerlei plannen voor je toekomst. Zeg toch eens wat?
—Wat wil je dat ik zeg?
—O, dat je een brave jongen zal zijn en ons niet vergeten zal, antwoordde zij hem toelachend.
Hij haalde de schouders op.
—Er is meer kans, dat jij mij vergeet, dan ik jou, Sybil.
Zij kreeg een kleur.
—Wat meen je daarmeê, Jim? vroeg ze.
—Je hebt een vreemden vriend, hoor ik. Wie is hij? Waarom heb je mij niet over hem gesproken? Hij heeft zeker niet veel goeds met je voor?
—Stil Jim! riep zij. Je mag geen kwaad van hem zeggen, ik hoû van hem.
—Zoo, en je weet niet eens zijn naam, antwoordde de jongen. Wie is hij? Mij dunkt, ik heb toch wel recht dat te weten.
—Hij is mijn tooverprins. Vindt je dat geen mooie naam?… O, jou dwaze jongen, je moet dien naam nooit vergeten. Als je hem zag, zoû je hem het mooist van de wereld vinden. Je zult hem eens ontmoeten, als je uit Australië terugkomt. Je zult zeker veel van hem houden. Iedereen houdt van hem en ik … ik heb hem lief. Ik woû, dat je van avond in de komedie kon komen. Hij zal er van avond zijn en ik zal Juliet spelen. Verbeeldt je Jim, lief te hebben en dan Juliet te moeten spelen! Hem daar te zien zitten. Voor hem te spelen! Ik ben bang, dat ik het publiek zal afstooten of zal meêslepen. Want lief te hebben, is zichzelf overtreffen. En ik, ik ben van hem, van hem alleen, van mijn tooverprins, mijn God, mijn alles! Maar ik ben arm! Arm?… Wat doet dat er toe? Komt armoede de deur in, dan vliegt de liefde er uit, zegt het spreekwoord. Maar toen dat uitgevonden werd, was het winter en nu is het zomer; voor mij is het lente, een hoogfeest van bloesems in blauwe luchten.
—Hij is een groote meneer, zei de jongen somber.
—Een prins, riep zij met haar stem van muziek. Wat wil je meer?
—Hij wil je zijn slavin maken.
—Ik zoû het vreeselijk vinden vrij te zijn.
—Ik woû, dat je voor hem oppaste.
—Hem te zien is hem aanbidden, hem te kennen is hem vertrouwen.
—Sybil, je bent dol met dien man.
Zij lachte en nam zijn arm.
—Jou oude gezellige Jim, je praat alsof je honderd jaar was. Jij zal zelf ook nog wel eens verliefd worden, en dan zal je zelf ondervinden wat het is. Kijk nu niet zoo brommig! Je moest blij zijn, dat je mij, nu jij weggaat, zoo gelukkig achterlaat, als ik nooit geweest ben. Het leven is tot nu toe alles behalve prettig en gemakkelijk voor ons geweest, maar het zal nu anders worden. Jij gaat naar een nieuwe wereld en ik heb er een gevonden. Kijk hier zijn juist twee stoelen; laat ons hier nu gaan zitten en naar de mooie menschen kijken.
Zij zetten zich onder een menigte toeschouwers. De tulpenbedden aan de andere zijde van den weg vlamden als met trillende ringen van vuur. Een witte stof, als een bevende wolk van stuifmeel, hing in de hijgende lucht. Heldere parasols dansten op en neêr als groote kapellen. Zij liet haar broêr spreken over zichzelven, zijne uitzichten, zijne verwachtingen. Zij spraken langzaam en met moeite; zij wisselden woorden zooals spelers, bij een spel, fiches wisselen. Sybil voelde zich onderdrukt, zij kon haar genot niet uiten; een zwakke glimlach om dien mokkenden mond, was al wat zij tot antwoord kreeg. Na eenigen tijd werd zij stil. Daar ving zij een glans op van goud haar en lachende lippen; in een open rijtuig, met twee dames, reed Dorian Gray voorbij. Zij sprong op.
—Daar is hij! riep zij.
—Wie? vroeg Jim Vane.
—Mijn tooverprins, antwoordde zij, en keek de victoria na.
Hij vloog op en greep haar ruw bij den arm.
—Wijs hem mij! Wie? Waar? Wijs hem mij goed. Ik moet hem zien! riep hij uit.
Maar op dat oogenblik kwam de four-in-hand van den Hertog van Berwick voorbij en toen die de ruimte had opengelaten, was het rijtuig al uit het park weggezwaaid.
—Hij is weg, murmelde Sybil treurig. Ik woû zoo graag, dat je hem gezien had.
—Ik woû het ook, zoo waar als er een God is; als hij je ooit eenig kwaad doet, maak ik hem dood.
Zij keek naar hem op in angst. Hij herhaalde zijne woorden. Zij sneden de lucht als met messen. De menschen rondom begonnen hen aan te zien. Een dame, dicht naast haar, gichelde.
—Kom meê, Jim, kom meê, drong zij.
Hij volgde haar norsch, terwijl ze door de menigte duwden. Hij was blij om wat hij gezegd had.
Toen zij het beeld van Achilles bereikt hadden, zag zij tot hem op; er was medelijden in hare oogen, dat een glimlach om haar lippen werd. Zij schudde haar hoofd.
—Je bent dwaas, Jim, heel dwaas. Jij bent uit je humeur vandaag, dat is de heele zaak. Hoe kan je nu zulke akelige dingen zeggen. Je weet niet eens waar je over spreekt. Je bent jaloersch en niets lief, hoor. O, ik woû, dat jij heel veel van iemand ging houden. Dat maakt je goed en wat jij zoo even zei, was slecht.
—Ik ben zestien jaar, antwoordde hij; en ik weet heel goed wat ik zeg en wat ik meen. Moeder is geen steun voor jou. Ze kan heelemaal niet op je passen. Ik woû nu, dat ik maar niet naar Australië ging. Ik heb grooten lust de boel te laten waaien. En ik zoû het ook, als mijn papieren maar niet geteekend waren.
—O, wees toch niet zoo akelig ernstig, Jim. Je bent net zoo een held uit een van die draken, die moeder zoo graag speelt. Ik wil niet met je kibbelen. Ik heb hem gezien, en o! hem te zien maakt mij zoo gelukkig, dat ik niets geen lust voel, met je te kibbelen. En je zal toch ook nooit iemand kwaad doen van wien ik hoû, niet waar?
—Niet zoolang je van hem houdt, was het onwillige antwoord.
—O, en ik zal altijd van hem houden! riep zij uit.
—En hij?
—Och, natuurlijk.
—Dat zoû ik hem ook raden.
Zij ontstelde even. Toen lachte zij weêr en stak haar hand door zijn arm. Hij was nog maar zoo een jongen.
Bij Marble Arch riepen zij een omnibus aan, die hen vlak bij hun armoedig huisje in Euston Road afzette.
Het was over vijven en Sybil moest nog een paar uren rusten, vóór zij zoû optreden; dat wilde Jim. Hij wilde ook liever afscheid van haar nemen, zonder dat hunne moeder er bij was. Zij zoû natuurlijk weêr een heele scène maken, en daar had hij een vreeselijken hekel aan.
In Sybils eigen kamer namen zij afscheid. De jonge man voelde in zijn hart eene jaloezie; een bittere, wreede haat tegen dien vreemde, die, naar het hem scheen, tusschen hen was gekomen. Maar toen hare armen om zijn hals lagen en hare vingers door zijn haar streelden, werd hij zachter gestemd; hij gaf haar een zoen vol teederheid. Er waren tranen in zijne oogen, toen hij naar beneden ging. Zijne moeder wachtte hem. Zij knorde over zijn te-laat komen, toen hij binnentrad. Hij gaf geen antwoord, maar zette zich voor zijn sober maaltje. De vliegen suisden om en kropen over het gevlekte tafellaken. Tusschen het rammelen van omnibussen en het geratel van cabs op straat door, luisterde hij hoe die dreunerige stem iedere minuut, die hij nog voor zich had, wegzeurde.
Na een oogenblik schoof hij zijn bord weg, verborg het gelaat in de handen. Hij voelde, dat hij recht had te weten. En was het zooals hij vreesde, dan had men hem het al vroeger moeten zeggen. Bezwaard met vrees, keek zijne moeder hem aan. Woorden vielen werktuigelijk van haar lippen. In haar vingers wrong zij zenuwachtig een gescheurde kanten zakdoek. Toen de klok zes uur sloeg, stond hij op en ging naar de deur. Daar keerde hij zich om en zag haar aan. Hunne oogen ontmoetten elkaâr. Hij las in de hare eene wanhopige bede om genade. Het maakte hem dol.
—Moeder, ik moet u wat vragen, zei hij.
Haar oogen dwaalden vaag door de kamer. Zij gaf geen antwoord.
—Zeg mij de waarheid. Ik heb recht te weten. Was u getrouwd met mijn vader?
Zij zuchtte diep. Het was een zucht van verlichting. Het vreeselijke oogenblik, het oogenblik, dat zij nacht en dag, weken en maanden gevreesd had, was ten laatste gekomen en toch voelde zij geen angst. In een zeker opzicht was het haar zelfs tegengevallen. De vulgaire kortheid van de vraag wilde ook een kort antwoord. Hij was niet geleidelijk tot die vraag gekomen. Zoo was het te ruw. Het liet haar denken aan een slechte repetitie.
—Neen, antwoordde zij, verwonderd over den eenvoud in het leven.
—Dan was mijn vader een ellendeling! riep de jongen uit met gebalde vuisten.
Zij schudde het hoofd.
—Ik wist, dat hij niet vrij was. Wij hielden veel van elkaâr. Als hij was blijven leven, zoû hij zeker voor ons gezorgd hebben. Spreek geen kwaad van hem, mijn jongen. Hij was toch je vader en een fatsoenlijk man. Hij was ook van goede familie. Een vloek kwam over zijn lippen.
—Het kan voor mijzelf niets schelen, riep hij uit, maar laat Sybil … Het is een heer, niet waar, die op haar verliefd is, of ten minste doet alsof? En zeker ook van goede familie?
Een oogenblik kwam er een afschuwelijk gevoel van vernedering over de arme vrouw. Zij boog het hoofd. Zij veegde haar oogen met bevende hand.
—Sybil heeft een moeder, fluisterde zij; die had ik niet. De jongen was getroffen. Hij ging naar haar toe en boog zich om haar te kussen.
—Het spijt mij, dat ik u verdriet deed met te vragen naar mijn vader, maar ik kon er niets aan doen. En nu moet ik weg. Dag moeder. Vergeet niet, dat u nu maar één kind hebt om op te letten, en geloof me, als die kerel mijn zuster ooit kwaad doet, ik vind hem uit en vermoord hem als een hond. Dat zweer ik.
De overdreven dwaasheid van de bedreiging, de hartstochtelijke beweging, die hij er bij maakte, de opgewonden melodramatische woorden schenen meer werkelijkheid aan het leven voor haar te geven. Zij gevoelde zich thuis in die atmosfeer. Zij ademde vrijer en voor het eerst in langen tijd bewonderde zij haar zoon waarlijk. Zij had gaarne de scène op denzelfden voet voortgezet, maar hij maakte er een eind aan. Koffers moesten naar beneden gesjouwd en jassen en plaids bij elkaâr gezocht worden.
Het sloofje van het commensalenhuis liep telkens in en uit. Toen het onderhandelen met den koetsier. Het oogenblik ging verloren in alledaagsche kleinigheden. En het was met een nieuw gevoel van teleurstelling, dat zij den lorrigen kanten zakdoek wuifde voor het raam, terwijl haar zoon wegreed. Zij was zich bewust, dat een prachtige gelegenheid was voorbijgegaan. Zij troostte zich echter met Sybil te vertellen hoe eenzaam nu het leven voor haar zijn zoû, nu zij maar één kind had om op te letten. Zij had dien zin goed onthouden. Hij klonk goed. Van de bedreiging vertelde zij niets. Ze was met vuur en met dramatische kracht voorgedragen, maar zij vreesde, dat er om gelachen zoû worden.