IV.
Een maand later. Dorian Gray lag in een fauteuil in de bibliotheek van
Lord Henry's huis in Mayfair.
Lord Henry was er zelve nog niet. Hij was laat uit principe; zijn principe was, dat stiptheid de dief van den tijd is. De jongen zag er wat gemelijk uit, terwijl hij met lustelooze vingers bladerde in een prachtexemplaar van Manon Lescaut, dat hij op een der boekenplanken had gevonden.
Het deftige, eentonige getik van de Louis XIV klok verveelde hem. Een paar malen had hij reeds weg willen gaan.
Eindelijk hoorde hij buiten een stap en de deur ging open.
—Wat ben je laat, Harry, sprak hij zacht.
—Ik vrees, dat het Harry niet is, Mr. Gray, antwoordde een hooge stem.
Hij wendde zich om, stond op.
—O pardon, ik dacht …
—U dacht, dat het mijn man was. Het is maar zijn vrouw. Ik zal mijzelve maar voorstellen. Ik ken u heel goed door uw portretten. Ik geloof, dat mijn man er zeventien van heeft.
—Zeventien, Lady Henry?
—Nu, achttien dan. En ik zag u laatst met hem in de opera.
Zij lachte zenuwachtig, terwijl zij sprak en hem opnam met haar vage vergeet-me-niet-blauwe oogen. Zij was eene vreemde vrouw; haar toiletten schenen in een warrelwind ontworpen en in een stormwind aangedaan te zijn. Zij was gewoonlijk verliefd op iemand en daar hare passies nooit beantwoord werden, had zij al hare illuzies behouden. Zij deed haar best er schilderachtig uit te zien, maar bracht het niet verder dan slordigheid. Zij heette Victoria en had een manie van naar de kerk te gaan.
—Dat was met Lohengrin, Lady Henry, geloof ik.
—Ja, het was met dien heerlijken Lohengrin. Ik hoû het allermeest van Wagners muziek. Die klinkt zoo hard, dat je altijd door kan spreken, zonder dat iemand het hoort, vindt u niet, Mr. Gray?
Hetzelfde zenuwachtige staccato-lachje kwam weêr over hare dunne lippen en hare vingers speelden met een lang schildpadden vouwbeen.
Dorian glimlachte en schudde het hoofd.
—Ik vrees, dat ik het niet met u eens zal zijn, Lady Henry. Ik spreek nooit onder muziek, tenminste onder goede muziek. Wanneer men slechte muziek hoort, is het niet meer dan zijn plicht die te overpraten.
—O dat is iets van Harry, nietwaar Mr. Gray? Ik hoor altijd Harry's ideeën door zijn vrienden. Dat is voor mij de eenige manier ze te hooren. Maar u moet niet denken, dat ik niet van goede muziek hoû. Ik ben er dol op, maar ik ben er bang voor. Het windt me te veel op! Ik heb pianisten aangebeden, soms twee te gelijk, beweert Henry. Ik weet niet wat ze voor charme voor me hebben. Misschien is het omdat ze vreemdelingen zijn. Dat zijn ze toch allemaal, niet waar? Zelfs zij, die in Engeland geboren zijn, worden vreemdeling na een poosje, niet waar? Het is erg knap van hen, een heel compliment aan de kunst. Het wordt daardoor ook heel cosmopolitisch, vindt u niet? U is nooit op een van mijn soirées geweest, niet waar Mr. Gray. Maar u moet bepaald eens komen. Orchideeën zijn me te duur, maar ik spaar geen moeite om vreemdelingen te hebben. Zij stoffeeren een salon zoo aardig. Maar hier is Harry. Harry, ik kwam hier om je wat te vragen, ik ben het nu vergeten, en ik vond Mr. Gray. Wij hebben heel prettig samen gesproken over muziek. Wij hebben zoo precies dezelfde ideeën. O neen, toch niet, zij waren juist zeer uiteenloopend. Maar hij is heel aardig geweest. Ik ben blij hem ontmoet te hebben.
—Dat doet me pleizier, lieve, zeer veel pleizier, zei Lord Henry, de sikkels zijner donkere wenkbrauwen optrekkend en beiden aanziende met een glimlach van-voor-den-gek-houden …
—Het spijt me, dat ik zoo laat ben, Dorian. Ik was uitgegaan op een stuk oud brokaat in Wardour Street en ik moest wel een uur bieden en loven. Tegenwoordig weet iedereen den prijs van alles en niemand de waarde van iets.
—Maar ik moet nu weg, riep Lady Henry, een benauwende stilte verbrekend, met haar kinderachtig lachje. Ik heb beloofd met de Hertogin te gaan rijden. Goeden dag, Mr. Gray. Adieu Harry. Je gaat zeker uit dineeren, niet waar? Ik ook. Misschien zie ik je nog wel bij Lady Thornburg.
—Dat kan wel, zei Lord Henry, de deur achter haar sluitend, terwijl zij de kamer uitzweefde, met iets van een paradijsvogel, die een nacht in den regen heeft gestaan, een geur van frangipani achter zich latend. Toen stak hij een cigarette op en wierp zich neêr op de bank.
—Trouw nooit een vrouw met geel haar, Dorian, zei hij, na een paar trekken.
—Waarom?
—Omdat ze zoo sentimenteel zijn.
—Maar ik hoû wel van sentimenteele menschen.
—Trouw nooit, Dorian. Mannen trouwen uit moêheid en vrouwen uit nieuwsgierigheid; beiden worden teleurgesteld.
—Ik geloof niet, dat ik ooit trouwen zal, Harry. Ik ben veel te verliefd. Dat is een van je aforismen. Ik breng ze nu in praktijk, zooals alles wat jij zegt.
—En wie is de gelukkige? vroeg Lord Henry na een pauze.
—Een actrice, zei Dorian Gray met een kleur. Lord Henry haalde de schouders op.
—Nog al een banaal debuut.
—Als je haar zag, zoû je dat niet zeggen, Harry.
—Wie is ze?
—Ze heet Sybil Vane.
—Nooit gehoord.
—Neen, niemand heeft van haar gehoord. Maar eens zal ze beroemd worden, want ze is een genie.
—Beste jongen, geen vrouw is ooit een genie. Vrouwen zijn het decoratieve geslacht. Ze hebben nooit veel bizonders te vertellen, maar wàt ze zeggen, zeggen ze aardig.
—Harry!
—Beste Dorian, het is de zuivere waarheid. Ik bestudeer op het oogenblik de vrouwen. Ik moet het dus wel weten. Ik ben tot de slotsom gekomen, dat er maar twee soorten van vrouwen zijn: leelijke en geverfde. Leelijke vrouwen zijn heel nuttig. Als je een reputatie van soliditeit wilt maken, heb je er maar een aan het souper te brengen. De andere vrouwen zijn allerliefst, maar ze hebben één fout. Ze verven zich om er jong uit te zien. Onze grootmoeders verfden zich om een brillante conversatie te hebben. Vroeger gingen rouge en esprit samen. Dat is nu voorbij. Zoolang een vrouw er tien jaar jonger uitziet dan haar dochter, is ze volmaakt tevreden.
Maar wat de conversatie betreft, zijn er in heel Londen maar vijf vrouwen, waar je meê praten kan, en twee ervan kan je niet in fatsoenlijk gezelschap brengen. Maar vertel jij nu over je genie. Hoe lang ken je haar?
—O Harry, je maakt me bang.
—Kom! Trek het je maar niet aan. Hoe lang ken je haar?
—Drie weken.
—En waar heb je haar ontmoet?
—Dat zal ik je vertellen, Harry, maar je moet er niet om lachen. Want eigenlijk zoû het ook nooit gebeurd zijn, als ik jou niet ontmoet had. Je hebt me een dol verlangen gegeven om alles van het leven te kennen. Dagen nadat ik je ontmoet had, scheen een vuur in mij te gloeien. In de lucht om mij heen scheen een exquis vergift te hangen. Ik had een passie voor sensaties … Wel, op een avond, om een uur of zeven, ging ik op avonuren uit. Ik voelde, dat ons grijs, wijd Londen met zijn duizenden menschen, en zijn schitterende zonden, zooals je het eens noemde, iets voor mij in petto had. Ik dacht me duizend dingen. Het gevaar alleen al gaf me een gevoel van heerlijkheid. Ik herinnerde mij wat je den eersten wonderen avond, toen wij samen dineerden, gezegd had: omtrent het zoeken naar schoonheid als naar het werkelijke geheim van het leven. Ik weet niet wat ik verwachtte, maar ik ging uit en dwaalde naar East End, waar ik gauw mijn weg verloor in een labyrinth van vuile straatjes, en donkere dorre pleinen. Om een uur of half negen kwam ik voorbij een bespottelijk klein theater, met groote flikkerende gaslichten en bonte affiches. Een afschuwelijke jood in den vreemdsten rok, dien ik ooit zag, stond in de entrée met een gemeene sigaar in den mond. Hij had vettige lokken, en een kolossale diamant schitterde in het midden van zijn vuil hemd.
—Een loge, meneer? riep hij, toen hij mij zag en hij nam zijn hoed af met een vertoon van pompeuze nederigheid.
Er was iets in hem, Harry, dat mij amuzeerde. Hij was zoo leelijk. Je zal mij uitlachen, denk ik, maar ik ging er in en betaalde niet minder dan een pond voor de loge. Tot op het huidige oogenblik weet ik niet, waarom ik zoo deed, en toch, als ik het niet gedaan had, mijn beste Harry, zoû ik den interessantsten roman van mijn leven gemist hebben.—Ik zie wel, dat je me uitlacht. Het is niet aardig van je.
—Ik lach volstrekt niet, Dorian, tenminste niet om jou. Maar je moet niet zeggen: de interessantste roman van je leven; je moet zeggen: de eerste roman van je leven. Ze zullen altijd van je houden en jij zal altijd verliefd zijn, om verliefd te zijn. Een grande passion is het privilege van menschen, die niets te doen hebben. Dat is de eenige bezigheid voor werkeloozen. Wees niet bang, daar is nog een heele boel moois voor je weggelegd. Dit is alleen het begin.
—Denk je, dat ik zoo klein voel? riep Dorian boos.
—Neen, ik geloof juist, dat je diep voelt.
—Hoe meen je dat?
—Beste jongen, menschen die maar ééns in hun leven liefhebben, zijn in werkelijkheid klein voelend. Wat zij hun loyaliteit en hun getrouwheid noemen, noem ik óf luiheid van gewoonte of gemis aan verbeelding. Getrouwheid is voor het gevoelsleven, wat conservatisme is voor het verstandsleven; niets dan de bekentenis van onmacht. Trouw, dat moet ik toch eens analyzeeren … De passie voor het bezit is er in. Er zijn veel dingen, die we zouden weggooien als we niet bang waren, dat anderen ze zouden oprapen. Maar laat me je niet storen, ga voort met je verhaal.
—Nu, daar zat ik dan in een klein leelijk logetje met een gemeen gordijn voor mij. Ik zag van achteren het gordijntje uit en keek door de zaal. Het was een kling-klang-boel, niets dan engeltjes en horens van overvloed, als een bruiloftskaart van de derde soort. De galerij en de pit waren zoo goed als vol, maar de twee rijen vuile stalles waren heelemaal leêg, en er was nauwlijks iemand in wat de dresscircle moest verbeelden. Vrouwen gingen rond met china's-appelen en gemberbier en door de geheele zaal werden noten geknabbeld.
—Het moet iets geweest zijn als in de gulden dagen van het Britsche drama.
—Ja zoo iets dergelijks, denk ik, en zeer beklemmend. Ik begon me af te vragen, wat ik in godsnaam doen zoû, toen ik het affiche zag. Wat denk je, dat ze gaven, Harry?
—De idioten jongen, of Stom maar onschuldig. Onze voorvaders hielden van dat stuk, geloof ik. Hoe langer ik leef, Dorian, hoe duidelijker ik voel, dat wat genoeg was voor onze voorvaders, niet goed genoeg is voor ons. Zoowel in kunst als in politiek: les grands-pères ont toujours tort.
—Dit stuk was ook voor ons goed genoeg, Harry. Het was Romeo and Juliet. Ik moet bekennen, dat het mij hinderde Shakespeare te zien spelen in zoo een plaats. Maar ik was toch benieuwd. Ik besloot in ieder geval op de eerste acte te wachten. Er was een afschuwelijk orkest, gedirigeerd door een jongen jood, die voor een rammelkast van een piano zat, en dat joeg mij bijna weg. Maar eindelijk ging het gordijn op en begonnen ze te spelen. Romeo was een dikke oude meneer, met gekurkte wenkbrauwen, een schone drakenstem en een figuur als een bierton. Mercutio was bijna even slecht. Hij werd gespeeld door den bas-comique, die moppen van zijn eigen er in laschte en op den besten voet was met de pit. Zij waren beiden zoo grotesk als de decoraties en die waren als uit een kermistent. Maar Julia, Harry! Stel je voor een meisje, nauwlijks zeventien, een klein gezichtje als een bloem, een klein Grieksch hoofdje met donkerbruine vlechten, violette oogen als bronnen van passie! en een mondje als een roos. Ze was het liefste ding, dat ik ooit in mijn leven gezien had. Je hebt me eens gezegd, dat pathos je ongevoelig liet, maar dat schoonheid, niets dan schoonheid, je tot tranen kon roeren. Nu Harry, ik kan je zeggen, dat ik dit kind nauwlijks kon zien door den nevel, dien ik voor mijn oogen had. En haar stem—ik heb nooit zoo een stem gehoord. Zij klonk eerst heel zacht met diepe volle tonen, die je ieder apart scheen te hooren. Toen klonk zij wat harder en het werd als een fluit of een hobo, in de verte. In de tuin-scène hoorde je de trillende extaze van nachtegalen, als zij 's morgens heel vroeg zingen. Later waren er momenten, dat je de wilde passie van violen in heur stem hoorde. Je weet zelf hoe een stem je aan kan doen. Jouw stem en die van Sibyl Vane zijn twee dingen, die ik nooit zal vergeten. Als ik mijn oogen sluit, hoor ik ze, en ze zeggen ieder iets verschillends. Ik weet niet welke ik volgen moet. Waarom zoû ik niet van haar houden!—Harry, ik heb haar lief. Zij is alles voor mij.—Avond aan avond zie ik haar spelen.—Den eenen avond is zij Rosalind en den volgenden Imogen. Ik heb haar zien sterven in de somberte van een Italiaansch graf, terwijl zij het vergift opzoog van de lippen van haar geliefde. Ik heb haar zien dwalen door de bosschen van de Ardennen, verkleed als een aardige jongen, in een broek en buis, met een coquet petje op. Zij is krankzinnig geweest en ze is bij een schuldigen koning gekomen en zij heeft hem met berouw overstelpt en hem bittere kruiden laten proeven. Zij is onschuldig geweest en de zwarte handen van jaloezie hebben heur teeren hals omkneld. Ik heb haar gezien in iedere eeuw en in ieder kostuum. Gewone vrouwen werken niets op je verbeelding. Ze zijn begrensd door hun eeuw. Ze veranderen nooit door een toovermacht. Je kan ze ook altijd vinden. Daar is niets geheimzinnigs om haar heen. Zij rijden 's morgens in het Park en babbelen 's middags op tea's. Ze hebben stereotype glimlachjes en geleerde momentjes. Je kent ze door en door. Maar een actrice! Een actrice is heel wat anders. Harry, waarom heb je me nooit gezegd, dat de eenige vrouw van wie je houden kan een actrice is.
—Ik ben er zelf op zooveel verliefd geweest, Dorian.
—O ja, verschrikkelijke wezens met geverfd haar en geverfde gezichten.
—Vaar nu niet uit tegen geverfd haar en geverfde gezichten. Zij hebben soms heel veel charme, zei Lord Henry.
—Ik woû, dat ik je niet verteld had van Sybil Vane.
—Dat kon je toch niet nalaten, Dorian. Je heele leven zal je me alles vertellen wat je doet.
—Ja Harry, dat geloof ik ook. Ik mòet je alles vertellen. Je hebt zulk een vreemden invloed op me. Als ik ooit een misdaad deed, zoû ik dat jou bekennen. Jij zoû me begrijpen.
—Menschen zooals jij, de zonnestralen van het leven, begaan geen misdaden, Dorian. Maar ik dank je in ieder geval voor je compliment. En zeg me eens—geef me even de lucifers; dank je:—op welken voet sta je nu eigenlijk met Sybil Vane …
Dorian vloog op, gloeiende wangen, schitterende oogen.
—Harry! Sybil Vane is heilig!
—Alleen heilige dingen zijn ook de moeite van het aanraken waard, Dorian, zei Lord Henry, met een vreemden tint van weemoed in zijne stem. Maar waarom ben je daar boos om? Ze zal toch eens van jou zijn. Als men verliefd is, begint men zichzelven voor den gek te houden en eindigt anderen voor den gek te houden. Dat is wat de wereld een roman noemt. Maar je kent haar toch zeker?
—O, natuurlijk. Den eersten keer, toen ik in dat theater was, kwam die afschuwelijke oude jood na afloop van de voorstelling bij me en offreerde me, mij achter de schermen te brengen en aan haar voor te stellen. Ik was woedend op hem en antwoordde, dat Juliet al eeuwen dood was en dat haar lijk in een marmeren graf in Verona lag. Ik geloof, te oordeelen naar zijn blik vol stomme verbazing, dat hij dacht, dat ik te veel champagne had gedronken.
—Dat verwondert me niets.
—Toen vroeg hij mij of ik voor een van de couranten schreef. Ik zei hem, dat ik er nooit één las. Toen scheen hij erg teleurgesteld en vertelde me, dat al de critici tegen hem samenspanden, en dat hij ze allen zoû moeten omkoopen.
—Dat zoû me niets verwonderen. Maar aan den anderen kant geloof ik, dat ze niet heel duur zijn.
—Nu, ze schenen hèm te duur te zijn, lachte Dorian. Maar in dien tusschentijd waren de lichten in de zaal uitgedraaid en ik moest weg. Hij woû mij een paar sigaren laten probeeren, die hij erg recommandeerde. Ik bedankte. Den volgenden dag was ik natuurlijk weêr op dezelfde plaats. Toen hij mij zag, boog hij heel diep en verzekerde me, dat ik een machtig beschermer van de kunst was. Hij was een brutale kerel, maar hij had een passie voor Shakespeare. Hij heeft me verteld, met een soort van trots, dat zijn vijf bankroeten het gevolg waren van zijne admiratie voor den "Bard", zooals hij hem noemde. Hij scheen dat een heele distinctie te vinden.
—Het is een distinctie, mijn beste Dorian, een heele distinctie. De meesten gaan bankroet, omdat ze te veel hebben gezet op het proza van het leven. Je te ruïneeren door poëzie is een eer. Maar wanneer sprak je Miss Sybil Vane voor het eerst?
—Den derden avond. Ze had Rosalind gespeeld. Ik kon niet nalaten achter de schermen te gaan. Ik had haar bloemen toegegooid, en zij had me aangezien: tenminste,—dat verbeeldde ik me. De oude jood drong weêr aan. Hij scheen besloten mij bij haar te brengen, ik gaf dus toe. Vindt je het niet curieus, dat ik in het geheel niet verlangde haar te kennen?
—Neen, dat vind ik niet.
—Maar Harry, waarom?
—Dat zal ik je wel eens later vertellen. Nu woû ik graag alles van het meisje hooren.
—Sybil? O ze was erg verlegen en heel lief. Ze heeft iets zeer kinderlijks. Haar oogen vergrootten zich in een zalige verwondering, toen ik haar zei wat ik van haar spel dacht, en ze scheen geheel onbewust van haar talent. Ik geloof, dat we beiden nogal zenuwachtig waren. De oude jood stond te grinniken in de deur van den muffen foyer en hield hoogdravende redeneeringen over ons beiden, terwijl wij als kinderen elkaâr stonden aan te zien. Hij hield vol mij altijd door "My Lord" te noemen, zoodat ik Sybil moest verzekeren, dat ik volstrekt geen aanspraak had op dien titel. Toen zei ze heel eenvoudig-weg:
—U lijkt meer op een prins. Ik zal u Prins Charmant noemen.
—Op mijn woord, Dorian, Miss Sybil kan goed complimentjes maken.
—Je begrijpt haar niet, Harry. Ze beschouwde me als iemand uit een van haar stukken. Ze kent niets van het leven. Ze woont met haar moeder, een verlepte vrouw, die Lady Capulet speelde in een soort van magenta-rooden peignoir, en er uitziet of ze betere dagen gekend heeft.
—O, dat ken ik. Zoo iets maakt me akelig, murmelde Lord Henry, naar zijne ringen turend.
—De jood woû me haar geschiedenis vertellen, maar ik zei, dat het me niet schelen kon.
—Je hadt groot gelijk. Daar is altijd ontzettend veel vulgaire in de tragedies van andere menschen.
—Sybil is het eenige waar ik om geef. Wat kan het mij schelen! waar zij vandaan komt. Van haar hoofdje tot haar voetjes is zij volmaakt hemelsch. Iederen avond ga ik haar zien spelen en iederen avond is zij verrukkelijker.
—O, is dat de reden, dat je tegenwoordig nooit meer met me dineert. Ik dacht, dat je iets heel interessants om handen had. Dat heb je nu ook wel, maar het is toch niet wat ik verwachtte.
—Maar Harry, iederen dag lunchen en soupeeren we toch samen, en ik ben heel dikwijls naar de opera geweest met je, zei Dorian, met verwondering in zijn blauwe oogen.
—Je bent altijd verschrikkelijk laat.
—Maar ik moet Sybil gaan zien, riep hij, al is het dan ook één acte. Ik smacht naar haar tegenwoordigheid en als ik denk aan de wondere ziel, verborgen in dat kleine ivoren lichaam, voel ik een eerbiedige vrees in me.
—Je kunt van avond toch wel met me dineeren, Dorian, niet waar?
Hij schudde het hoofd.
—Van avond is zij Imogen, antwoordde hij, en morgen Juliet.
—Wanneer is zij Sybil Vane?
—Nooit.
—Ik feliciteer je.
—Je bent afschuwelijk. In haar zijn al de heldinnen van de wereld vereenigd. Zij is meer dan één persoon. Je lacht, maar ik verzeker je, dat zij een genie is. Ik heb haar lief en ik moet maken, dat zij mij ook lief krijgt. Jij, die alle geheimen van het leven kent, zeg me hoe ik Sybil Vane daartoe moet betooveren. Ik wil Romeo jaloersch maken. Ik wil, dat al haar minnaars, die nu dood zijn, ons lachend geluk zullen hooren en er om treuren. Ik wil, dat de adem van onze passie hun stof zal opwekken en hun asch zal doen lijden. Groote God, Harry, ik aanbid haar.
Terwijl hij sprak, liep hij de kamer op en neêr. Koortsig rood gloeide op zijne wangen. Hij was zeer opgewonden.
Lord Henry volgde hem met een verfijnd genot. Hoezeer verschilde hij nu van den verlegen knaap, dien hij in het atelier van Basil Hallward ontmoet had. Zijne natuur had zich ontwikkeld als eene bloem en droeg bloesems als vurig purper. Zijne ziel was geslopen uit hare geheime schuilplaats, hartstocht tegemoet.
—En wat denk je nu te doen? vroeg Lord Henry eindelijk.
—Ik woû, dat jij en Basil eens met me meêgingt om haar te zien spelen. Ik ben niets bang voor den uitslag. Je zal dan zeker moeten bekennen, dat ze talent heeft. Dan moeten wij haar uit de handen van dien jood zien te krijgen. Zij is aan hem verbonden voor drie jaar, tenminste twee jaar en acht maanden. Ik zal hem natuurlijk wat moeten betalen. Als dat alles geregeld is, koop ik een West-End theater en lanceer haar. Zij zal het publiek stormenderhand innemen, zooals zij het mij gedaan heeft.
—Dat is onmogelijk, mijn beste jongen.
—Toch zal ze het doen. Ze heeft niet alleen kunst in zich, fijn instinct voor kunst, maar zij is een persoonlijkheid, en je hebt mij dikwijls gezegd, dat de wereld beheerscht wordt door personaliteiten, en niet door principes.
—Nu, wanneer zullen we gaan?
—Laat eens zien: vandaag is het Dinsdag. Laat ons het op morgen houden. Ze speelt Juliet morgen.
—Goed. Om acht uur in de Bristol, en ik zal Basil meêtroonen.
—Acht uur! Maar Harry, als je blieft niet. Half zeven. We moeten er zijn vóór het gordijn opgaat. Je moet haar zien in de eerste acte, als ze Romeo ontmoet.
—Half zeven?… Wat een uur! Het zal iets zijn of je slappen bouillon drinkt of dat je een Engelsch romannetje leest. Laten we dan zeven uur zeggen. Welk fatsoenlijk mensch dineert nu vóór zeven? Zie je Basil nog vóór dien tijd, of zal ik hem schrijven?
—Die goede Basil. Ik heb hem de geheele week nog niet gezien. Het is niets lief van me, want hij heeft me mijn portret gezonden in een prachtige lijst, door hemzelven ontworpen, en hoewel ik wel een beetje jaloersch ben van dat portret, dat een heele maand jonger is dan ik, moet ik bekennen, dat het mij toch aangenaam aandoet … Misschien is het toch maar beter, dat jij hem schrijft. Ik zie hem liever niet alleen. Hij zegt dingen, die mij hinderen. Hij geeft me altijd goeden raad.
Lord Henry glimlachte.
—De menschen houden er van juist dat weg te geven, wat ze zelf het meest noodig hebben. Ik noem dat overmaat van edelmoedigheid.
—O, Basil is een goede vent, maar voor mij heeft hij iets van een
Filistijn. Sedert ik jou ken, Harry, heb ik dat uitgevonden.
—Mijn beste jongen, Basil legt al het moois, dat hij heeft, in zijn werk. Bijgevolg blijft er niets over voor het leven dan zijn vooroordeelen, zijn principes en zijn verstand. De eenige artisten, die ik gekend heb met persoonlijke charmes, waren slechte artisten. Goede artisten bestaan alleen in hetgeen zij voortbrengen, en zijn dus bijgevolg alleronbeduidenst als mensch. Een groot dichter, een werkelijk groot dichter is het meest prozaïsche van alle schepsels. Maar mindere dichters zijn allercharmantst. Hoe slechter hun rijm is, hoe schilderachtiger, zij er zelf uitzien. Alleen het feit een boek uitgegeven te hebben met sonnetten van de tweede soort, maakt een man onweêrstaanbaar. Hij leeft de poëzie, die hij niet uiten kan; anderen uiten de poëzie, die zij niet tot werkelijkheid durven maken.
—Zoû dat waarlijk zoo zijn, Harry? vroeg Dorian Gray. Het zal wel, als jij het zegt. Vergeet onze afspraak niet voor morgen. Adieu.
Toen hij de kamer verliet, vielen Lord Henry's zware oogleden toe en begon hij te denken. Het was waar: weinig menschen hadden hem zoo geïnteresseerd als Dorian Gray en toch gevoelde hij niet de minste pijn van verongelijking of afgunst om de opgewonden aanbidding van den jongen voor een ander. Het deed hem zelfs pleizier. Het maakte de studie nog belangwekkender. Hij was altijd aangetrokken door de methode van natuurlijke historie; maar hare gewone onderwerpen vond hij triviaal en van weinig belang. Hij was dus begonnen zichzelven te ontleden, zooals hij nu eindigde met anderen te ontleden. Alleen het leven van de ziel scheen hem de moeite van uitpluizen waard. Daarbij kon niets vergeleken worden. Bij het bestudeeren van het leven, met zijn vreemd dooreengewarrel van smart en geluk, kon men zich het gelaat niet bedekken met een masker van glas, kon men niet beletten, dat mist kroop over de hersenen en de verbeelding troebel maakte met monsterideeën en wanschapen droomen. Er bestonden zulke subtiele vergiften, dat men ze, tot walgens toe, moest gebruiken, wilde men er de essence van weten. Er bestonden ziekten, zoo vreemd, dat men ze moest doorgemaakt hebben, wilde men hun karakter kennen. En toch, hoe groot de belooning! Hoe vreemd het geheele samenstel van de wereld! Welk een genot de vreemd-harde logica van het passieleven tegen het emotievolle kleurrijke leven van het verstand. Op te merken, waar ze elkaâr ontmoeten en waar ze zich scheiden, waar ze samen smelten en waarin zij verschil vormen! Wie vroeg naar den prijs? Men kon immers eene sensatie nooit te duur betalen.
Hij was zich bewust—en de gedachte bracht glans van genoegen in zijne bruine agaten oogen: het was door woorden van hèm,—woorden van muziek met eene stem van muziek geuit,—dat Dorians ziel zich getrokken voelde tot die vrouw vol blanke reinheid en zich voor haar boog in aanbidding. De jongen was voor een groot gedeelte zijne eigen schepping. Hij had hem vroeg rijp gemaakt. Dat was reeds iets. Gewone menschen wachten tot het leven zijne geheimen aan hen openbaart, maar enkelen, den uitverkorenen, worden de mysteries van het leven geopenbaard, nog vóór de sluier is weggetrokken. Soms was dit het effect der kunst, en vooral van literatuur, die onmiddellijk werkt op passies en intellect. Maar nu en dan nam eene gecompliceerde persoonlijkheid de plaats in en deed het werk van de kunst, was in zijn genre een waar kunstvoorwerp, want het leven zelve ook heeft zijne elaborate meesterstukken, evenals poëzie, plastiek of schilderkunst.
Ja, de jongen was vroeg rijp. Hij haalde zijn oogst al binnen, terwijl het nog lente was. Het leven en de hartstocht der jeugd sliepen nog in hem, maar hij werd zichzelven al bewust. Het was heerlijk hem gade te slaan. Met zijn mooi gezicht en zijne mooie ziel, was hij wel iets om te bewonderen. Het deed er niet toe hoe dit alles eindigen zoû, hoe het voorbestemd was te eindigen. Hij was als een van die gracieuze figuren in een marionettenspel of in eene feërie, wier genoegens ver van ons staan, maar wier smarten ons schoonheidsgevoel roeren, en wier wonden zijn als roode rozen.—Ziel en lichaam, lichaam en ziel, hoe mysterievol waren zij. Daar was dierlijkheid in de ziel en het lichaam had zijne oogenblikken van spiritualiteit. De zinnen konden zich verfijnen en het intellect kon verbeestelijken. Wie kon zeggen waar het impulsie van het vleesch eindigde, waar de impulsie van de ziel begon? Hoe kleingeestig waren de tegenstrijdige beschrijvingen van psychologen. En toch, hoe moeilijk was het te kiezen tusschen de verschillende richtingen. Was de ziel slechts eene schim, die spookte in een huis vol zonden? Of was het lichaam waarlijk eene verpersoonlijking van de ziel, zooals Giordano Bruno beweert. De scheiding van geest en materie was een geheim, evenals de eenwording van geest en materie een geheim was. Hij vroeg zich af of de psychologie ooit zoû opgevoerd worden tot zulk eene absolute wetenschap, dat zelfs de kleinste bron van het leven ons geopenbaard zoû worden. Zooals zij nu was, begrepen wij onszelven altijd verkeerd en anderen in het geheel niet. Ondervinding was van geene ethische waarde. Het was slechts een naam, die de menschen gaven aan hunne mistastingen. Zedemeesters beschouwden ze in den regel als eene waarschuwing, hechtten ethische waarde aan ze bij de vorming van karakters, prezen ze als iets, dat ons leerde, wat wij volgen, wàt ontwijken moesten, maar er was geene oorspronkelijke kracht in ondervinding. Ze was evenmin een middel tot handeling als het geweten. Het eenige, wat ze aanduidde, was: dat de toekomst gelijk zoû zijn aan het verleden en dat men de zonde, die men ééns gedaan had met afschuw, nog vele malen zoû doen met genot.
Het was duidelijk, dat de proefondervindelijke methode de eenige was, waarmeê men tot eene wetenschappelijke analyze van passies kon komen, en zeker was Dorian Gray een prachtig sujet, dat een rijk en vruchtbaar resultaat beloofde. Zijne plotselinge opgewonden liefde voor Sybil Vane was een psychologisch verschijnsel van geen kleine beteekenis. Zonder twijfel was er veel nieuwsgierigheid bij in het spel; nieuwsgierigheid en de zucht naar nieuwe sensaties; toch was het geen eenvoudige maar eene zeer ingewikkelde passie. Wat er in school van zuiver zinnelijk instinct der jeugd was herschapen door de werking der verbeelding, veranderd in iets, dat den jongen zelven toescheen geheel belangeloos te zijn—en het was juist om die reden des te gevaarlijker.—Want het waren de hartstochten, in de origine waarvan wij ons bedrogen, die ons het zeerst overheerschten.
Onze zwakste motieven waren die, welke wij ons bewust zijn. Het gebeurde dikwijls, dat, als wij dachten op anderen proeven te nemen, wij in werkelijkheid proeven namen op onszelve.
Terwijl Lord Henry hierover zat te droomen, klonk een klop op de deur en de knecht kwam binnen om hem te herinneren, dat het tijd was zich voor het diner te kleeden. Hij stond op en zag op straat. De ondergaande zon had de bovenste ruiten van het huis tegenover gesmeed in vurig goud. De dakpannen glansden als platen gloeiend metaal. De lucht daarboven was als eene verwelkte roos. Hij dacht aan het jonge leven, vlammend rood, van zijn vriend, en vroeg zich af wat het einde zoû zijn …
Toen hij over half twaalf thuis kwam, lag een telegram op de tafel in de gang. Hij opende het en zag, dat het van Dorian Gray was. Hij meldde, dat hij geëngageerd was met Sybil Vane.