III.

IV.

HET STERREKIND.

Er waren eens twee arme houthakkers, die door een groot dennenbosch naar huis toe keerden. Het was winter en de nacht was bitter koud. De sneeuw lag hoog op den grond en op de takken der boomen. Waar zij voorbijgingen knakten aan beide kanten van den weg de fijne takken door de strenge vorst; en toen zij de beek genaderd waren die van de bergen komt, zagen zij dat die roerloos in de lucht hing, want de ijskoning had haar gekust.

Het was zóó koud, dat zelfs de dieren en de vogels niet wisten, wat zij moesten beginnen.

“Oe!” huilde de wolf, terwijl hij met den staart tusschen de pooten door het kreupelhout liep. “Wat een allerafschuwelijkst weer. Dat de regeering dáár niet een stokje voor steekt!”

“Oeit! Oeit! Oeit!” tjilpten de groene vlasvinken, “de oude aarde is dood en nu heeft men haar met een wit doodslaken toegedekt.”

“De aarde wil bruiloft vieren en dit is haar bruidskleed,” fluisterden de tortelduiven elkander toe. Hunne kleine, rooskleurige pootjes waren geheel bevroren, maar zij vonden dat het hun plicht was om den toestand romantisch op te vatten.

“Onzin!” gromde de wolf. “Ik zeg jullie, dat alles de schuld is van de regeering en wanneer jullie me niet gelooft eet ik je op.”

De wolf was zeer praktisch van natuur en het ontbrak hem nooit aan geldige argumenten.

“Nu, wat mij betreft,” zeide de specht, die een geboren wijsgeer was, “ik geef geen duit om zulke uiteenzettingen. Wanneer iets eenmaal is, dan is het ook zoo, en nu is het verschrikkelijk koud, dat staat vast.”

En verschrikkelijk koud was het dan ook werkelijk. De kleine eekhoorntjes, die binnen in de groote pijnboomen woonden, wreven aanhoudend hunne snoetjes tegen elkaar om warm te blijven en de konijntjes rolden zich in hunne holen op en waagden niet naar buiten te komen.

Alleen de groote steenuilen schenen in hun schik. Hunne vederen stonden geheel stijf van den rijp, maar dat hinderde hen niet; zij rolden met hunne groote gele oogen en riepen elkaar door het bosch toe: “Toe—wiet! Toe—woo! Toe—wiet! Toe—woo! Wat een heerlijk weer hebben we toch!”

Intusschen liepen de twee houthakkers al verder en verder, bliezen krachtig op hunne vingers en stampten met hunne groote, met ijzer beslagen laarzen op de vastgetreden sneeuw. Eens zonken zij plotseling weg in een kuil vol jachtsneeuw en toen ze er uit kwamen, waren ze zoo wit als de molenaars ten tijde van het koren malen; een andermaal gleden zij uit op het gladde ijs, daar waar het moeraswater toegevroren lag, en hunne bundels rijshout vielen uit elkaar, zoodat zij ze weer bijeen moesten rapen en op nieuw samenbinden; en eenmaal meenden zij den rechten weg verloren te hebben en groote angst beving hen, want zij wisten dat de sneeuw onverbiddelijk is voor hen, die in hare armen rust zoeken. Maar zij vertrouwden op den goeden Sint-Martyn, die over alle zwervers waakt en keerden weer terug op hunne voetsporen en letten toen dubbel goed op. En eindelijk bereikten zij den rand van het bosch en zagen ver beneden, in het dal aan hun voeten, de lichtjes schemeren van het dorp, waarin zij woonden.

Hunne vreugde over die redding was zoo groot, dat zij hardop lachten en de aarde leek hen een zilveren bloem en de maan een bloem van goud.

Maar nadat zij gelachen hadden werden zij toch weer treurig, want zij dachten aan hunne armoede en een hunner zeide tot den anderen: “Waarom hebben wij eigenlijk gelachen? Wij zien immers dat het leven alleen goed is voor de rijken en niet voor zulke menschen als wij zijn. Beter ware het geweest, wanneer wij in het bosch van koude omgekomen waren, of wanneer wilde dieren ons aangevallen en gedood hadden.”

“Ja waarlijk,” antwoordde zijn metgezel, “den eenen is veel gegeven en den anderen weinig. De onrechtvaardigheid in persoon heeft de wereld verdeeld, en niets is gelijkelijk verdeeld dan misschien de zorg alleen.”

Maar terwijl zij zoo over hun jammerlijk lot klaagden, gebeurde er iets zonderlings. Van uit den hemel viel plots een schitterende, schoone ster naar omlaag. Zij gleed zijdelings uit het luchtruim aan de andere sterren voorbij en toen de mannen haar verwonderd met de oogen volgden, kwam het hen voor, als daalde zij neer op den grond achter een groep wilgenboomen die bij een schaapskooi stonden, niet meer dan een steenworp van hen verwijderd.

“Ei! daar ligt stellig een pot vol goud voor dengene, die hem vindt!” riepen zij uit en zij haastten zich, er zoo hard zij konden heen te loopen, zulk een begeerte vervulde hen naar het goud.

En een hunner liep vlugger dan de andere, snelde zijnen makker voorbij, drong tusschen de wilgentakken door tot aan den anderen kant en zie! op de witte sneeuw lag daar waarlijk een gouden voorwerp.

Hij ijlde er dus heen, boog zich neer en legde er zijn hand op; en het was een doek uit gouddraad geweven, op zonderlinge wijze met sterren bestikt en in vele plooien gevouwen. En hij riep zijnen metgezel toe, dat hij den schat, die uit den hemel gevallen was, gevonden had, en toen zijn makker naderbij was gekomen, knielden zij op de sneeuw neer en vouwden den doek open, om de goudstukken onderling te verdeelen.

Maar ach! geen goud bevond zich in het omhulsel, en ook geen zilver, noch eenige andere kostbare schat, maar slechts een klein, slapend kindje. En een van de beiden zei tot den anderen:

“Dat is een bitter einde van onze laatste hoop en wij hebben geen geluk, want van welk nut zou een kind eenen man kunnen zijn? Wij zullen het laten liggen en onzen weg vervolgen, want wij zijn arme lieden en hebben zelf kinderen, van wier brood wij niet ook nog aan een vreemde mogen afstaan.”

Maar zijn metgezel antwoordde hem:

“Neen, het zou slecht van ons zijn dit kind hier in de sneeuw te laten omkomen, en al ben ik ook even arm als gij, en al heb ook ik vele monden te vullen waar er toch maar weinig op schotel is, ik wil het kind toch mee naar huis nemen en mijn vrouw zal er verder voor zorgen.”

En heel voorzichtig nam hij het kind op, wikkelde het in den doek, om het voor de scherpe koude te beschutten en daalde den heuvel af naar het dorp toe; en zijn metgezel verwonderde zich zeer over zijne dwaasheid en over de weekheid van zijn hart.

En toen zij in het dorp kwamen, zeide hij tot hem:

“Gij hebt het kind, geef mij nu den doek, want het is niet meer dan billijk, dat wij samen deelen.”

Maar de andere antwoordde:

“Neen, want die doek behoort evenmin aan u als aan mij, maar alleen aan het kind.”

En na hem goeden avond gewenscht te hebben, ging hij naar zijn huis en klopte aan.

En toen zijn vrouw de deur opende en zag, dat haar man ongedeerd thuisgekomen was, sloeg zij hare armen om zijn hals en kuste hem, nam den bundel rijshout van zijn rug, veegde de sneeuw van zijne laarzen en riep hem toe, toch gauw naar binnen te komen.

Maar hij antwoordde haar:

“Ik heb iets in het bosch gevonden en het voor je meegebracht, opdat je er voor zorgen zoudt,” en hij week niet van den drempel.

“Wat is het?” riep zij. “Toon het mij, want leeg is het huis en wij hebben van allerlei noodig.”

En hij maakte den doek los en toonde haar het slapende kind.

“Ach, beste man!” steunde zij, “hebben wij zelf niet kinderen genoeg, dat je nu nog zoo’n vreemd schreeuwertje in huis moet halen, om aan onzen haard mee aan te zitten? En wie weet of het ons geen ongeluk zal brengen! En hoe zullen wij het opvoeden?” En zij was toornig op hem.

“Ja, maar het is een Sterrekind,” antwoordde hij en vertelde haar toen hoe hij het gevonden had.

Maar zij was niet tot andere gedachten te brengen; integendeel bespotte zij hem en riep toornig:

“Onze eigen kinderen hebben geen brood en dan zouden wij nog vreemde kinderen te eten geven? Wie bekommert zich om ons? En wie geeft ons brood?”

“God zorgt zelfs voor de musschen en geeft ze voedsel,” antwoordde hij.

“Sterven de musschen ’s winters niet van honger?” vroeg zij: “en is het nu niet winter?”

De man antwoordde niet, maar hij week ook niet van den drempel.

En een scherpe wind woei van uit het bosch door de open deur naar binnen en deed haar rillen; en huiverende zeide zij tot hem:

“Wilt ge de deur niet sluiten? Een scherpe wind waait door het huis en ik ril van de koude.”

“Waait er niet altijd een scherpe wind door het huis waarin een koud hart woont?” vroeg hij. En de vrouw antwoordde niet, maar schoof dichter bij het vuur.

En na een wijle keerde zij zich om en zag hem aan en hare oogen stonden vol tranen.

Toen trad hij snel naar binnen en legde het kind in hare armen; en zij kuste het en vleide het neer in een klein bed, waarin reeds het jongste van hare kinderen sliep.

En den volgenden morgen nam de houthakker den zonderlingen goud-bestikten doek en borg dien in een groote houten kist, en een ketting van barnsteen, die het kind om den hals droeg, maakte de vrouw los en legde die daarbij.

Zoo werd het Sterrekind met de kinderen van den houthakker grootgebracht en zat met hen aan dezelfde tafel en was hun speelgenoot.

En met elk jaar werd het schooner, zoodat allen, die in het dorp woonden er vol bewondering over waren; want waar zij eene bruine huid en donker haar hadden, daar bleef het kind blank en teer als gesneden ivoor en zijne haarlokken waren als de ringen der affodil. Zijne lippen geleken de bladeren van een rooden bloesem en zijne oogen de viooltjes aan een stroom van helder water, en zijn lichaam was als de narcis op een veld, waar de maaier niet komt.

Maar zijne schoonheid bleek hem ten verderf, want hij werd trotsch en wreed en zelfzuchtig. De kinderen van den houthakker en de andere kinderen van het dorp verachtte hij en zeide, dat zij van geringe afkomst waren, terwijl hij van edele geboorte was, want hij stamde immers van een ster; en hij gebood over hen als ware hij hun meester en noemde hen zijne dienaren. Voor de armen of voor die welke blind, kreupel of anderszins ziek en gebrekkig waren, toonde hij nooit medelijden, maar wierp ze met steenen, verjoeg ze naar den landweg en riep hen toe, dat zij hun brood ergens anders konden gaan bedelen, zoodat alleen zij die te lande verbannen en verstooten waren een tweede maal in het dorp kwamen om een aalmoes te vragen. Ja, hij was als iemand, die de schoonheid boven alles liefhad en hij bespotte de zwakken en gebrekkigen en vermaakte zich ten hunnen koste; alleen zichzelf had hij lief. Des zomers, wanneer de winden sliepen, lag hij dikwijls uitgestrekt aan den rand van de bron in des priesters tuin en keek omlaag in het water, naar het wonder van zijn gelaat en lachte van verrukking over zijne schoonheid.

Dikwijls berispten hem de houthakker en zijn vrouw en zeiden:

“Wij hebben niet zoo tegenover jou gehandeld, als jij nu handelt tegenover hen, die ongelukkig zijn en niemand hebben die ze bij kan staan. Waarom ben je zoo wreed jegens allen die medelijden verdienen?”

Vaak liet ook de oude priester hem tot zich komen en trachtte hem de liefde voor al wat leeft in te prenten en zei de tot hem:

“De vlieg is uw broeder. Doe haar geen kwaad. De wilde vogels, die in het woud rondvliegen, hebben hun vrijheid als eenigst goed. Vang ze niet voor uw genoegen. God schiep de blindslang en den mol en ieder vervult zijn plaats. Wie zijt ge, dat ge smart in God’s rijk zoudt mogen brengen? Zelfs de dieren op het veld prijzen Hem.”

Doch het Sterrekind sloeg geen acht op al die woorden, maar fronste het voorhoofd en hield niet op met spotten en ging naar zijne speelgenooten terug en voerde ze aan. En zijne speelgenooten volgden hem, want hij was schoon, vlug en lenig en hij kon dansen en fluiten en allerlei muziek maken. En wáár het Sterrekind ze ook heen leidde, daar volgden zij hem en wat het Sterrekind ze beval te doen, dat deden zij. En toen hij met een scherppuntig riet den mol de oogen uitstak, lachten zij; en wanneer hij met steenen naar de melaatschen wierp, dan lachten zij ook. In alle dingen heerschte hij over hen en zij werden even hard en gevoelloos als hij zelf.

Toen geschiedde het, dat eens op een dag eene arme bedelares door het dorp kwam. Hare kleederen waren aan flarden gescheurd en hare voeten bloedden door het schrijden over den steenigen weg, waarlangs zij rondgezworven had; zij bevond zich in een zeer beklagenswaardigen toestand. En daar zij vermoeid was, zette zij zich neer onder een kastanjeboom om uit te rusten.

Toen het Sterrekind haar zag zeide hij tot zijne makkers:

“Zie, daar zit een vuile bedelvrouw onder dien mooien, licht-groenen boom. Kom, laten wij haar wegjagen, want zij is leelijk en wanstaltig.”

En zij kwamen naderbij en wierpen haar met steenen en jouwden haar uit en zij staarde vol ontzetting naar hem en wendde den blik niet van hem af. En toen de houthakker, die in de nabijheid hout kloofde, zag wat het Sterrekind deed, liep hij snel naderbij, berispte hem en zeide:

“Waarlijk, ongevoelig is je hart en je kent geen erbarmen, want wat heeft deze arme vrouw je voor kwaad gedaan, dat je haar zoo slecht behandelt?”

En het Sterrekind werd rood van toorn en stampte met den voet op den grond en zeide:

“Wie zijt ge, dat ge mij rekenschap vraagt van wat ik doe? Ik ben niet uw zoon en heb niet noodig te doen, wat gij me beveelt!”

“Dat is waar,” antwoordde de houthakker, “maar ik heb me over je ontfermd, toen ik je in het bosch vond liggen.”

En toen de vrouw deze woorden hoorde, stootte zij een luiden kreet uit, en viel in onmacht.

En de houthakker droeg haar in zijn woning en zijne vrouw zorgde voor haar en toen zij uit hare bewusteloosheid ontwaakte, zetten zij haar spijs en drank voor en spraken haar moed toe.

Doch zij wilde niet eten noch drinken, maar sprak tot den houthakker:

“Zeidet gij niet, dat ge het kind in het bosch gevonden hebt? En gebeurde dat niet heden tien jaar geleden?”

En de houthakker antwoordde:

“Ja, in het bosch heb ik hem gevonden en dat gebeurde heden tien jaar geleden.”

“En welke herkenningsteekens vondt gij bij hem?” riep zij. “Droeg hij niet een ketting van barnsteen om den hals? En was hij niet gewikkeld in een doek, die met gouddraad geweven en met sterren bestikt was?”

“Ja zeker,” antwoordde de houthakker, “het was zooals gij zegt.”

En hij nam den doek en de barnsteenen ketting uit de houten kist, waarin zij lagen en toonde ze haar.

En toen zij ze zag, schreide zij van vreugde en sprak:

“Het is mijn kind, dat ik in het bosch verloor. Ik smeek u, laat hem dadelijk komen, want alleen om hem te zoeken, heb ik door heel de wereld rondgezworven!”

En de houthakker en zijn vrouw gingen heen en riepen het Sterrekind en zeiden tot hem: “Ga naar huis, want daar zult ge je moeder vinden, die op je wacht.”

En hij liep naar huis vol verwondering en vervuld van groote vreugde. Doch toen hij zag, wie daar binnen op hem wachtte, lachte hij verachtelijk en zeide:

“Nu, waar is dan mijne moeder? Want ik zie hier geen ander wezen dan die leelijke bedelvrouw!”

En de vrouw antwoordde hem:

“Ik ben je moeder.”

“Ge zijt krankzinnig!” riep het Sterrekind toornig. “Ik ben niet uw zoon, want gij zijt een bedelares en ge zijt leelijk en in lompen gehuld. Maak dus dat ge wegkomt en laat mij niet langer uw onoogelijk gezicht zien.”

“Houd op, want je bent waarachtig mijn kleinen zoon, dien ik in het bosch droeg,” riep zij en zonk op hare knieën en strekte de armen naar hem uit. “Roovers hebben je gestolen en toen laten liggen, opdat je sterven zoudt,” fluisterde zij; “maar ik herkende je dadelijk toen ik je zag en de herkenningsteekens, den van gouddraad geweven doek en de barnsteenen ketting, heb ik ook teruggevonden. Ik bid je, kom dus met mij mede, want door de heele wereld heb ik rondgezworven om je te zoeken. Kom met mij mede, mijn zoon, want ik heb je liefde zoo noodig.”

Maar het Sterrekind verroerde zich niet en sloot de deuren, die naar zijn hart voerden voor haar af, en men hoorde geen ander geluid dan het snikken der vrouw, die van smart weende.

En ten slotte sprak hij tot haar en zijn stem klonk hard en bitter.

“Wanneer ge dan waarlijk mijne moeder zijt,” zeide hij, “zou het beter geweest zijn wanneer ge weggebleven waart, in plaats van hier te komen om schande over mij te brengen; want ik meende het kind van een ster te zijn en niet dat van eene bedelares, zooals gij beweert. Ga dus heen, en laat mij u niet meer zien.”

“Ach, mijn zoon!” riep zij uit, “wilt ge mij niet kussen eer ik heenga? Want veel heb ik moeten verdragen, aleer ik je vinden kon.”

“Neen!” zeide het Sterrekind, “want gij zijt te leelijk om aan te zien, en eer zou ik een adder of een pad kussen dan u.”

Toen stond de vrouw op, ging het bosch in en weende bitter; en toen het Sterrekind zag, dat zij heen was gegaan verheugde hij zich en liep terug naar zijne speelgenooten om weer met hen te spelen.

Maar toen zij hem zagen aankomen bespotten zij hem en riepen:

“Foei! je bent zoo leelijk als een pad en zoo afzichtelijk als een adder. Maak dat je wegkomt, want wij willen niet langer met je spelen!” En zij verjoegen hem uit den tuin.

En het Sterrekind fronste het voorhoofd en sprak tot zich zelf:

“Wat beduidt dat, wat zij daar zeggen? Ik zal naar de bron gaan en me daarin spiegelen en die zal mij mijne schoonheid toonen.” En hij ging naar de bron en keek er in en zie! zijn gelaat was als dat van een pad en zijn lichaam was geschubt als dat van een adder. En hij wierp zich neer in het gras en schreide en sprak tot zich zelf:

“Waarlijk, dit is over mij gekomen, wegens mijne zonde. Want mijne moeder heb ik verloochend en heb haar weggejaagd en ik ben trotsch en wreed jegens haar geweest. Daarom wil ik nu heengaan en haar heel de wereld door zoeken en niet rusten, aleer ik haar gevonden heb.”

En daar kwam het dochtertje van den houthakker tot hem en zij legde haar hand op zijn schouder en sprak:

“Wat deert het, of je je schoonheid verloren hebt? Blijf bij ons en ik zal je niet bespotten.”

Maar hij zeide tot haar:

“Neen, want ik ben wreed jegens mijne moeder geweest en tot straf is dit kwaad over mij gekomen. Daarom moet ik nu heengaan van hier, totdat ik haar zal gevonden hebben en zij mij vergiffenis schenkt.”

En hij liep het woud in en riep zijne moeder en smeekte haar tot hem te komen, maar hij kreeg geen antwoord. Den ganschen dag riep hij om haar en toen de zon onderging, legde hij zich neer op een leger van droge bladeren om te slapen. En de vogels en andere dieren vluchtten voor hem, want zij dachten aan zijne wreedheid; hij was dus heel alleen; slechts de padde keek hem aan en de trage adder schuifelde voorbij ….

En den volgenden morgen stond hij op en plukte bittere bessen van de boomen, at ze, en vervolgde toen weenend zijn weg door het groote bosch. En aan alles wat hij maar tegenkwam vroeg hij, of men misschien ook zijne moeder gezien had.

Hij zeide tot den mol:

“Gij kunt tot onder den grond doordringen. Zeg mij, is mijne moeder daar?”

En de mol antwoordde:

“Je hebt mijne oogen blind gemaakt, hoe zou ik het dus kunnen weten?”

En tot den vlasvink zeide hij:

“Gij kunt over de toppen der hooge boomen vliegen. Zeg me, kunt ge mijne moeder niet vinden?”

En de vlasvink antwoordde:

“Je hebt mijne vleugels uit louter vermaak gekortwiekt; hoe kan ik nu nog vliegen?”

En tot het kleine eekhorentje, dat in den dennenboom huisde en eenzaam was, zeide hij:

“Waar is mijne moeder?”

En het eekhorentje antwoordde:

“Je hebt de mijne gedood. Wil je nu ook trachten de uwe te dooden?”

En het Sterrekind weende en boog het hoofd en vroeg God’s schepselen om vergeving en ging verder het woud door om naar de bedelares te zoeken. En op den derden dag bereikte hij het andere eind van het bosch en daalde neer in de vlakte ……

En wanneer hij door de dorpen liep, dan bespotten hem de kinderen en wierpen hem met steenen; en de boeren wilden hem niet eens in de stal laten slapen, uit vrees, dat hij den meeldauw over het ingehaalde koren zou kunnen brengen, zoo afzichtelijk was hij om aan te zien, en hunne daglooners jaagden hem weg, en niemand had medelijden met hem.

En nergens hoorde hij iets van de bedelares, die zijne moeder was, ofschoon hij drie jaren lang in de wereld rondzwierf en dikwijls meende haar voor zich uit op den weg te zien; dan riep hij haar en liep haar achterna, totdat zijne voeten door de scherpe kiezelsteenen bloedden. Maar nooit kon hij haar inhalen en zij, die aan den weg woonden, ontkenden steeds haar ooit gezien te hebben, noch iemand die op haar geleek, en zij lachten om zijn leed.

Drie jaren lang zwierf hij door de wereld rond en in die wereld was noch liefde, noch goedheid, noch medelijden voor hem; maar het was een wereld, zooals hij die in de dagen van zijn grooten hoogmoed om zich heen had doen ontstaan.

En op een avond kwam hij aan de poort eener vestingstad, die aan een stroom gelegen was, en ofschoon hij vermoeid was en zijne voeten bloedden wilde hij toch nog de stad binnengaan. Maar de soldaten, die op wacht stonden lieten hunne hellebaarden voor den ingang nederdalen en snauwden hem barsch toe:

“Wat heb je in de stad te zoeken?”

“Ik zoek naar mijn moeder,” antwoordde hij “en ik smeek u, mij binnen te laten, want het zou toch mogelijk kunnen zijn, dat zij zich in deze stad bevindt.”

Maar zij lachten hem uit en een hunner schudde zijn zwarten baard en terwijl hij zijn schild neerzette, riep hij:

“Waarlijk, heel blij zal je moeder wel niet zijn, wanneer ze je ziet, want je bent leelijker dan de pad van de waterplas en dan de adder die in het moeras rondkruipt. Scheer je weg, scheer je weg! Je moeder woont niet in deze stad.”

En een ander, die een gele vlag in de hand droeg, zeide tot hem:

“Wie is je moeder en waarom zoek je haar?”

En hij antwoordde:

“Mijn moeder bedelt even als ik en ik heb haar slecht behandeld; en ik smeek u, laat mij binnen, opdat zij mij vergiffenis schenke, wanneer zij in deze stad mocht vertoeven.”

Maar zij wilden er niet van hooren en staken met hunne speren naar hem. En toen hij zich schreiend omwendde kwam er een, wiens wapenrusting met gouden bloemen was ingelegd en op wiens helm een gevleugelde leeuw lag en hij vroeg aan de soldaten, wie daareven verlangd had binnen te komen. En zij zeiden tot hem:

“Het was een bedeljongen en de zoon van een bedelares en wij hebben hem weggejaagd.”

“Zoo,” riep hij lachend uit, “maar laat ons dien vogelverschrikker als slaaf verkoopen, en wel om den prijs van een schaal vol zoeten wijns.”

En een oude man met een boosaardig gezicht die juist voorbij kwam, riep:

“Ik wil hem wel tot dien prijs koopen,” en toen hij den prijs betaald had, nam hij het Sterrekind bij de hand en voerde hem in de stad.

En nadat zij door vele straten geloopen waren, bereikten zij langs een muur eene kleine deur, die achter een granaatappelboom verborgen lag. En de oude man raakte de deur aan met een ring van geslepen jaspis en zij sprong open en toen daalden zij vijf ijzeren treden af naar een tuin, waarin zwarte klaprozen groeiden en groene aarden kruiken stonden. En de oude man nam uit zijn tulband een doek van veelkleurige zijde, bond daarmede het Sterrekind de oogen toe en duwde het voor zich uit. En toen de blinddoek hem van de oogen genomen werd, bevond hij zich in een kerker, die door een hoornen lantaarn verlicht werd.

En de oude man zette hem op een houten bord eenig beschimmeld brood voor en zeide: “Eet,” hij reikte hem toen gezout water in een beker en zeide: “Drink,” en toen hij gegeten en gedronken had, ging de oude man heen, sloot de deur achter zich dicht en grendelde haar met een ijzeren ketting.

En den volgenden dag kwam de oude man, die de sluwste aller Libische toovenaars was en zijne kunsten geleerd had van een, die in de graven aan den Nijlstroom huisde, op nieuw tot hem en sprak:

“In een woud, dicht bij deze stad van Ongeloovigen, liggen drie stukken goud. Het eene is van wit goud, het andere van geel goud en het goud van het derde stuk is rood van kleur. Heden moet gij mij het stuk wit goud brengen en wanneer ge het niet meebrengt, zal ik je honderd slagen geven. Begeef je fluks op weg, bij zonsondergang zal ik je aan de deur van den tuin afwachten. Doe je best om het witte goud te vinden of het zou je slecht bekomen, want je bent mijn slaaf en ik heb je om den prijs van een schaal zoeten wijn gekocht.”

En hij verbond de oogen van het Sterrekind met den doek van gekleurde zijde en voerde hem door het huis en door den klaprozentuin en langs de vijf ijzeren treden opwaarts. En nadat hij de kleine deur met zijn ring geopend had, zette hij hem op straat.

En het Sterrekind ging buiten de poorten der stad en bereikte het bosch, waarvan de toovenaar gesproken had.

En het bosch zag er oogenschijnlijk heerlijk uit en leek vol zingende vogels en zoetgeurende bloemen te zijn en het Sterrekind liep er vroolijk binnen. Maar die schoonheid was hem van weinig nut, want waar hij ook ging, daar sproten scherpe dorens en stekelige ranken uit den grond omhoog en omslingerden hem; leelijke brandnetels staken hem en de distels verwondden hem met hunne scherpe priemen, zoodat hij in grooten nood verkeerde. En nergens kon hij het stuk wit goud vinden, waarvan de toovenaar gesproken had, ofschoon hij het van den morgen tot den middag zocht, en van den middag tot aan zonsondergang. En met zonsondergang keerde hij huiswaarts en schreide bitter, want hij wist wat hem te wachten stond.

Toen hij echter den zoom van het woud bereikt had, hoorde hij van uit het dichte struikgewas een kreet als van iemand, die in nood verkeert. En hij vergat zijn eigen leed, liep terug en vond een kleinen haas, gevangen in een val, die door een jager daar was opgesteld.

En het Sterrekind had medelijden met het haasje en bevrijdde hem, zeggende:

“Zelf ben ik ook niet anders dan een slaaf en toch kan ik je de vrijheid teruggeven.”

En de haas antwoordde hem en zeide:

“Waarlijk, je hebt me mijn vrijheid teruggegeven, hoe kan ik je nu op mijn beurt van dienst zijn?”

En het Sterrekind zeide tot hem:

“Ik zoek naar een stuk wit goud en kan het nergens vinden en wanneer ik het mijnen heer niet breng, zal hij mij slaan.”

“Kom met mij mee,” zeide de haas, “en ik zal er je heen voeren, want ik weet waar het verborgen ligt en tot welk doel.”

En het Sterrekind volgde het haasje en zie! in de spleet van een grooten eikenboom lag het stuk wit goud dat hij zocht. En hij was uiterst verblijd, greep het en zeide tot den haas:

“Den dienst, dien ik je bewees heb je me in veel grooter mate vergolden en de barmhartigheid, die ik je betoonde werd wel honderdvoudig beloond.”

“Neen,” antwoordde de haas, “want zoo als ge jegens mij gehandeld hebt, zoo handelde ik ook jegens u.”

En haastig liep hij heen en het Sterrekind keerde naar de stad terug.

En aan de poort van de stad zat een man, die melaatsch was. Over zijn geheele aangezicht hing een kap van grijs linnen en door de gaten voor de oogen zag men zijne pupillen gloeien als vurige kolen. Toen hij het Sterrekind, zag aankomen, sloeg hij op een houten bekken, rinkelde met zijn bel, riep hem aan en zeide:

“Geef mij een geldstuk, anders moet ik van honger sterven. Want men heeft mij uit de stad verdreven en niemand heeft medelijden met mij.”

“Ach!” riep het Sterrekind, “ik heb slechts een stuk goud in mijn zak en wanneer ik het mijnen meester niet breng, zal hij mij slaan, want ik ben zijn slaaf.”

Maar de melaatsche smeekte en bad zoolang, totdat het Sterrekind medelijden kreeg en hem het stuk wit goud gaf.

En toen hij voor het huis van den toovenaar kwam, opende deze de deur, leidde hem naar binnen en zeide:

“Heb je het stuk wit goud?”

En het Sterrekind antwoordde:

“Ik heb het niet.”

Toen wierp de toovenaar zich op hem, sloeg hem onbarmhartig, zette een leeg bord voor hem neer en zeide: “Eet,” en ook een leegen beker en zeide: “Drink!” en daarop duwde hij hem weer in den kerker.

En den volgenden morgen kwam de toovenaar opnieuw tot hem en zeide:

“Wanneer je mij heden niet het stuk geel goud thuis brengt, zal ik je voor goed als mijn slaaf houden en je drie honderd stokslagen geven.”

En het Sterrekind ging in het bosch en heel den dag door zocht hij naar het stuk geel goud, maar nergens kon hij het vinden. En toen de zon ter kimme daalde zette hij zich neer en begon te schreien, en terwijl hij zoo schreide, kwam de kleine haas, dien hij uit zijn val bevrijd had naar hem toe geloopen.

En de haas zeide tot hem:

“Waarom schreit ge en wat zoek je in het woud?

En het Sterrekind antwoordde:

“Ik zoek een stuk geel goud, dat hier verborgen is en wanneer ik het niet vind, zal mijn meester mij slaan en mij als zijn slaaf bij zich houden.”

“Volg mij,” riep de haas en hij liep door het bosch, totdat hij aan een waterplas kwam. En op den bodem van den plas lag het stuk geel goud.

“Hoe zal ik je danken?” zeide het Sterrekind, “want zie! dit is reeds de tweede maal, dat je mij geholpen hebt.”

“Ja, maar je hebt het eerst medelijden met mij gehad,” zeide de haas en ijlings draafde hij heen.

En het Sterrekind nam het stuk geel goud en stak het in zijn zak en liep haastig terug naar de stad.

Maar de melaatsche zag hem komen, ging hem tegemoet, knielde neer en riep: “Geef mij een stukje geld, anders moet ik van honger sterven.”

En het Sterrekind antwoordde hem:

“Ik heb alleen een stuk geel goud in mijn zak en wanneer ik het mijn meester niet breng, zal hij mij slaan en als zijn slaaf bij zich houden.”

Maar de melaatsche smeekte hem zoo dringend, dat het Sterrekind medelijden met hem kreeg en hem het stuk geel goud gaf.

En toen hij aan het huis van den toovenaar gekomen was, opende deze hem en liet hem binnen en zeide:

“Heb je het stuk geel goud?”

En het Sterrekind zeide:

“Ik heb het niet.”

Toen wierp de toovenaar zich op hem, sloeg hem, belaadde hem met ketenen en sloot hem weer op in den kerker.

En den volgenden morgen kwam de toovenaar tot hem en zeide:

“Wanneer je mij heden het stuk rood goud brengt zal ik je vrij laten. Maar wanneer je het mij niet brengt, zal ik je doodslaan, wees daar zeker van.”

En het Sterrekind ging naar het bosch en zocht den geheelen dag naar het stuk rood goud, maar nergens kon hij het vinden. En toen het avond werd zette hij zich neer en schreide en toen hij zoo schreide, kwam de kleine haas tot hem.

En de haas zeide:

“Het stuk rood goud, dat je zoekt ligt in het hol achter je. Schrei dus niet langer, maar wees blijde.”

“Hoe zal ik ’t je ooit vergelden!” riep het Sterrekind, “want zie! dit is de derde maal, dat je me geholpen hebt.”

“Ja, maar jij hadt toch ’t eerst medelijden met mij,” zei het haasje en liep ijlings heen.

En het Sterrekind ging binnen in het hol en in den verst-verwijderden hoek vond hij het stuk rood goud. En hij stak het in zijn zak en snelde terug naar de stad.

En de melaatsche zag hem aankomen en zich midden op den weg plaatsende, riep hij hem en zeide:

“Geef mij het stuk rood goud, anders moet ik sterven.”

En het Sterrekind had wederom medelijden met hem en gaf hem het stuk rood goud, zeggende:

“Uw nood is grooter dan de mijne.” Maar zijn hart was zwaar, want hij wist, welk treurig lot hem wachtte.

Maar zie! toen hij door de stadspoort kwam, bogen de schildwachten zich voor hem en huldigden hem en zeiden:

“Hoe schoon is onze Heer!”

En een schare van burgers volgde hem en riep:

“Waarlijk, in heel de wereld is niemand schooner dan hij!

En het Sterrekind schreide bitter en sprak tot zich zelf:

“Zij bespotten mij en scheppen behagen in mijne ellende.”

Doch zoo groot werd de toeloop van het volk, dat hij de richting van zijn weg verloor en zich ten laatste op een groot plein bevond, waarop het paleis van een koning stond.

En de poort van het paleis opende zich en de priesters en hooggeplaatste burgers der stad schreden hem tegemoet, bogen zich voor hem en zeiden:

“Gij zijt onzen Heer, op wien wij gewacht hebben en de zoon van onzen Koning.”

En het Sterrekind antwoordde hen en sprak:

“Ik ben geenszins eens Konings zoon, maar het kind van eene arme bedelares. En waarom zegt gijlieden, dat ik schoon ben, terwijl ik toch weet, hoe afzichtelijk mijn gelaat is om aan te zien.”

Toen hield degene, wiens wapenrusting met gouden bloemen was ingelegd en op wiens helm een gevleugelde leeuw lag, zijn schild hoog opgeheven en riep:

“Waarom zegt mijn Heer, dat hij niet schoon is?”

En het Sterrekind keek er in, en zie! zijn gelaat was zoo als het vroeger geweest was; zijne schoonheid was teruggekeerd en in zijne oogen zag hij iets, dat hij er vroeger nooit in bemerkt had.

En de priesters en hooge staatsburgers knielden neer en zeiden tot hem:

“Sinds langen tijd is voorspeld geworden, dat degene, die over ons heerschen moet, heden zou verschijnen. Onze heer en meester neme daarom deze kroon en dezen schepter uit onze handen en heersche in rechtvaardigheid en genade als Koning over ons”.

Maar hij sprak tot hen:

“Ik ben zulks niet waardig, want ik heb de moeder, die mij droeg, verloochend en ik mag niet rusten aleer ik haar gevonden en hare vergiffenis ontvangen heb. Laat mij dus heengaan, want ik moet wederom over de wereld zwerven en mag hier niet blijven, al biedt gij mij ook kroon en schepter aan.” En terwijl hij sprak, wendde hij het gelaat van hen af en blikte naar de straat die tot de stadspoort voerde, en zie! onder de schare, die zich om de soldaten drong, zag hij de bedelares, die zijne moeder was en naast haar stond de melaatsche man, die aan den weg gezeten had.

En een vreugdekreet weerklonk van zijne lippen en hij snelde naar haar toe, knielde neer en kuste de wonden aan zijn moeder’s voeten en bevochtigde ze met zijne tranen.

Hij boog het hoofd in het stof, en snikte als een wiens hart breken zal en sprak tot haar:

“Moeder, ik verloochende u in het uur van mijn hoogmoed. Neem mij weer tot u, in het uur van mijn ootmoed. Moeder, ik gaf u haat. Geef gij mij liefde. Moeder, ik stootte u van mij. Neem gij nu Uw kind weer tot u.”

Maar de bedelares antwoordde hem met geen enkel woord.

En hij strekte de handen uit en omvatte de witte voeten van den melaatschen en sprak tot hem:

“Driemaal betoonde ik u medelijden. Zeg mijne moeder, dat zij eenmaal nog tot mij spreke.”

Maar de melaatsche antwoordde hem met geen enkel woord.

En wederom snikte hij en sprak:

“Moeder, mijn lijden is zwaarder dan ik dragen kan. Schenk mij uwe vergiffenis en laat mij terugkeeren in het woud.”

En de bedelares legde hem de hand op het hoofd en sprak:

“Sta op!” En ook de melaatsche legde hem de hand op het hoofd en sprak eveneens:

“Sta op.” En hij stond op en keek ze aan en zie!…. Zij waren een Koning en een Koningin.

En de Koningin zeide tot hem:

“Dit is uw vader, dien ge geholpen hebt.”

En de Koning zeide:

“Dit is uwe moeder, wier voeten ge met uwe tranen besproeid hebt.”

En zij vielen hem om den hals en kusten hem en geleidden hem in het paleis; zij kleedden hem in prachtige gewaden en zetten hem de kroon op het hoofd en legden hem den schepter in de hand en hij regeerde over de stad aan den stroom en was haar heerscher.

Vol rechtvaardigheid en genade was hij voor allen; den slechten toovenaar verbande hij, aan den houthakker en zijne vrouw zond hij vele rijke geschenken en hunne kinderen bewees hij veel eer. En hij duldde niet, dat eenig mensch wreed was voor vogels of vee, maar leerde liefde, goedheid en erbarmen; en den armen schonk hij brood en den naakten kleederen en er heerschte vrede en welvaart in het gansche land.

Maar lang regeerde hij niet, zoo bitter was zijn lijden en zoo zwaar waren zijne beproevingen geweest; en na drie jaren stierf hij.

Doch hij, die na hem kwam heerschte met wreede hand en strenge tucht, en nood en jammer kwamen over het land.

EINDE

EINDE

Colofon
66 of 87
14 pages left
CONTENTS
Chapters
Highlights