Derde hoofdstuk.

Zesde hoofdstuk.

Een weinig geschiedenis.

Op het tijdstip—’t welk nog tot onzen tijd behoort—dat de gebeurtenis, in dit boek verhaald, plaats had, was er niet, zooals thans, een stadssergeant aan den hoek van iedere straat, maar vloeide het in Parijs over van zwervende kinderen. De statistiek geeft een middelbaar cijfer van tweehonderd zestig kinderen zonder woonplaats, die toen jaarlijks door de politieronden op den openbaren weg, in allerlei schuilplaatsen en onder de bogen der bruggen gevonden werden. Een dezer nesten, dat berucht is gebleven, heeft „de zwaluwen der brug van Arcola” voortgebracht. ’t Is overigens het rampzaligste der maatschappelijke verschijnselen, dat al de misdaden van den man met het zwerven van het kind een aanvang nemen.

Wij zonderen echter Parijs uit. In een zekere mate, en in weerwil van ’t geen wij vermelden, is deze uitzondering gegrond. Terwijl in iedere andere groote stad een zwervend kind, als ’t man is geworden, verloren gaat, terwijl schier alom het aan zich zelf overgelaten kind eenigerwijs bestemd en gedoemd is tot een soort van noodlottige dompeling in misdaden, welke hem van eerlijkheid en geweten berooft, is de straatjongen van Parijs,—wij moeten hierop drukken—hoe gehavend en geschonden hij uiterlijk zij, inwendig schier ongedeerd. ’t Is heerlijk er op te wijzen en het blinkt uit in de eerlijkheid onzer volksomwentelingen; de idée, welke in de Parijsche lucht is, veroorzaakt een soort van bederfwerend zout als dat van het water des oceaans. In Parijs te ademen, is het behoud der ziel.

Wat wij hier zeggen vermindert de hartsbeklemming, die men telkens gevoelt als men een dier kinderen ontmoet, welke men als gebroken familiebanden ziet fladderen. Bij de tegenwoordige nog zoo onvolmaakte beschaving is het niet ongewoon, dat gezinnen vervallen, die niet eens weten wat van hun kinderen is geworden en ze op de openbare straat laten rondzwerven. Dit is de oorzaak van zoo veler donker lot. Men noemt dit, want deze treurige zaak is een spreekwijze geworden: „Op de straat geworpen te zijn.”

’t Zij in het voorbijgaande gezegd, dat door de oude monarchie deze verlatenheid der kinderen niet werd tegengegaan. Een weinig landlooperij onder de lagere klassen kwam de hoogere kringen niet ongelegen en strekte ten dienste der machtigen. De afkeer van het onderwijs der kinderen van het volk was een leerstuk. Waartoe „halve verlichting?” Dat was het orderwoord. Het zwervende kind is het gevolg van het onwetende kind.

Ook had de monarchie soms kinderen noodig en dan schuimde zij de straat.

Onder Lodewijk XIV, om niet verder terug te gaan, wilde de koning met recht een vloot scheppen. Een goed denkbeeld. Maar laat ons het middel zien. Er bestaat geen vloot, zoo men bij het zeilschip, een speeltuig van den wind, niet het vaartuig heeft, om het des vereischt te boegseeren, opdat het òf door riemen, òf door stoom gaat waarheen men wil; destijds waren de galeien voor de zeevaart, wat thans de stoomschepen zijn. Er waren alzoo galeien noodig, maar de galei wordt slechts door roeiers in beweging gebracht; men had dus roeiers noodig, dat is, galeislaven. Colbert liet door de intendanten der provinciën en door de parlementen zooveel mogelijk tuchtelingen maken. De rechterlijke macht ging hierbij zeer voorkomend te werk. Zoo iemand den hoed op het hoofd hield bij het voorbijgaan eener processie was hij een hugenoot en men zond hem naar de galeien. Zoo men een knaap op de straat vond, die vijftien jaar oud was en niet wist waar hij woonde, zond men hem naar de galeien. Een groote regeering; een groote eeuw.

Onder Lodewijk XV verdwenen de kinderen te Parijs; de politie ontvoerde ze, men weet niet voor welk geheimzinnig doel. Men fluisterde met ontzetting van afschuwelijke vermoedens omtrent de purperbaden des konings. Barbier spreekt zeer naïef van deze dingen. Het gebeurde vaak dat de agenten, die kinderen moesten hebben, dezulken namen die vaders hadden. De wanhopige vaders liepen de agenten te lijf. In zoodanig geval kwam het parlement tusschenbeide en liet ophangen—wie? de politieagenten? Neen, de vaders.

Zevende hoofdstuk.

De straatjongen vindt zijn plaats in de klassificatie der Indiën.

De Parijsche straatjongens vormen schier een kaste. Men zou kunnen zeggen: dat niet ieder die wil er toe behooren kan.

Dat woord gamin werd voor het eerst gedrukt en kwam uit de volks- in de boekentaal in 1834. ’t Was in een werkje, getiteld Claude Gueux dat dit woord gevonden werd. De ergernis was groot, maar het woord bleef in gebruik.

De elementen, die den straatjongens onder elkander aanzien geven, zijn zeer verschillend. Wij hebben er een gekend, die zeer geacht en bewonderd werd, wijl hij een man van den top van den toren van Notre Dame had zien vallen; een ander, wijl het hem gelukt was op de achterplaats te komen waar voorloopig de beelden voor den dom der invaliden waren geplaatst, en ze lood had weten te ontnemen; een derde, wijl hij een diligence had zien omstorten; nog een, wijl hij een soldaat „kende” dien een burger bijna het oog had uitgeslagen.

Dit verklaart dezen uitroep van een Parijschen straatjongen, iets diepzinnigs waarover men lacht zonder het te begrijpen: „Mijn hemel! wat ben ik ongelukkig; ik heb nog nooit iemand uit de vijfde verdieping zien vallen.”

Zekerlijk is het antwoord fraai van een boer, wien gevraagd werd: „Vriend, uw vrouw is aan haar ziekte overleden; waarom hebt ge niet om den dokter gezonden?”—„Wat zal ik u zeggen, mijnheer, wij arme lieden sterven vanzelf.” Ligt nu in deze woorden de geheele lijdelijkheid van den boer, dan zekerlijk ligt de geheele, bandelooze vrijheid van denken van den voorstadsknaap in die andere. Een ter dood veroordeelde luistert op de kar naar zijn biechtvader. De Parijsche jongen roept: Hij praat met den paap, o de fielt!

Dat de straatjongen in godsdienstzaken tamelijk oneerbiedig is, daarop laat hij zich niet weinig voorstaan. ’t Geeft aanzien als hij vrijgeest is.

Hij acht het een plicht de doodsvoltrekkingen bij te wonen. Men wijst elkander de guillotine lachend en geeft ze allerlei namen: De laatste lepel soep, de laatste hap enz. enz. Om niets van de zaak te missen klimt men op muren, op balkons, op boomen; hangt zich aan de hekken, klemt men zich aan schoorsteenen. De straatjongen is evenzeer tot leidekker als tot zeeman geboren. Voor een dak is hij evenmin bevreesd als voor een mast. Geen feest is voor hem bij een terechtstelling op het Grève-plein te vergelijken. Samson en de abbé Montès, deze namen zijn populair. Men beschimpt den veroordeelde om hem te bemoedigen. Soms bewondert men hem. Toen Lacenaire, als straatjongen, den afschuwelijken Dautun moedig zag sterven, zeide hij deze woorden, waarin een toekomst ligt besloten: „Ik benijdde hem.” De straatjongen kent niet Voltaire, maar wel Papavoine. In hetzelfde verhaal verwart hij „staatkundigen” met moordenaars. Hij weet hoe allen het laatst gekleed waren, deze had een hoed, gene een pet op; de een was kaal en blootshoofd, een ander was blozend en gezond; weder een andere twistte met zijn moeder. „Verwijt elkander toch niets!” riep een straatjongen hun toe. Een straatjongen, te klein om in het gedrang een veroordeelde te kunnen zien voorbijgaan, klimt op een lantaarnpaal. Een gendarm ziet hem en fronst de wenkbrauwen.—Laat mij gerust klimmen, mijnheer de gendarm, zegt de jongen, ik zal niet vallen.’t Is mij onverschillig of ge valt, was het antwoord.

In de straatjongens-wereld wordt een gewichtig ongeluk in hooge waarde gehouden. Men heeft het toppunt bereikt, zoo men zich „tot op het been” gesneden heeft.

De vuist is een krachtig element van eerbied. Iets wat de straatjongen het liefst zegt is: „Ik verzeker u, dat ik sterk ben.” Links te zijn is benijdenswaard. Scheel te zien wordt geacht.

Achtste hoofdstuk.
7 of 214
3 pages left
CONTENTS
Chapters
Highlights