ELFDE HOOFDSTUK.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

De zonderlinge geschiedenis van Jonathan Small.

Die inspecteur in het rijtuig was een zeer geduldig man, want het duurde buitengewoon lang eer ik mij weder bij hem voegde. Zijn gelaat verduisterde toen ik hem de ledige kist toonde.

„Daar gaat de belooning,” zeide hij verdrietig, „waar niets is, heeft de keizer zijn recht verloren.”

Mr. Thaddeus Sholto is een rijk man,” troostte ik, „hij zal uw moeite wel niet onbeloond laten.”

De inspecteur schudde moedeloos het hoofd.

„Het is een erge teleurstelling,” zuchtte hij, „dat zal Mr. Athelney Jones ook wel zeggen.”

Zijn voorgevoel scheen juist te zijn, want de detective keek leelijk op zijn neus, toen ik in Baker-Street terugkwam en hem de ledige kist vertoonde. Zij waren zooeven eerst aangekomen,—Holmes, de gevangene en hij; want zij hadden in zooverre hun plan gewijzigd, dat zij onderweg op een politie-bureau het rapport hadden opgemaakt. Mijn metgezel lag met zijn gewoon lusteloos gelaat in zijn armstoel, terwijl Small tegenover hem zat. Toen ik de ledige kist vertoonde, wierp deze zich luid lachend achterover in zijn stoel.

„Dat is uw werk, Small,” zei Athelney Jones woedend.

„Ja; ik heb hem ergens geborgen, waar gij hem nooit zult vinden,” riep hij op sarrenden toon, „het is mijn schat, en als ik hem niet bezitten mag, zal ik wel zorg dragen dat een ander dat ook niet doet. Ik zeg u dat geen sterveling er recht op heeft behalve de drie mannen, die zich in gevangenschap op de Andaman-eilanden bevinden, en mijn persoon. Ik weet nu dat noch ik noch zij er gebruik van zullen kunnen maken. Ik heb evengoed voor hen als voor mij zelven gehandeld. Het „teeken der vier” heeft altijd tusschen ons bestaan. Welnu, ik weet dat zij mijn daad zouden goedkeuren en ook den schat liever in de Theems zouden werpen dan hem aan een nakomeling van Sholto of Morstan in handen te spelen. Wij vermoordden Achmet niet om hen rijk te maken. Gij kunt den schat vinden waar de kleine Tonga en de sleutel zijn. Toen ik zag dat uw boot ons moest inhalen, wierp ik den inhoud in de rivier. Er valt dezen keer niets voor u te verdienen.”

„Gij misleidt ons, Small,” zeide Athelney Jones ernstig, „indien gij den schat in de Theems hadt willen werpen, dan ware het gemakkelijker voor u geweest kist en àl weg te werpen.”

„Makkelijker voor mij om weg te werpen en ook makkelijker voor u om haar terug te vinden,” antwoordde hij met een boosaardigen blik, „de man die slim genoeg was om mij op te sporen is zeker slim genoeg om een ijzeren kist op te visschen. Nu de kostbaarheden echter over een lengte van ongeveer vijf mijlen verstrooid zijn, zal er wel niets van terecht komen. Het ging mij wèl aan het hart; ik was half waanzinnig toen gij ons achterop kwaamt. Maar nu treur ik er niet meer om. Ik heb voor- en tegenwind in het leven gehad, maar ik heb geleerd dat gedane zaken geen keer nemen.”

„Dat is zeer erg voor u, Small,” zeide de detective, „indien gij de justitie behulpzaam waart geweest, inplaats van haar te dwarsboomen, zou dit bepaald van gunstigen invloed op uw vonnis geweest zijn.”

„Justitie,” grijnsde de ex-banneling. „Een fraaie justitie! Wien anders dan ons behoorde deze rijkdom? Welke justitie kan mij dwingen om hem af te staan aan hen die er geen voet voor verzet hebben?—Luistert, wat ik er voor gedaan heb! Twintig lange jaren in dat koortsverspreidende moeras, elken dag aan den arbeid in de mijn-groeve, elken nacht geketend in de volgepropte hokken, gebeten door de muskieten, geslagen met de zweep, en behandeld als een hond door elken verwenschten zwarten bewaker, die zich vol vreugde aan een blanke te goed deed. Zóó verkreeg ik dien Agra-schat en gij spreekt tot mij van justitie en rechtvaardigheid, omdat ik de gedachte niet kon verdragen dat ik er dezen prijs voor betaald heb, opdat een ander hem zoude bezitten! Ik zou liever een poos hangen, of een van Tonga's doornen in mijn huid hebben dan in de gevangenis te zitten met de gedachte, dat een ander met het geld dat mij toebehoort in een paleis woont!”

Small had zijn masker van onverschilligheid afgelegd, en dit alles sprak hij op woesten toon, terwijl zijne oogen vlammen schoten en de boeien tegen elkaar rammelden, door de heftige beweging zijner handen.

Toen ik de woede van den man gadesloeg, begreep ik dat het geen ongegronde of onnatuurlijke angst geweest was, die majoor Sholto bevangen had, toen hij voor de eerste maal vernam dat de getergde galeiboef zijn spoor gevonden had.

„Gij vergeet dat wij niets van dit alles weten,” zei Holmes kalm, „wij hebben uwe geschiedenis niet gehoord, en kunnen dus niet oordeelen in hoeverre het recht aan uwe zijde is geweest.”

„Welnu, sir, hoewel ik het aan u te danken heb, dat ik deze armbanden weder om mijn polsen draag, hebt ge mij toch steeds fatsoenlijk toegesproken, en draag ik u geen wrok toe. Indien gij mijne geschiedenis wenscht te vernemen, verlang ik u die niet te onthouden. Elk woord dat ik tot u spreek is volkomen waar.—Dank u,—gij kunt het glas hier naast mij zetten, dan kan ik er als mijn lippen droog worden met mijn mond bijkomen.


„Ik ben geboortig uit Worcestershire, in den omtrek van Pershore. Indien gij daar een onderzoek zoudt instellen, zoudt gij er nog een menigte Smalls vinden. Ik heb er dikwijls aan gedacht om er eens weder heen te gaan, maar de waarheid is, dat ik nooit erg bij mijn familie in gunst stond, en ik betwijfelde het of men ginds wel zoo buitengewoon verheugd zoude zijn, mij te zien.

„Het waren allen rustige, welvarende menschen: kleine boeren, wijd en zijd geacht en bemind, terwijl ik altijd meer op een roover geleek. Ten laatste echter, toen ik omstreeks achttien jaar oud was, veroorzaakte ik hun geen last meer, want ik kwam in ongelegenheid wegens een meisje en kon mij nog juist bijtijds er uit redden door het handgeld der Koningin op te strijken en dienst te nemen naar Indië.

„Ik was echter niet voor het soldaten-leven geboren. Ik had nauwelijks den pas leeren houden en mijn geweer behandelen, toen ik dwaas genoeg was om in den Ganges te gaan zwemmen. Gelukkig voor mij was de sergeant van mijn compagnie tegelijkertijd in het water en een der beste zwemmers van het leger. Juist toen ik het midden van de rivier bereikt had, greep mij een krokodil en hapte mij het rechterbeen boven de knie zoo glad af, dat het hem geen dokter kon verbeteren. Door schrik en bloedverlies verloor ik mijn bewustzijn, en zou gewis verdronken zijn, indien Holder mij niet gegrepen had en met mij naar den oever ware gezwommen. Ik lag er vijf weken door in het hospitaal en toen ik er eindelijk met een houten plaatsvervanger kon uitstrompelen, was ik ongeschikt voor den dienst evenals voor andere werkzaamheden.

„Gij kunt u licht voorstellen hoe ongelukkig ik mij gevoelde, als een gebrekkig en nutteloos schepsel op nog geen twintigjarigen leeftijd. Maar mijn ongeluk nam spoedig een gunstigen keer. Een man, met name Abel White, die zich als indigo-planter gevestigd had, verlangde een opzichter over den arbeid zijner koelies. Hij was toevallig een vriend van onzen kolonel, die mij sedert het ongeval zijne belangstelling betoond had. Kortom: mijn kolonel beval mij ten zeerste voor de betrekking aan, en daar het werk veelal te paard moest geschieden, was mijn houten been geen bezwaar, omdat ik mij goed in het zadel kon houden. Mijn werkzaamheid bestond in het rondrijden der plantage, om te zien of de slaven wel aan het werk bleven. Het loon was goed, ik had een goed verblijf en alles tezaâm genomen was ik tevreden met het vooruitzicht om mijn gansche leven op deze indigo-plantage door te brengen. Mr. Abel White was een vriendelijk man, en dikwijls kwam hij in mijn kleine hut een pijp met mij rooken, want in de Oost of West zijn de blanken veel eigener met elkander dan dit in Europa het geval zoude zijn.

„Maar mijn geluk was nooit van langen duur. Plotseling en zonder de minste waarschuwing brak de groote opstand uit. De eene maand was Indië uiterlijk zoo stil en eenzaam als Surrey of Kent; en de volgende braken er tweemaal honderdduizend zwarte duivels los en geleek het geheele land een hel. Gij weet daar zeker alles van, heeren; gewis zelfs meer dan ik, omdat ik geen liefhebber van lezen ben. Ik weet slechts wat ik met mijn eigen oogen gezien heb. Onze plantage lag op een plaats Muttra genaamd, dicht bij de Noord-westelijke provinciën. Nacht op nacht was het gansche uitspansel verlicht door de brandende bungalows, en dag op dag trokken er kleine gezelschappen Europeanen door onze plaats met hunne vrouwen en kinderen op weg naar Agra, waar onze troepen in garnizoen lagen. Mr. Abel White was een onverzettelijk man. Hij had zich in het hoofd gezet dat de zaak overdreven werd, en dat het oproer even snel zoude eindigen als het begonnen was. Zoo zat hij rustig onder zijne veranda, zijne whisky drinkende en cheroots rookende, terwijl rondom hem het land in lichtelaaie stond. Het spreekt van zelve dat wij bij hem bleven; ik en Dawson, die met zijn vrouw als boekhouder en huishoudster fungeerden. Welnu, op zekeren dag barstte de bom los. Ik was naar een afgelegen plantage geweest, en reed des avonds langzaam naar huis, toen mijn oog op een ineengedoken gedaante op den bodem van een steilen afgrond viel. Ik reed naderbij om te zien wat het was, en de schrik sloeg mij om het hart toen ik zag dat 't het in stukken gesneden lichaam van Dawson's vrouw was, reeds half verscheurd door jakhalzen en inlandsche honden. Een weinig verderop lag Dawson zelf dood op den weg met een ongeladen revolver in zijn hand en vier Sepoys doodgeschoten tegenover hem. Ik hield mijn paard in, niet wetende welke richting ik zoude nemen; maar op dat oogenblik zag ik dikke, kronkelende rook opstijgen uit de bungalow van Abel White en terstond daarop de vlammen uit het dak slaan. Toen begreep ik dat ik mijn meester niet meer te hulp kon komen, en alleen nog mijn eigen leven in gevaar kon brengen. Vanaf de plaats waar ik stond kon ik honderden van de zwarte duivels zien dansen en hooren huilen rondom het brandende huis. Eenigen wezen naar mij en onmiddellijk floten er een paar kogels langs mijn hoofd. Ik snelde dus voort door de paddivelden en bevond mij laat in den nacht in veiligheid te Agra.

Doch spoedig bleek het dat de veiligheid ook dáár veel te wenschen overliet. Het geheele land geleek op een bijenzwerm. Daar de Engelschen zich in kleine troepen konden bijeenvoegen, behielden zij juist zooveel als hunne geweren reikten. Overal elders waren zij hulpelooze vluchtelingen. Het was een gevecht van millioenen tegen honderden; en het wreedste van de zaak was dat deze mannen die wij bevochten met voetvolk, ruiterij en kanonnen, onze eigen opgerichte troepen waren, die wij onderwezen en afgericht hadden, en die thans onze eigen wapens gebruikten en onze eigen kogels op ons afschoten. Te Agra lagen het 3e regiment Bengaalsche fusiliers, een afdeeling Sikhs, twee eskadrons ruiterij en een batterij artillerie. Er had zich een korps vrijwilligers, uit schrijvers en kooplieden bestaande, gevormd, en daarbij voegde ik ook mij, met mijn houten been. In het begin van Juli trokken wij uit om de oproerlingen te Shahgunge te ontmoeten en sloegen hen voor eenigen tijd terug, doch ons kruit raakte op en wij waren genoodzaakt op de stad terug te trekken.

„Van alle zijden vernamen wij het ergste,—wat niet te verwonderen is,—want als gij op de kaart ziet, zult gij zien, dat wij ons in het hart van het oproer bevonden. Lucknow ligt meer dan honderd mijlen verder oostwaarts en Cawnpore evenver naar het Zuiden. In elke richting heerschte niets dan marteling, moord en brandstichting.

„Agra is een groote stad, vol met dweepzieke en gevaarlijke duivelbanners van allerlei soort. Onze handvol volk ging bijna verloren in de nauwe, kronkelende straten. Daarom trok onze aanvoerder de rivier over en koos zijn stelling in het oude fort van Agra. Ik weet niet of een uwer ooit omtrent dit oude fort gehoord of gelezen heeft. Het is het grootste dat ik ooit gezien heb. Ik denk dat de ruimte vele morgen land beslaat. Er is een nieuwer gedeelte, dat meer dan genoegzame ruimte aanbood voor ons gansche garnizoen, vrouwen, kinderen, provisie en allerlei bijbehoorende zaken. Maar dit gedeelte beteekent niets in vergelijking met den omvang van het oude, dat door niemand bezocht wordt en dat overgelaten is aan de schorpioenen en slangen. Het is vol groote, verlaten zalen, kronkelende gangen, en lange corridors, zoodat men er gemakkelijk in verdwalen kan. Om deze reden ging er ook zelden iemand alleen heen, hoewel van tijd tot tijd een gezelschap met brandende toortsen op onderzoek uitging.

„De rivier stroomt langs het oude fort en beschermt het, maar op zijde en aan den achterkant bevinden zich een menigte deuren en deze moesten zoowel in het oude als nieuwere gedeelte, dat door onze troepen bewoond werd, bewaakt worden. Wij kwamen handen te kort, met nauwelijks manschappen genoeg om de hoeken van het gebouw te bezetten en de kanonnen te bedienen. Daardoor was het ons onmogelijk om bij ontelbare poorten genoegzame wachten te plaatsen. Deswege organiseerden wij een centraal-wachthuis in het midden van het fort en stelden wij elke poort onder de bewaking van een blanke en twee of drie inboorlingen. Ik werd uitgekozen om gedurende eenige uren van den nacht de wacht te houden bij een kleine afgelegen deur aan de zuid-westelijke zijde van het gebouw. Twee Sikhs werden onder mijn bevel geplaatst en mijn instructie luidde om bij het minste onraad mijn geweer af te vuren, opdat men mij uit de centraal-wacht onmiddellijk te hulp zou komen. Daar mijn wacht echter ruim twee honderd passen daarvan verwijderd was, en de ruimte tusschen ons doorsneden was met een doolhof van gangen en corridors, betwijfelde ik het zeer of men bij een overvalling wel spoedig genoeg ter plaatse zoude kunnen zijn.

„Welnu, ik was aardig trotsch op het mij gegeven commando, wijl ik slechts vrijwilliger, en nog wel met een houten been was. Reeds twee nachten hield ik de wacht met mijne Punjaubees. Het waren slanke, flink uitziende kerels, Mahomed Singh en Abdullah Khan geheeten, beiden oude gedienden, die te Chilian Wallah de wapens tegen ons gedragen hadden. Zij spraken tamelijk goed Engelsch, maar ik kon weinig van hen gewaar worden. Zij gaven er de voorkeur aan om den ganschen nacht bij elkander te staan en hun leelijke Sikhsche taal te spreken. Wat mij betreft, ik was gewoon buiten het hek te gaan staan, en over de breede voorbijstroomende rivier naar de lichten van de groote stad te staren. Het roffelen van trommen, het ratelen der tomtoms en het geschreeuw der oproerlingen, dronken van opium en woede, waren voldoende om ons gedurende den ganschen nacht aan onze gevaarlijke buren aan gene zijde van den stroom te herinneren. Om de twee uren was de officier van de wacht gewoon de ronde te doen langs de posten om zich te vergewissen dat alles in orde was.

„De derde nacht van mijn wacht was duister en mistig en er viel een lichte, doordringende, regen. Het was ondoenlijk om bij zulk weder uren achtereen voor het hek te staan. Ik trachtte herhaaldelijk mijne Sikhs aan het praten te krijgen, doch zonder het gewenschte gevolg. Om twee uur in den morgen kwam de ronde voorbij, en bracht eenige afwisseling teweeg. Ziende dat mijne metgezellen niet tot spreken te bewegen waren, nam ik mijn pijp en legde mijn geweer even af om een lucifer aan te strijken. In hetzelfde oogenblik vlogen de twee Sikhs op mij aan. Een hunner richtte de loop van mijn geladen geweer op mijn voorhoofd, terwijl de ander een groot mes op mijn keel zette en een eed deed, dat hij bij de minste beweging die ik maakte zou toestooten.

Mijn eerste gedachte was dat deze knapen in verbinding stonden met de oproerlingen en dat dit het begin van een aanval was. Indien de deur, die wij bewaakten, in de handen der Sepoys viel, dan was de plaats verloren, en zouden de vrouwen en kinderen behandeld worden, gelijk te Cawnpore. Gij zoudt kunnen denken, heeren, dat ik dit te mijnen gunste vertel, doch ik verzeker u, dat ik, toen ik dit bedacht,—hoewel ik de punt van het mes op mijn keel voelde,—mijn mond opende met het voornemen om zoo luid mogelijk alarm te schreeuwen, al moest het mij dan ook het leven kosten. De man die mij vasthield scheen mijn gedachten te raden; want toen ik mijn adem ophaalde om het te doen, fluisterde hij: „Maak geen geraas. Het fort is veilig genoeg. Aan deze zijde der rivier zijn geen oproerige honden.”—Er klonk waarheid uit zijn stem, en ik wist, dat als ik mijn stem verhief ik onmiddellijk sterven moest. Dat las ik in zijne oogen. Ik wachtte daarom in stilte om te zien wat zij van mij verlangden.

„Luister naar mij, Sahib,” zei de slankste en sterkste van het paar, die Abdullah Khan genoemd werd, „gij moet het thans met ons eens zijn of voor altijd tot zwijgen worden gebracht. De zaak is voor ons van te groot belang, om een oogenblik te aarzelen. Of gij verbindt u aan ons met hart en ziel onder eede op het kruis der Christenen, òf uw lijk zal hedennacht in den stroom geworpen worden en wij loopen tot de opstandelingen over. Er bestaat geen middenweg. Wat kiest gij: dood of leven? Wij kunnen u slechts drie minuten bedenktijd toestaan, want de tijd gaat om en alles moet geschied zijn eer de volgende ronde komt.”

„Hoe kan ik een besluit nemen?” vroeg ik, „gij hebt mij niet gezegd wat gij van mij verlangt. Maar dat zeg ik u nu reeds dat ik, indien het iets is dat in strijd is met de veiligheid van het fort, er niets mede te maken wil hebben; dus kunt gij in dit geval gerust toesteken.”

„Het is niets tegen het fort,” zeide hij, „wij vragen u slechts dàtgene te doen, waarvoor uwe landgenooten naar dit land komen. Wij vragen van u om rijk te worden. Indien gij hedennacht een der onzen wilt wezen, dan willen wij u op het ontbloote zwaard, en met den drievoudigen eed, die nog nimmer door een Sikh geschonden werd, bezweren, dat gij uw eerlijk deel van de waarde zult ontvangen. Een vierde van den schat zal het uwe zijn. Beter kunnen wij niet spreken.”

„Maar wat is dat dan voor een schat?” vroeg ik, „ik verlang even zoozeer rijk te zijn als gij, als gij mij maar wilt aantoonen op welke wijze ik dit worden kan.”

„Gij wilt dus zweren,” hernam hij, „bij het gebeente van uwen vader, bij de eer uwer moeder, bij het kruis van uw geloof om nu noch later een hand tegen ons op te heffen of een woord in ons nadeel te spreken?”

„Ik wil het bezweren,” antwoordde ik, „op voorwaarde dat het fort er niet door in gevaar komt.”

„Dan zullen mijn kameraden en ik zweren dat gij een vierde van den schat zult ontvangen, die gelijkmatig onder ons vieren zal verdeeld worden.”

„Wij zijn slechts met ons drieën,” merkte ik op.

Neen; Dost Akbar moet ook zijn deel hebben. Terwijl wij op hem wachten kunnen we u de zaak mededeelen. Mahomed Singh, ga gij voor de poort staan en let op als zij komen. Ziehier het geval, Sahib; ik zeg het u, omdat ik weet dat een eed voor u verbindend is en dat wij u kunnen vertrouwen. Indien gij een logenachtige Hindoe geweest waart, al had hij dan ook bij al de goden uit hunne tempels gezworen, dan zou dit mes reeds met uw bloed gekleurd zijn geweest, en uw lichaam op den bodem der rivier liggen. Maar de Sikhs kennen de Engelschen en de Engelschen de Sikhs. Luister dus naar hetgeen ik u te zeggen heb.

„Er leeft in de Noordelijke provinciën een rajah, die hoewel zijn land zeer klein is, groote schatten bezit. Veel daarvan heeft hij van zijn vader geërfd, en nog veel meer heeft hij opgestapeld, want hij bemint niets dan goud. Toen het oproer uitbrak wilde hij zoowel bevriend blijven met den leeuw als met den tijger, met den Sepoy en met den Raj van de Compagnie. Spoedig echter bleek het hem dat de dagen van den blanken man geteld waren, want hij vernam door het gansche land van niets dan hunnen dood en nederlaag. Maar, wijl hij een zorgzaam man was, nam hij zoodanige maatregelen dat, wat er ook mocht gebeuren, ten minste de helft van zijn schat voor hem bewaard zoude blijven. Het goud en zilver hield hij in de kelders van zijn paleis geborgen, maar de meest kostbare edelgesteenten en de zeldzaamste paarlen laadde hij in een ijzeren kist, en zond die door een vertrouwd dienaar, die als koopman vermomd was, naar het fort te Agra, om die daar te verbergen tot de vrede hersteld zoude zijn. Zoodoende zoude hij, indien de opstandelingen het zouden winnen, zijn goud en geld behouden, maar wanneer de Compagnie het won, zouden zijne juweelen in veiligheid zijn. Nadat hij op deze wijze zijne bezittingen gesplitst had, koos hij de partij der Sepoys, omdat die in menigte bij zijne grenzen gelegerd waren. Door zóó te handelen, ziet gij wel, Sahib, dat zijn bezitting toekomt aan hen, die hun vaandel trouw bleven.

„Deze voorgewende koopman, die reist onder den naam van Achmet, bevindt zich thans in de stad Agra, en wenscht in het fort binnen te dringen. Hij heeft als reisgezel mijn zoogbroeder Dost Akbar bij zich, die met zijn geheim bekend is. Dost Akbar heeft beloofd hem hedennacht bij deze zij-poort te brengen. Hij zal terstond hier zijn en zal Mahomed Singh en mij op hem vinden wachten. De plaats is eenzaam en afgelegen, en niemand zal zijn komst bemerken. De wereld zal nooit iets meer van den koopman Achmet vernemen, maar de onmetelijke schat van den Rajah zal onder ons verdeeld worden. Wat zegt gij daarvan, Sahib?”

„In Worcestershire schijnt een menschenleven iets grootsch en heiligs; maar het is geheel iets anders als er vuur en bloed allerwegen om iemand heen is, en men elk oogenblik den dood voor oogen ziet. Of de koopman Achmet leefde of stierf, woog even zwaar voor mij als rook; maar toen ik van dien schat hoorde, sprong mijn hart op van vreugde en verlangen, en dacht ik wat ik er in het oude vaderland mede zou aanvangen, en hoe mijne familieleden zouden opkijken als zij hun deugniet terug zagen komen met zijn zakken vol gouden moidores.

Ik had mijn besluit dus reeds genomen. Maar Abdullah Khan, die dacht dat ik nog aarzelde, beschouwde de zaak nog van een andere zijde.

„Bedenk, Sahib,” zeide hij, „dat wanneer die man door den commandant gevangen genomen wordt, hij gehangen of doodgeschoten zal worden en zijne juweelen door het Gouvernement verbeurd worden verklaard, zoodat er geen sterveling beter van zal worden. Welnu, daar wij ze ons toeëigenen, waarom zouden we dan het overige niet evengoed doen? De juweelen zullen bij ons evengoed bewaard zijn als in de schatkist van het Gouvernement. Er is meer dan genoeg om elk onzer rijk en een groot opperhoofd te maken. Niemand kan iets omtrent de zaak vernemen, want wij zijn hier van de gansche wereld afgezonderd. Hoe kon het ooit beter komen? Zeg dus, Sahib, of gij vóór of tegen ons zijt.”

„Ik ben met hart en ziel vóór u,” zeide ik.

„Het is wel,” antwoordde hij, mij mijn geweer teruggevende, „gij ziet dat wij u vertrouwen, want gij moogt evenmin als wij uw woord breken. Wij hebben nu slechts te wachten op mijn broeder en den koopman.”

„Weet uw broeder dan wat gij doen wilt?” vroeg ik.

„Hij heeft het plan ontworpen. Laat ons nu naar de poort gaan en met Mahomed Singh de wacht houden.”

„Het regende nog steeds, want het was juist het begin van de natte mousson. Zware, donkere wolken dreven langs het uitspansel en men kon nauwelijks een steenworp ver zien. Er lag een diepe gracht voor onze poort, maar het water was op verscheiden plaatsen opgedroogd en kon met gemak doorwaad worden. Het was een vreemde gewaarwording voor mij toen ik daar stond met deze twee wilde Punjaubees te wachten op den man die zijn dood tegemoet kwam.

„Plotseling ontwaarde ik den schijn van een lantaarn aan de overzijde der gracht, in onze richting naderende.

„Daar zijn zij!” riep ik.

„Gij moet hem als gewoonlijk aanroepen, Sahib,” fluisterde Abdullah, „geef hem geen aanleiding tot vrees. Zend ons met hem naar binnen, dan zullen wij de rest doen, terwijl gij hier op wacht blijft. Houd de lantaarn gereed, opdat wij ons kunnen overtuigen dat het inderdaad onze man is.”

„Het licht naderde langzaam tot ik duidelijk twee donkere figuren aan de overzijde van de gracht kon waarnemen. Ik liet hen den glibberigen oever afdalen, door de modder plassen en halverwege bij de poort opklauteren, alvorens ik hen aanriep.

„Werda!” riep ik op gedempten toon.

„Vrienden,” klonk het antwoord. Ik richtte mijn lantaarn en liet het sterke licht op hen vallen.

De eerste was een reusachtige Sikh met een zwarten baard die hem bijna tot aan zijn gordel reikte. Ik had nog nooit zulk een langen man gezien. De ander daarentegen was een klein, dik ventje met een groote gele turban en een in een shawl geknoopt pak in zijn hand. Hij scheen van angst te beven, en zijn hoofd wendde zich onophoudelijk naar links en rechts, met zijn schitterende kleine oogen, evenals een muis die het wagen wil zijn hol te verlaten.

„Uwe bescherming, Sahib,” stamelde hij, „uwe bescherming voor den ongelukkigen koopman Achmet. Ik heb geheel Rajpootana doorreisd om een schuilplaats in het fort te Agra te zoeken. Ik ben beroofd, mishandeld en beleedigd geworden omdat ik een vriend van de Compagnie geweest ben. Gezegend zij deze nacht waarin ik—en mijne geringe bezittingen weder in veiligheid ben.”

„Wat hebt gij in dien doek?” vroeg ik.

„Een ijzeren kist,” antwoordde hij, „die een of twee kleine familiestukken bevat, die voor anderen niet de minste waarde hebben, die het mij smarten zoude te verliezen. Toch ben ik geen bedelaar, en ik zal u, jonge Sahib, en uwen aanvoerder beloonen, indien hij mij de schuilplaats waarom ik vraag, wil verleenen.”

„Ik kon mij zelf niet langer vertrouwen met den man in gesprek te blijven. Hoe meer ik zijn dik, angstig gelaat beschouwde, des te harder viel het mij om hem in koelen bloede te laten vermoorden. Het was dus het best er een einde aan te maken.

„Brengt hem naar de wacht,” zeide ik. De beide Sikhs namen hem in hun midden en de reus wandelde achter hen aan, terwijl zij de donkere poort door gingen. Nimmer was een mensch zoo aan alle zijden door hen ingesloten. Ik bleef met de lantaarn bij de poort. Ik kon hunne gelijkmatige voetstappen door de corridors vernemen. Plotseling hielden deze op en hoorde ik stemmen, een geschuifel en het geluid van slagen. Een oogenblik later vernam ik de naderende schreden en het hijgen van een snel loopend man. Ik keerde mijn lantaarn naar de lange gang, en daar liep de dikke man snel als de wind met een straal bloed langs zijn gelaat, en dicht achter hem springend gelijk een tijger de reusachtige Sikh met den zwarten baard, die met een groot mes in zijn hand zwaaide. Ik heb nooit een mensch zoo hard zien loopen als dien dikken koopman. Hij liet den Sikh reeds achter zich en ik zag dat hij, als hij mij voorbij en in de open lucht zoude zijn, zich nog zou redden.

„Ik kreeg deernis met hem, maar terstond versteende de gedachte aan zijn schat mijn hart. Ik wierp mijn geweer tusschen zijne voeten, terwijl hij langs mij ijlde, en hij rolde als een aangeschoten haas tweemaal over zijn hoofd. Eer hij weder op de been kon komen had de Sikh hem bereikt en stak hem het mes tweemaal in de zijde. De man uitte noch kreet noch zucht en verroerde geen spier, doch bleef onbeweeglijk liggen waar hij gevallen was. Ik denk dat hij bij den val den nek gebroken had. Gij ziet heeren, dat ik mijne belofte houd. Ik verhaal u elk woord omtrent de zaak juist zooals het gebeurde, of het in mijn voordeel is of niet.”

Hier zweeg hij en strekte zijn geboeide handen uit naar de whisky met water, die Holmes voor hem had gereed maakt. Wat mij betreft ik moet zeggen dat ik nu den grootsten afschuw voor den man gevoelde, niet alleen wegens den koelbloedigen moord waarbij hij betrokken was geweest, maar nog meer wegens de onverschillige en ongevoelige wijze waarop hij het verhaalde. Welke straf hem ook te wachten stond, ik gevoelde dat hij van mijne zijde geen sympathie zou ondervinden. Sherlock Holmes en Jones zaten met hunne handen op de knieën, met groote belangstelling,—doch met denzelfden afkeer op hun gelaat, naar zijn verhaal te luisteren. Hij merkte dit waarschijnlijk op, want er klonk verachting uit zijn stem toen hij vervolgde:

„Het was alles gewis zeer slecht,” zeide hij, „maar ik zou wel eens willen weten hoevele jongens in mijn plaats geweigerd zouden hebben om een deel van dien schat aan te nemen, met de wetenschap dat men hen, als zij eenig bezwaar zouden maken, de keel zoude afsnijden. Bovendien gold het, toen hij eenmaal het fort binnen was, mijn leven of het zijne. Indien hij eruit gekomen ware dan zou de geheele zaak aan het licht gekomen zijn en men zou korte metten met mij gemaakt,—en mij als een hond hebben doodgeschoten; want de lieden waren in dien tijd niet erg langdradig.”

„Ga voort met je geschiedenis,” zei Holmes kortaf.

„Welnu; Abdullah, Akbar en ik, wij droegen hem met ons drieën naar binnen. Hoe kort hij ook was, woog hij toch zeer zwaar. Mahomed Singh werd achtergelaten om de poort te bewaken. Wij brachten hem naar een plaats die de Sikhs reeds vooruit bepaald hadden. Zij was eenigszins veraf, waar een kronkelende gang naar een groote, ledige, zaal voert, waarvan de rood-steenen muren geheel afgebrokkeld waren. Op eene plaats was de aarden vloer ingezonken, en vormde een natuurlijk graf: dus legden wij Achmet daarin en bedekten de opening met puin en steenen. Dit gedaan zijnde begaven wij ons naar den schat.

„De schat lag nog waar hij hem, toen hij de eerste maal werd overvallen, had neergeworpen. De kist was dezelfde die thans voor u op tafel staat. Er hing een sleutel aan een zijden koord aan dat uitgewerkt handvat van boven. Wij openden haar en het licht van de lantaarn viel op een collectie edelgesteenten waarvan ik als kind wel eens te Pershore gelezen had. Het was een verblindend gezicht. Toen wij onze oogen te goed hadden gedaan, namen wij ze allen er uit en maakten er eene lijst van op. Er waren honderd drie-en-veertig diamanten van het eerste water, met inbegrip van een, die naar ik geloof „de Groote Mogol” werd genoemd, en als de tweede der grootste steenen der wereld werd beschouwd. Dan waren er zeven-en-negentig buitengewoon fijne smaragden, en honderd-en-zeventig robijnen, waarvan enkelen echter zeer klein waren. Nog waren er veertig karbonkels, twee-honderd-en-tien safieren, een-en-zestig agaten, en een groote hoeveelheid berils, onyxen, katteoogen, turkoisen en andere steenen, wier namen mij destijds onbekend waren, hoewel ik mij sedert dien tijd beter op de hoogte ervan heb gesteld. Daarenboven waren er omstreeks driehonderd zeer fijne paarlen, waarvan er twaalf in een gouden kroon gezet waren. Na verloop van tijd moeten deze er uitgenomen zijn, want ik vond ze niet weder toen ik mij van den schat had meester gemaakt.

„Nadat wij onzen rijkdom berekend hadden, legden wij de kostbaarheden weder in de kist en begaven wij ons er mede naar de poort, om ze ook door Mahomed Singh te laten bewonderen. Daarop herhaalden wij plechtig onzen eed om elkander bij te staan en ons geheim te bewaren. Wij kwamen overeen om onzen schat op een veilige plaats te verbergen tot de rust hersteld zou wezen en hem alsdan gelijkmatig onder ons te verdeelen. Het had geen nut dit thans te doen, omdat, als men zulke kostbare steenen in ons bezit mocht vinden, dit achterdocht zou wekken, en er in het fort geen gelegenheid bestond om ze te bewaren. Wij brachten de kist deswege naar dezelfde zaal waar wij het lijk begraven hadden, en maakten daar een holte in den stevigsten muur waarin wij onzen schat plaatsten. Wij teekenden de plaats nauwkeurig aan en den volgenden dag teekende ik vier schetsen van het vertrek, voor elk onzer een, en plaatste „ons teeken der vier” er onder, want wij hadden gezworen dat één altijd voor de overigen zou handelen, zoodat niet een meer recht had dan de ander. Dat is een eed, waaromtrent ik met de hand op het hart kan getuigen, dat ik hem nimmer geschonden heb.

„Welnu, heeren, het is overbodig u te verhalen hoe het met den Indiaanschen opstand is afgeloopen. Nadat Wilson Delhi bemachtigde en Sir Colin Lucknow ontzette, was de kracht der onderneming gebroken. Er werden versche troepen ingevoerd en Nana Sahib vluchtte over de grenslinie. Een vliegende kolonne onder kolonel Greathead kwam naar Agra en joeg er de Pandies uit. De vrede scheen in het land teruggekeerd en wij vieren begonnen reeds te hopen dat de tijd aanstaande was dat wij ons met onzen schat uit de voeten zouden kunnen maken. In één oogenblik werd onze hoop echter verijdeld doordien wij als de moordenaars van Achmet werden gevangen genomen.

„Ziet hier hoe dit zich heeft toegedragen. Toen de Rajah zijne juweelen aan Achmet toevertrouwde, deed hij dit omdat hij wist dat deze een vertrouwd man was. De Oosterlingen zijn echter zeer achterdochtig: wat deed deze Rajah dus? Hij stelde een tweede, nog meer vertrouwd persoon aan om den eerste te bespieden. Deze tweede had in last Achmet geen oogenblik uit het oog te verliezen, en dus volgde hij hem als zijn schaduw. Hij ging ook in dien nacht achter hem aan, en zag hem de poort binnengaan. Bijgevolg dacht hij, dat hij een toevluchtsoord in het fort gevonden had, en verzocht den volgenden dag ook te worden toegelaten, doch kon geen spoor van Achmet ontdekken. Dit scheen hem zoo vreemd, dat hij er met een sergeant over sprak die het ter oore bracht van den commandant. Onmiddellijk werd een nauwkeurig onderzoek ingesteld, en het lijk gevonden. Dientengevolge werden wij juist op het oogenblik dat wij ons het veiligst waanden, alle vier gevangen genomen, en onder beschuldiging van moord voor het gerecht gebracht; drie van ons omdat wij dien nacht op wacht waren geweest, en de vierde omdat het bekend werd dat hij in gezelschap van den vermoorde was binnengekomen. Er kwam geen woord omtrent den schat voor het gerecht aan het licht, want de Rajah was uit Indië gebannen geworden, bijgevolg stelde niemand eenig belang in hem. De moord werd echter zonneklaar bewezen, evenals dat wij er allen bij betrokken waren. De drie Sikhs werden tot levenslangen dwangarbeid en ik ter dood veroordeeld hoewel mijn vonnis later in dezelfde straf als die der overigen veranderd werd.

„Het was wel een verschrikkelijke toestand waarin wij ons toen bevonden. Daar waren wij allen met een ketting aan het been geboeid en met zeer weinig kans om ooit weder vrij te komen, terwijl elk onzer een geheim bezat dat ons, indien wij het konden benuttigen in een paleis had doen wonen. Het was voldoende om iemand razend te maken om stompen en stooten te verdragen van elken kwajongen in uniform, om rijst te eten en water te drinken te krijgen, terwijl die onmetelijke fortuin ginds op hem lag te wachten. Maar ik was altijd zeer volhardend geweest, en zoo wachtte ik ook nu mijn tijd af.

„Ten langen laatste scheen die gekomen te zijn. Ik werd van Agra naar Madras overgeplaatst en van daar naar Blair Island in de Andamans. Op deze plaats bevinden zich weinig blanke veroordeelden, en daar ik mij voortdurend goed gedragen had, genoot ik spoedig eenig voorrecht. Ik kreeg een hut in Hope Town, een klein plaatsje op de helling van Mount Harriet, en werd tamelijk aan mij zelf overgelaten. Het is een akelige, zeer ongezonde plaats en behalve eenige kleurlingen bevolkt met menscheneters die er niet tegen opzagen, ons als zij er kans toe zagen, een vergiftigden doorn toe te blazen. Den ganschen dag moesten wij werken, alleen des avonds werd ons eenigen tijd voor ons zelven gelaten. Onder andere zaken leerden ik dranken gereed maken voor onzen geneesheer en ving dus iets van zijn wetenschap op. Voortdurend zag ik uit naar een kans om te ontsnappen; maar het ligt honderden mijlen van eenig ander land verwijderd, en er is bijna geen wind op deze binnenzeeën bijgevolg was het een verschrikkelijk moeielijke onderneming.

„De geneesheer, Dr. Somerton, was een sterke, jonge man; een groot liefhebber van het spel, waarom de andere jonge officieren des avonds in zijn kamer bijeenkwamen om kaart te spelen. De apotheek, waar ik gewoonlijk de dranken bereidde, grensde aan zijn zitkamer, zoodat ik hunne gesprekken kon hooren en hun spel gadeslaan. Ik ben zelf een groot liefhebber van het kaartspel en het zien vermaakte mij bijna even goed als het zelve te doen. Daar waren dan de majoor Sholto, kapitein Morstan, en luitenant Bromley Brown, die het bevel voerden over de inlandsche troepen, en de geneesheer zelf met nog twee of drie ambtenaren over de gevangenen; allen uitmuntende spelers.

„Welnu, één zaak trof mij reeds spoedig en wel dat de militairen altijd schenen te verliezen en de burgerlijke ambtenaren te winnen. Ik wil daar niet mede zeggen dat er valsch gespeeld werd, maar toch was het zoo. De gevangenbewakers hadden vanaf dat zij op de Andamans gekomen waren, bijna niets anders gedaan dan kaart spelen, en zij kenden elkanders spel op een haar, terwijl de anderen slechts speelden om den tijd te verdrijven en meer onverschillig bij het spel waren. Avond aan avond gingen de militairen armer heen dan zij gekomen waren, en hoe meer geld zij verloren hoe meer verzot zij op het spel werden. Majoor Sholto had het het zwaarst te verantwoorden. Hij placht in het eerst met banknoten en goud te betalen, maar al spoedig kwam het tot wissels, en wel voor groote sommen. Van tijd tot tijd won hij weder een weinig, als om hem den moed niet te doen verliezen en daarna keerde het geluk hem weer hardnekkig den rug toe. Den ganschen dag liep hij vloekend en grommend rond, en begon meer te drinken dan goed voor hem was.

Op zekeren avond verloor hij veel meer dan gewoonlijk. Ik zat in mijn hut toen hij en kapitein Morstan naar het kwartier terug strompelden. Zij waren boezemvrienden, en altijd bij elkander. De majoor raasde wegens zijn verlies.

„Nu is alles op, Morstan,” zeide hij, toen zij mijn hut voorbijgingen. „Ik zal mijn ontslag moeten aanvragen. Ik ben geruïneerd.”

„Onzin, kameraad!” antwoordde de ander, hem op den schouder slaande: „ik heb het er zelf ook slecht afgebracht, maar....” Dat was al wat ik kon hooren, maar het was voldoende om mij tot nadenken te stemmen.

„Een paar dagen later slenterde majoor Sholto langs de plek waar ik aan het werk was en ik nam mijn kans waar en sprak hem aan.

„Ik wenschte uw raad wel in te winnen, majoor,” zeide ik.

„Wel, Small, wat is er?” vroeg hij, zijn sigaar uit den mond nemend.

„Ik wensch u te vragen, sir,” antwoordde ik, „of u ook een geschikt persoon weet aan wien men een verborgen schat kan toevertrouwen. Ik weet een plaats waar zich een half millioen bevindt en daar ik er zelf geen gebruik van kan maken, dacht ik dat het misschien het best zou zijn om het aan de autoriteiten ter hand ter stellen; wellicht zou mijn straftijd dan wel verkort worden.”

„Een half millioen, Small?” stamelde hij, mij doordringend aanziende, als twijfelde hij eraan, of ik wel in ernst sprak.

„Juist, sir; in juweelen en paarlen. Het ligt daar onder het bereik van elkeen. En het ergste is, dat de rechtmatige eigenaar geen aanspraak heeft op de bescherming van de wet.”

„Dan is het het eigendom der Regeering, Small,” stamelde hij; maar hij sprak deze woorden op een toon, waaruit ik afleidde dat ik de rechte, „snaar” getroffen had.

„Gij raadt mij dus om den Gouverneur-Generaal ermede in kennis te stellen?” vroeg ik zoo kalm mogelijk.

„Gij moet vooral niet overijld te werk gaan, want dat zoudt gij later kunnen betreuren. Deel mij de zaak mede, Small.”

„Ik verhaalde hem de gansche geschiedenis, doch eenigszins gewijzigd, zoodat hij de betrokken plaatsen niet kon bepalen. Toen ik mijne mededeeling geëindigd had, bleef hij in gedachten verdiept voor mij staan, en kon ik aan het beven zijner lippen merken, dat er een strijd in zijn binnenste plaats greep.

„Dit is een hoogst belangrijk geval, Small,” zeide hij ten slotte, „gij moet er met niemand meer een woord over spreken, en ik zal u spoedig weerzien.”

„Twee nachten later kwamen hij en zijn vriend, kapitein Morstan, met een lantaarn bij zich in mijn hut.

„Ik wilde kapitein Morstan de geschiedenis die ge mij verhaald hebt uit uw eigen mond doen vernemen, Small,” zeide hij.

„Ik voldeed aan zijn verlangen.

„Het klinkt waar, is 't niet?” vroeg hij, „zou men er op kunnen vertrouwen?”

„Kapitein Morstan knikte bevestigend.

„Luister Small,” zeide de majoor, „mijn vriend en ik, wij hebben de zaak samen overlegd, en wij zijn tot de overtuiging gekomen dat uw geval in geenerlei opzicht een gouvernements-zaak is, maar in elk geval u zelf betreft, en gij gerechtigd zijt te handelen, zooals zulks u het beste lijkt. Nu is de vraag: welken prijs zoudt gij er voor vragen? Het zou kunnen gebeuren dat wij, indien wij aan de gestelde voorwaarden konden voldoen, ons met de zaak zouden willen inlaten.” Hij trachtte zoo koel en onverschillig mogelijk te spreken, doch zijne oogen schitterden van opgewondenheid en begeerte.

„Welnu, wat dit betreft, heeren,” antwoordde ik, mijn best doende, om niettegenstaande mijne opgewondenheid, even koel te blijven als hij, „er bestaat slechts één prijs, die een man in mijne positie kan bepalen. Ik zal uwe hulp noodig hebben, om mij en mijne drie makkers de vrijheid terug te geven. Dan zullen wij u in ons bondgenootschap opnemen en u een vijfde deel afstaan om onder u beiden te verdeelen.”

„Hm!” zeide hij, „een vijfde deel! Dat is niet zeer verleidelijk.”

„Dat zou toch vijftigduizend pond voor elk worden,” zeide ik.

„Maar hoe kunnen wij uwe invrijheidstelling bewerken? Gij weet zeer goed dat gij iets onmogelijks vraagt.”

„In geen geval,” antwoordde ik, „ik heb alles tot in de kleinste bizonderheden overdacht. De eenigste moeielijkheid om te ontsnappen is, dat wij geen boot kunnen machtig worden die voor de reis geschikt is, en geen voldoenden mondvoorraad voor den tijd die ervoor vereischt wordt. Te Calcutta of Madras bevinden zich echter genoeg jachten die zeer goed voor onze onderneming geschikt zouden zijn. Brengt gij dáárvan een hierheen. Dan zullen wij ons hier bij nacht aan boord begeven, en zoo gij ons aan de Indische kust aan land wilt zetten, dan zal de koop gesloten zijn.”

„Indien er slechts spraken ware van één,” zeide hij.

„Geen of allen, antwoordde ik, „wij staan onder een eed. Wij handelen steeds met en voor ons vieren.”

„Gij ziet, Morstan,” zeide hij, „Small is een man van zijn woord. Hij geeft zijne vrienden niet prijs. Ik geloof dat wij hem mogen vertrouwen.”

„Het is een gevaarlijke geschiedenis,” antwoordde de ander, „maar, zooals gij zegt: het geld zou ons goed te stade komen.”

„Welnu, Small,” zei de majoor, „wij moeten dunkt mij, de zaak overdenken en later met u bespreken. Zeg mij waar de kist verborgen is, dan zal ik verlof vragen en mij naar Indië begeven, om de zaak nader te onderzoeken.”

„Niet zoo haastig,” antwoordde ik kalm, „ik moet eerst de toestemming hebben van mijn drie kameraden. Ik herhaal u dat het ons vieren, of geen van ons betreft.”

„Onzin! riep hij, „wat hebben drie zwarten met onze overeenkomst te maken?”

„Zwart of blauw,” zeide ik, „zij zijn het eens met mij, en ik ga niet zonder hen.”

„Welnu; het gevolg was dat er een tweede samenkomst plaats had, waarbij Mahomed Singh, Abdullah Khan en Dost Akbar tegenwoordig waren. Wij bespraken de zaak opnieuw en kwamen tot een schikking. Wij moesten de twee officieren van een plan van het fort te Agra voorzien, waarop de plaats was aangeteekend, waar de schat verborgen was. Majoor Sholto zou naar Indië gaan om zich van de waarheid onzer geschiedenis te overtuigen. Indien hij de kist kon vinden, zou hij haar daar laten en een klein jacht, met genoegzame provisie voor eene reis, uitzenden, dat bij Rutland Island zou ankeren, alwaar het ons zou opnemen,—waarna hij zijn dienst weder zou hervatten. Daarna zou kapitein Morstan verlof aanvragen, om ons te Agra te ontmoeten, en daar zou de schat verdeeld worden, en hij zoowel zijn eigen deel als dat van den majoor in ontvangst nemen.—Dit alles bezwoeren wij met de allerheiligste eeden. Ik bleef den ganschen nacht bezig, en des morgens had ik de twee schetsen gereed, onderteekend met „het teeken der vier”—namelijk: van Abdullah, Akbar, Mahomed en mij zelven.

„Welnu, heeren; ik verveel u met mijn lang verhaal en ik begrijp dat mijn vriend Mr. Jones ongeduldig is om mij in veilige haven te brengen. Daarom zal ik het zoo kort mogelijk maken. De laaghartige Sholto vertrok naar Indië, doch keerde nimmer terug. Kapitein Morstan toonde kort daarna mij zijn naam op een lijst van passagiers van een der mailbooten. Zijn oom was overleden, en had hem een fortuin nagelaten, om hetwelk hij zijn ontslag uit den dienst genomen had. Kort daarna vertrok Morstan naar Agra en bevond, zooals wij verwachtten, dat de schat verdwenen was. De schurk had alles gestolen, zonder één der voorwaarden in acht te nemen, waarop wij hem het geheim hadden verkocht.—Vanaf dien dag leefde ik enkel voor de wraak. Dit werd mijn overweldigende en verterende hartstocht. Ik gaf niets meer om wet of straf.

Mijne eenige gedachte was: te ontsnappen, Sholto op te sporen en bij de keel te grijpen. Zelfs de Agra-schat was mij minder waard geworden, dan Sholto te vermoorden.

„Welnu; al wat ik mij in mijn leven heb voorgenomen heb ik ook ten uitvoer gebracht. Het duurde echter vele verschrikkelijke jaren eer mijn tijd aanbrak. Ik heb u verhaald dat ik mij eenigszins met de geneeskunde vertrouwd had gemaakt. Op zekeren dag, toen Dr. Somerton lijdende was aan koorts, werd door een troep ketting-gangers een kleinen Andamanees opgevangen. Hij was dood-ziek en had zich op een eenzame plek neergelegd om te sterven. Ik nam de zorg voor hem op mij, en na eenige maanden keerde zijne krachten terug. Daardoor vatte hij zekere genegenheid voor mij op, wilde ongaarne naar de bosschen terugkeeren, en zwierf voortdurend in de nabijheid van mijn hut. Ik leerde een weinig van zijn taal van hem en dit deed zijne genegenheid nog meer toenemen.

„Tonga,—want zoo was zijn naam,—was een bekwaam schipper, en bezat een groote, sterk gebouwde kano. Toen ik overtuigd was van zijne genegenheid, en dat hij alles zoude doen om mij van dienst te zijn, sprak ik met hem over eene ontvluchting. Hij moest zijn boot op zekeren nacht aan een onbewaakte aanlegplaats brengen en mij daar opnemen. Ik gelastte hem te zorgen dat hij verscheidene kruiken water, en een groote menigte jams, kokosnoten en zoete potatoes aan boord had.

„Deze kleine Tonga was buitengewoon gezellig en trouw. Op den bepaalden tijd lag zijn boot gereed. Doch, toevallig bevond zich een gevangenbewaarder,—zekere ellendige Pathanees, die mij altijd geplaagd en beleedigd had,—ter plaatse. Thans had ik de gelegenheid om mij op hem te wreken. Hij stond aan den oever, met zijn rug naar mij toegekeerd en zijn karabijn op den schouder. Ik keek rond naar een steen om hem de hersenen in te slaan, doch kon geen enkelen vinden.

Toen kwam er een vreemde gedachte bij mij op, hoedanig ik mij thans van een wapen kon voorzien.

Ik zette mij in de duisternis neder en ontdeed mij van mijn houten been. Met drie sprongen was ik achter hem, en sloeg hem met één enkelen slag ter aarde. Thans snelden wij naar onze boot en binnen een uur waren wij in volle zee. Tonga had al wat hij bezat met zich genomen, zoowel zijne wapenen als afgodsbeelden. Onder meerdere voorwerpen had hij een lange speer van bamboe, en wat Andamansche kokos-matten, waarvan ik een soort zeil vervaardigde. Gedurende tien dagen zwierven wij op goed geluk rond en op den elfden werden wij opgepikt door een koopvaarder, die op weg was van Singapore naar Jeddah met een lading Maleische pelgrims. Het gelukte ons spoedig ons in hun midden te doen opnemen.

Het zou u gewis te lang duren als ik u al mijne avonturen ging verhalen. Wij zwierven de gansche wereld rond, doch hielden ons steeds op een eerbiedigen afstand van Londen. Gedurende al dien tijd verloor ik echter mijn doel niet uit het oog. Ik droomde elken nacht van Sholto; reeds honderden keeren had ik hem in mijn slaap gedood. Ten laatste echter, nu ongeveer vier jaren geleden, waagden wij ons in Engeland. Het viel mij niet moeilijk de woonplaats van Sholto uit te vinden, en ik zette mij aan het werk om gewaar te worden of hij den schat te gelde gemaakt had, of dat hij hem nog in zijn bezit had. Ik maakte mij bevriend met zeker iemand die mij behulpzaam kon zijn,—ik noem echter zijn naam niet, want ik wil geen ander achter slot en grendel helpen;—en vernam al spoedig dat hij de juweelen nog bezat. Toen trachtte ik op allerlei wijzen tot hem door te dringen; maar hij was zeer sluw, en had altijd twee bekende voorvechters, behalve zijne zonen, en een khitmugar om hem te bewaken.

Op zekeren dag echter vernam ik dat hij stervende was. Ik snelde onmiddellijk naar den tuin, als waanzinnig van vrees dat hij mij zoude ontsnappen, en toen ik door het venster loerde zag ik hem te bed liggen, terwijl zijn zoons aan zijne zijde stonden. Ik stond op het punt om naar binnen te klimmen en hen te overvallen, doch juist op dit oogenblik zag ik dat hij stierf. Toch drong ik nog dienzelfden nacht zijn kamer binnen en onderzocht zijne papieren om te zien of ik er uit zou kunnen gewaar worden waar hij den schat verborgen had. Ik vond echter geen woord daaromtrent, en moest dus wanhopig terugkeeren. Alvorens ik heenging bedacht ik, dat indien ik ooit mijn Sikhsche vrienden weder mocht ontmoeten, het eene voldoening voor hen zoude wezen, te weten dat ik een teeken van onzen haat had achtergelaten; daarom schreef ik het „teeken der vier” op een kaart en bevestigde het op het lijk. Al het overige is u reeds bekend. En dat ik u het geheel naar de zuivere waarheid heb verhaald, geschiedde niet om u te vermaken, doch wel omdat ik geloof dat mijn beste verdediging bestaat om niets terug te houden, doch bekend te maken hoe laaghartig ik door majoor Sholto behandeld ben, en hoe onschuldig ik ben aan den dood van zijn zoon.”

„Dit is een hoogst merkwaardig verhaal,” zei Sherlock Holmes, „het overige is mij zeker bekend, behalve dat het uw eigen touw was waarlangs gij uwen weg in de sterfkamer vondt. Tevens had ik gehoopt dat Tonga al zijn doornen verloren had; maar het gelukte hem toch er ons een in de boot te blazen.”

„Hij had ze ook allen verloren, sir, behalve deze eene, die nog in zijn blaas-pijp was achtergebleven.”

„O ja;” zei Holmes, „daar had ik niet aan gedacht.”

„Wenscht u mij nog omtrent het een of ander te ondervragen?”

„Ik dank u,” antwoordde mijn metgezel.

„Welnu, Holmes,” zeide Athelney Jones, „gij zijt iemand met wien men geduld moet oefenen, en wij weten allen dat gij een kenner van misdaden zijt; maar plicht blijft plicht, en ik ben eigenlijk wel wat te ver gegaan met te doen wat gij en uw vriend mij verzocht hebben. Het rijtuig staat nog te wachten, en daar zijn twee inspecteurs beneden. Ik ben u beiden wel verplicht voor uwen bijstand. Men zal u gewis nog nader bij het rechtsgeding noodig hebben. Goeden nacht.”

„Goeden nacht, heeren,” zei Holmes laconiek.

„Gij eerst, Small,” sprak nu Jones tot zijn gevangene, toen zij de kamer verlieten, „ik zal wel zorg dragen dat gij mij niet „knuppelt” met je houten been, wat je ook aan dien heer op de Andaman-eilanden mocht gedaan hebben.”

„Welnu, dit is dus het einde van ons klein drama,” merkte ik op, nadat wij een poos zwijgend hadden zitten rooken, „ik vrees dat het het laatste onderzoek zal geweest zijn waarbij ik het geluk had uw methode te bestudeeren. Miss Morstan heeft mij de eer bewezen mij als haren aanstaanden echtgenoot aan te nemen.”

Hij maakte een ontevreden gebaar.

„Ik heb dat gevreesd,” zeide hij, „ik kan u waarlijk niet feliciteeren.”

Ik werd een weinig ontstemd.

„Hebt gij eenige reden om niet ingenomen te zijn met mijne keuze?” vroeg ik.

„In geen geval. Ik denk dat zij een der bekoorlijkste jonge dames is, die ik ooit ontmoette, en zeer nuttig zoude hebben kunnen worden voor onderzoekingen, zooals wij er thans een hebben ingesteld. Denk maar hoe zij voor alle andere papieren die schets van het Agra-fort bewaarde. Maar liefde is een zaak die invloed heeft op het menschelijk gevoel, en al wat dit doet is in strijd met de ware, koele rede, die ik boven alle gewaarwordingen stel. Ik voor mij zou nimmer huwen, of ik moest mijne gevoelens verloochenen.”

„Ik hoop dat mijn oordeel het uwe zal overleven,” zeide ik lachend, „maar gij ziet er verdrietig uit.”

„Ja; de reactie is gekomen. Ik zal gedurende een week zoo boos als een spin zijn.”

„Vreemd,” antwoordde ik, „hoe zaken, die ik bij een ander man lusteloosheid zou noemen, in strijd zijn met uwe geestkracht.”

„Dat is zoo,” hernam hij, „ik bezit tegelijkertijd de gegevens van een „suffer” en die van een gezellig mensch. Ik denk vaak aan deze regels van Goethe:

„Schade dass die Natur nur einen Mensch aus dir schuf,

Denn zum würdigen Mann war und zum Schelmen der Stoff.”

„A propos, wat die Norwood-geschiedenis betreft, ziet gij dat zij zooals ik veronderstelde, een bondgenoot in het huis hadden, die geen ander kon zijn, dan de huisknecht Lal Rao; en werkelijk heeft Jones het genoegen, een flinken visch gevangen te hebben.”

„De verdeeling schijnt mij niet eerlijk,” merkte ik op, »gij hebt al het werk verricht. Ik verwerf er een vrouw door, Jones de eer... wat blijft er nu voor u over?”

„Voor mij,” zeide Sherlock Holmes, »blijft nog de cocaïne-flesch.”

En hij strekte er zijn lange, witte hand naar uit.

EINDE.


INHOUD.
77 of 106
21 pages left
CONTENTS
Chapters
Highlights