VIERDE HOOFDSTUK.

VIJFDE HOOFDSTUK.

Het drama in Pondicherry Lodge.

Het was omstreeks elf uur toen wij dit einddoel van ons nachtelijk avontuur bereikten. Wij hadden den vochtigen mist van de groote stad achter ons gelaten en de avond was zeer schoon. Er woei een zoele wind uit het Westen en de wolken dreven snel langs het uitspansel, terwijl de halve maan van tijd tot tijd daartusschen zichtbaar was. Het was helder genoeg om tot op eenigen afstand te zien, maar toch nam Thaddeus Sholto een der rijtuig-lantarens ten einde ons beter voor te lichten.

Pondicherry Lodge stond op eigen grond en was omgeven door een zeer hoogen steenen muur, die van boven met glasscherven voorzien was. Een enkele, kleine met ijzer beslagen deur vormde den eenigen ingang. Op deze klopte onze gids op eigenaardige wijze.

„Wie is daar?” riep een grove stem van binnen.

„Ik ben het, Mc. Murdo. Gij kent mijn teeken toch wel.” Men vernam een grommend geluid en het rammelen van sleutels. De deur ging krakend open en een klein, ineengedrongen man stond in de opening, terwijl het gele licht van de lantaarn op zijn terugstootend gelaat en gluipende, wantrouwige oogen viel.

„Gij hier, Mr. Thaddeus? Maar wie zijn de anderen? Ik heb omtrent hen geene orders van mijn meester ontvangen.”

„Niet, Mc. Murdo? Gij verbaast mij! Ik zeide toch gisteravond aan mijn broeder, dat ik eenige vrienden mede zou brengen.”

„Hij is heden nog niet uit zijn kamer geweest, Mr. Thaddeus, en ik heb dus geene orders. Gij weet immers zeer goed dat ik mij stipt daarnaar te gedragen heb. Ik kan u binnen laten, maar uwe vrienden moeten blijven waar zij zijn.” Dit was een onverwachte hinderpaal. Thaddeus Sholto keek hulpeloos om zich heen.

„Dat is toch te erg van u, Mc. Murdo!” zeide hij, „wanneer ik voor hen insta, is dit voldoende voor u. Hier is de jonge lady ook. Zij kan op dit uur toch niet buiten wachten.”

„Het spijt mij zeer, Mr. Thaddeus,” zeide de portier onverbiddelijk, „deze lieden kunnen uwe vrienden zijn, maar daarom nog niet van mijn meester, hij betaalt mij goed om mijn plicht te betrachten en dat zal ik dus ook doen. Ik ken geen uwer vrienden.”

„O ja, dat doet gij wel, Mc. Murdo,” riep nu Sherlock Holmes, „ik kan niet denken dat ge mij vergeten hebt. Herinnert gij u den amateur die drie rondes met u vocht bij den wedstrijd te Alison nu vier jaren geleden?”

„Wel, Mr. Sherlock Holmes!” riep nu de prijsvechter, „hoe is het mogelijk dat ik u niet herkende? Indien gij in plaats van daar te blijven staan, vooruitgekomen waart en mij dien kaakslag van u gegeven hadt, dan zou ik u ongetwijfeld terstond herkend hebben. Gij hebt u toen kranig gehouden! Gij hadt het ver kunnen brengen, indien gij u op het boksen hadt toegelegd.”

„Gij ziet, Watson, dat ik, als alles mij mocht tegenslaan nog een ander beroep kan kiezen,” zei Holmes lachend, „ik ben er zeker van dat onze vriend ons nu niet in de kou zal laten staan.”

„Zeker, komt gij binnen, sir; gij met uwe vrienden,” antwoordde de portier, „het spijt mij wel, Mr. Thaddeus maar mijne orders zijn strikt. Ik moest eerst weten wie uwe vrienden zijn, eer ik hen binnenliet.”

Van binnen voerde een met kiezel bestrooid pad door een eenzaam veld naar een hoog, lomp gebouw, dat geheel in de schaduw lag.

De groote omvang van het gebouw gevoegd bij zijn duister voorkomen en de doodelijke stilte die er heerschte, sloeg ons koud om het hart. Zelfs Thaddeus Sholto scheen niet op zijn gemak te zijn en de lantaarn beefde in zijn hand.

„Ik kan het niet begrijpen,” zeide hij, „er moet eene vergissing plaatshebben. Ik deelde Bartholomeus duidelijk mede, dat wij hier zouden komen en toch is er geen licht aan zijn venster. Ik weet niet wat ik ervan denken moet.”

„Houdt hij altijd zoo zijne beloften?” vroeg Holmes.

„Ja; hij heeft de gewoonten mijns vaders overgenomen. Hij was de bevoorrechte zoon, en somwijlen denk ik dat mijn vader hem meer geopenbaard heeft dan mij. Daar waar nu de maan op schijnt, is Bartholomeus' venster. Ik geloof niet dat er binnen licht brandt.”

„Neen,” zei Holmes, „maar wel zie ik den schijn van een licht door dat kleine venster naast de deur.”

„O, dat is de kamer waar de oude huishoudster, Mrs. Bernstone, zit. Zij kan ons er alles van vertellen.—Doch stil, wat is dat?”

Hij hield de lantaarn omhoog, en zijn hand beefde zoodanig dat wij als het ware te midden der flikkerende lichtstralen stonden. Miss Morstan greep mijn hand en wij bleven allen met kloppend hart staan luisteren. Uit het groote, donkere huis klonk ons het afgebroken angstgeschrei eener vrouw tegen.

„Dat is Mrs. Bernstone,” zei Sholto, „zij is de eenige vrouw in huis. Wacht hier, ik zal in een oogenblik terug zijn.”

Hij snelde op de deur toe en klopte op zijn bizondere wijze. Wij zagen dat een oude vrouw hem binnen liet en van vreugde opsprong toen zij hem zag.

„O, Mr. Thaddeus, wat ben ik blijde dat gij gekomen zijt!” riep zij herhaaldelijk.

Wij hoorden haar gebabbel totdat de deur gesloten was en haar stem in een verwijderd gegons wegstierf.

Onze gids had de lantaarn in ons bezit gelaten. Holmes onderzocht bij het licht ervan het huis en de groote puinhoopen die er omheen lagen. Miss Morstan en ik stonden naast elkander en haar hand rustte in de mijne. De liefde is toch een wonderlijk iets; want hier stonden wij, die elkander vóór dezen dag nog nooit gezien hadden, tusschen wie nog nimmer een woord of blik van genegenheid gewisseld was, en toch zochten zich in dit uur van ongerustheid ons beider handen. Later heb ik mij erover verwonderd, maar toen scheen het mij de natuurlijkste zaak der wereld, en zooals zij mij dikwijls verhaalde, gevoelde ook zij zich instinctmatig ertoe gedreven om bij mij bescherming te zoeken. Zoo stonden wij dus hand in hand als twee kinderen, en ondanks al de duistere zaken die ons omringden, heerschte er vrede in onze harten.

„Wat vreemdsoortige plaats!” zeide zij, om zich heen ziende.

„Het schijnt alsof al de mollen van Engeland hier losgelaten werden. Ik heb eens iets soortgelijks gezien in den omtrek van Ballarat, waar de ontginners aan het werk waren geweest.”

„En om dezelfde reden,” zei Holmes. „Dit zijn de sporen der schatzoekers. Gij moet bedenken dat zij er gedurende zes jaren naar gezocht hebben. Geen wonder dus dat de bodem er uitziet als een grindgroeve.”

Op dit oogenblik vloog de huisdeur open en kwam Thaddeus Sholto met uitgestrekte handen en met het voorkomen van den grootsten angst en ontsteltenis op ons toeloopen.

„Er is iets niet in den haak met Bartholomeus!” riep hij, „ik ben bang. Mijne zenuwen kunnen dat niet doorstaan.”

Hij was inderdaad half dood van angst en zijn zwak gelaat, dat even uit den grooten Astrakan-kraag te voorschijn kwam, geleek volkomen op dat van een banggemaakt kind.

„Komaan, naar binnen,” zei Holmes op zijn korten, gebiedenden toon.

„Ja, doe dat,” smeekte Thaddeus Sholto, „ik gevoel mij werkelijk niet instaat om maatregelen te nemen.”

Wij volgden hem gezamenlijk in de kamer der huishoudster, die ter linkerzijde van de gang was gelegen. De oude vrouw liep op en neer, met een onrustigen blik, maar de verschijning van Miss Morstan had een kalmeerende uitwerking op haar.

„God zegene uw lief, kalm gelaat!” riep zij, zenuwachtig snikkend, „het doet mij goed u te zien. O, want ik heb heden een dag vol angst doorgebracht.”

Onze metgezel greep hare magere, door het werk vereelte hand en sprak op zachten, liefderijken toon, bemoedigende woorden tot de oude vrouw.

„Mijn meester heeft zich opgesloten, en wil mij geen antwoord geven,” verklaarde zij. „Den ganschen dag heb ik gewacht, of ik ook iets van hem zou vernemen, want hij is gewoon zeer dikwijls alleen te blijven; maar een uur geleden maakte ik mij zoodanig ongerust, dat ik het waagde naar boven te gaan, en door het sleutelgat te kijken. Gij moet naar boven gaan, Mr. Thaddeus,—gij moet u zelf gaan overtuigen. Ik heb Mr. Bartholomeus Sholto gedurende tien jaren in vreugde en leed gezien, maar ik zag hem nog nooit met een gelaat als straks.”

Sherlock Holmes nam de lamp en ging ons voor, want Thaddeus Sholto's tanden klapperden hoorbaar. Hij was zoozeer geschokt dat ik mijn hand door zijn arm moest steken toen hij de trap opstrompelde, want zijn knieën beefden. Tweemalen haalde Holmes op de trap zijn lens uit zijn zak en onderzocht nauwkeurig enkele vlekken, die mij niet anders dan stof toeleken op den kokosnoten traplooper. Hij stapte langzaam van de eene trede op de andere, terwijl hij de lamp in de laagte hield en oplettend naar links en rechts keek. Miss Morstan was beneden bij de angstige huishoudster gebleven.

De derde trap voerde naar een tamelijk lange gang, waarin rechts een groot Indiaansch-geweven schilderstuk hing, en links drie deuren zichtbaar waren. Holmes liep die door met denzelfden langzamen en onhoorbaren stap, terwijl wij hem op den voet volgden. De derde deur was degene, die wij zochten. Holmes klopte aan, zonder eenig antwoord te ontvangen, en trachtte toen de kruk om te draaien en haar open te duwen. Zij was echter aan de binnenzijde met een zeer zwaren grendel gesloten, iets wat wij konden zien, toen wij de lamp er vlak voor hielden. Daar de sleutel achter uit het slot genomen was, was het sleutelgat niet geheel dicht. Sherlock Holmes legde zijn oog er tegen, en richtte zich onmiddellijk met ingehouden adem overeind.

„Hier schuilt iets duivelachtigs achter, Watson,” zeide hij meer opgewonden dan ik hem nog ooit gezien had.

„Wat maakt gij eruit op?”

Ik keek door de opening en deinsde ontzet terug. De maneschijn viel in de kamer, zoodat deze schemerachtig verlicht was. Mij aanstarende en als het ware in de lucht zwevende, doordien beneden alles in de schaduw lag, hing daar een gelaat,—hetzelfde als dat van onzen metgezel Thaddeus. Hetzelfde groote glimmende hoofd, dezelfde kring van rood, borstelig haar, en hetzelfde bloedlooze gelaat. Maar de trekken ervan waren tot een afschuwelijken grimlach verwrongen, die het geheel op een lachend doodshoofd deden gelijken. Het gezicht geleek echter zoo sprekend op dat van onzen vriend, dat ik naar hem omkeek om mij te overtuigen of hij inderdaad nog bij ons was. Toen herinnerde ik mij plotseling dat hij ons gezegd had, dat hij en zijn broeder tweelingen waren.

„Dat is verschrikkelijk!” zeide ik tot Holmes, „wat staat ons te doen?”

„De deur moet geopend worden,” antwoordde hij en dit zeggende wierp hij zich met al zijn kracht er tegen. Zij kraakte en dreunde, doch week niet. Nu duwden wij haar te zamen met alle inspanning naar binnen, en ten slotte vloog zij open en stonden wij in de kamer van Bartholomeus Sholto.

Deze kamer scheen tot een chemisch laboratorium te zijn ingericht. Er stond een dubbele rij van gesloten glazen, flesschen en potten op een plank tegenover de deur en de tafel was beladen met spiritus-lampen, toetssteenen en retorten. In een hoek stonden omvlochten kruiken met scherpe zuren. Een daarvan scheen gebarsten of gebroken te zijn, want er was een donkerkleurig vocht uitgelekt en de lucht was vervuld met een buitengewoon scherpen, teerachtigen reuk. Aan eene zijde der kamer waren eenige treden aangebracht voor een ladder en daarboven bevond zich een opening in de zoldering, groot genoeg om een man door te laten. Aan den voet van deze treden lag een lang touw, blijkbaar op onverschillige wijze weggeworpen.

Bij de tafel zat de eigenaar van het huis ineengedoken in een houten armstoel, met zijn hoofd op den rechterschouder gezonken, en dien spookachtigen, afschuwelijken lach op zijn gelaat. Hij was stijf en koud en was blijkbaar reeds sedert verscheidene uren gestorven. Het scheen mij toe dat niet slechts zijn gelaat, maar ook al zijne ledematen verwrongen en verdraaid waren. Naast zijn hand op de tafel lag een vreemdsoortig instrument:—een bruine, knoestige stok met een steenen knop in den vorm van een hamer, die er op ruwe wijze met bamboesstrooken aan verbonden was. Daarneven lag een stuk papier waarop eenige woorden gekrabbeld waren. Holmes wierp er een blik op en reikte het toen aan mij over.

„Gij ziet,” zeide hij met een veelbeteekenenden oogopslag.

Bij het licht van de lantaarn las ik, met een schok van ontzetting: „Het teeken der vier.”

„In 's Hemelsnaam, wat beteekent dit?” vroeg ik.

„Het beteekent moord,” antwoordde hij, den doode naderende. „Ha! ik verwachtte het. Zie hier!”

Hij wees naar een donkerkleurigen doorn, die juist achter het oor uit de huid stak.

„Het schijnt wel een doorn te zijn,” zeide ik.

„Dat is het ook. Gij moogt er hem vrij uithalen. Doch wees voorzichtig, want hij is vergiftig.”

Ik nam het voorwerp tusschen vinger en duim. Het liet zoo gemakkelijk los dat er nauwelijks een teeken achterbleef. Een kleine droppel bloed toonde aan waar de punt was doorgedrongen.

„Dit is alles een onbegrijpelijk geheim voor mij,” zeide ik, „het wordt mij hoe langer hoe meer onverklaarbaar.”

„Integendeel,” antwoordde hij, „het heldert elk oogenblik al meer op. Er ontbreken mij slechts eenige aanwijzingen om een volkomen samenhangend geval vast te stellen.”

Wij hadden sedert wij de kamer waren binnengedrongen bijna de tegenwoordigheid van onzen metgezel vergeten. Hij stond nog op den drempel als de verpersoonlijkte ontzetting, zijn handen wringende en in zich zelve klagende. Plotseling echter schreeuwde hij met een door merg en been dringende stem:

„De schat is weg! Zij hebben hem den schat ontroofd! Daar is de opening waardoor wij hem omlaag lieten. Ik was hem daarbij behulpzaam! Ik heb hem het laatst gezien! Ik verliet hem hier gisteravond, en toen ik de trap afging, hoorde ik hem de deur sluiten.”

„Op welk uur was dat?”

„Om tien uur. En nu is hij dood, en zal de politie geroepen worden, en zal men mij verdenken er de hand in gehad te hebben. O ja, daar ben ik zeker van. Maar gij denkt toch zoo niet, heeren? Neen, gewis? gij denkt niet dat ik het geweest ben? Zou ik u dan wel hierheen gebracht hebben? O wee! o wee! ik weet zeker dat ik krankzinnig wordt!”

Hij zwaaide met zijne armen, en stampte met zijne voeten in de grootste overspanning.

„Gij hebt niets te vreezen, Mr. Sholto,” zei Holmes, hem vriendelijk de hand op den schouder leggende, „volg mijn raad, rijd snel naar het station om de zaak aan de politie mede te deelen. Bied hen aan om hen in alles ten dienste te zijn. Wij zullen hier uwe terugkomst afwachten.”


„Het is het teeken der vier!” Blz. 46. „Het is het teeken der vier!” Blz. 46.

ZESDE HOOFDSTUK.
27 of 106
6 pages left
CONTENTS
Chapters
Highlights