V.

DE TERUGKEER VAN SHERLOCK HOLMES.

Sir ARTHUR CONAN DOYLE Sir ARTHUR CONAN DOYLE

DE TERUGKEER VAN
SHERLOCK HOLMES

DOOR

A. CONAN DOYLE.

Schrijver van:
De Grieksche Tolk, De Hond van de Baskervilles, Een Godsgericht, De Avonturen van Sherlock Holmes, Sherlock Holmes de Detective, De Liefde eener Vrouw, enz.


Geïllustreerd.

RIJSWIJK (Z.-H.)
BLANKWAARDT & SCHOONHOVEN.

I.

Het avontuur van de Opleidingsschool.

Wij hebben het meer dan eens op onze kleine verdieping in Baker-Street bijgewoond, dat personen op dramatische wijze opkwamen of vertrokken, maar ik kan mij niet herinneren ooit iets in dit opzicht te hebben bijgewoond, dat ons meer aangreep dan de eerste verschijning van dr. Thorneycroft Huxtable, hoofdonderwijzer, acte Fransch L. O. enz. Zijn kaartje, dat te klein scheen om het gewicht te dragen van zijn onderwijstitels, was hem eenige seconden voorgegaan en daarna trad hij zelf binnen—zoo groot, zoo afgemeten en zoo waardig, dat hij de belichaming mocht genoemd worden van zelfbeheersching en soliditeit. En toch was het eerste, wat hij deed, toen de deur achter hem was gesloten, niets meer of minder dan zich vast te houden aan de tafel en vervolgens op den vloer te glijden. Daar lag die majestueuse gestalte slap en gevoelloos op onze vloermat. Wij waren beiden opgesprongen en eenige oogenblikken staarden wij in stille verbazing naar het gewichtige stuk wrakhout, dat deed denken aan een plotselingen en noodlottigen storm op de levenszee. Holmes liep spoedig met een kussen naar hem toe om zijn hoofd te steunen, en ik greep de brandewijnflesch om zijn lippen nat te maken. Het breede, witte gelaat was doorploegd met lijnen, die van zorg spraken, de opgezwollen oogleden zagen er loodkleurig uit, de geopende mond trok nu en dan krampachtig samen aan de hoeken en zijn gelaat was niet geschoren. Zijn das en halfhemd droegen de sporen van een langen dag en het haar hing wanordelijk om het goed gevormde hoofd. Het was een uitgeput man, die voor ons lag.

„Wat is het, Watson?” vroeg Holmes.

„Algeheele uitputting—misschien uitsluitend van honger en vermoeienis,” zei ik, met mijn vinger op den pols, waarin de levensstroom nog slechts zwak klopte.

„Een retourtje van Mackleton, in het noorden van Engeland,” zei Holmes, het uit zijn vestjeszak halend. „Het is nog geen twaalf uur. Hij moet dus wel vroeg van huis zijn gegaan.”

Het forsche, bleeke gelaat was doorploegd met lijnen, die zorg verraadden. Het forsche, bleeke gelaat was doorploegd met lijnen, die zorg verraadden.

De zware oogleden begonnen te trillen en een oogenblik later keken een paar grijze oogen ons nieuwsgierig aan. Zoo goed mogelijk trachtte de man vervolgens op te staan, terwijl zijn gelaat rood werd van schaamte.

„Vergeef mij deze zwakte, mijnheer Holmes. Ik ben een weinig overspannen. Dank u, indien u mij een glas melk met een beschuit kondet geven, denk ik wel weer spoedig op te knappen. Ik kwam persoonlijk, mijnheer Holmes, ten einde zeker te zijn, dat u met mij terugkeerdet. Ik was bang, dat een telegram u niet van de absolute noodzakelijkheid en het dringende van dit geval zou overtuigen.”

„Wanneer u geheel en al hersteld zijt,—”

„Ik ben alweer geheel in orde. Ik begrijp niet, dat die zwakte mij zoo eensklaps kon overvallen. Ik zou gaarne zien, mijnheer Holmes, dat u met den volgenden trein met mij naar Mackleton terugkeerdet.”

Mijn vriend schudde het hoofd.

„Mijn collega Watson zou u kunnen zeggen, dat wij op het oogenblik onze handen vol werk hebben. Ik word bezig gehouden door de zaak van de Ferrers Documenten en de Abergavenny moord komt morgen voor. Alleen een zeer belangrijk geval zou mij er toe kunnen brengen, thans Londen te verlaten.”

„Belangrijk!” Onze bezoeker maakte een welsprekend handgebaar. „Hebt u dan niets gehoord van de ontvoering van den eenigen zoon van den hertog van Holdernesse?”

„Wat? Van den vroegeren minister?”

„Juist. Wij hebben getracht er de bladen buiten te houden, maar gisteren avond stond er iets in de „Globe”. Ik dacht, dat het u wel ter oore zou zijn gekomen.”

Holmes strekte zijn langen, dunnen arm uit en haalde Deel H uit zijn Encyclopaedie te voorschijn.

Holdernesse, zesde hertog K. G., P. C.—het halve alphabet! Baron Beverley, Graaf van Carston—lieve hemel, wat een titels! Bovendien nog Lord-Luitenant van Hallamshire sedert 1900. Gehuwd met Edith, dochter van Sir Charles Appledore 1888. Erfgenaam en eenig kind, Lord Saltire. Bezit ongeveer tweehonderd en vijftig duizend aren aan land. Mijnen in Lancashire en Wales. Adres Carlton House Terrace; Holdernesse Hall, Hallamshire; Carston Castle, Bangor, Wales. Lord van de Admiraliteit 1872; Secretaris van—” Wel, wel, deze man is zeker een van de voornaamste onderdanen van de Kroon.”

„De grootste en misschien de rijkste. Ik heb gehoord, mijnheer Holmes, dat u bij uw beroepsaangelegenheden niet juist de goedkoopste pleegt te zijn en dat u bereid is te werken ter wille van het werk. Ik kan u echter meedeelen, dat Zijne Genade reeds te kennen heeft gegeven, dat een chèque van vijf duizend pond zal gegeven worden aan den man, die kan zeggen, waar zijn zoon zich bevindt, en ook duizend pond aan hem, die den man of de mannen kan noemen, welke hem gevangen hebben genomen.”

„Dat is een vorstelijke belooning,” zei Holmes. „Watson, ik denk dat wij dr. Huxtable zullen vergezellen op zijn terugreis naar het noorden van Engeland. En nu, dr. Huxtable, wanneer u die melk hebt uitgedronken, zult u mij wel willen vertellen, wat er gebeurd is, wanneer het gebeurd is, hoe het gebeurd is en eindelijk wat dr. Thorneycroft Huxtable, van de Opleidingsschool bij Mackleton, met de zaak heeft uit te staan, en waarom hij drie dagen na een gebeurtenis komt—de ongeschoren staat van uw kin wijst den datum aan—om mij te vragen mijn diensten te verleenen.”

Onze bezoeker had zijn melk opgedronken en zijn beschuitjes opgepeuzeld. Het licht was weder in zijn oogen teruggekeerd evenals de kleur op zijn wangen, toen hij met veel omhaal van woorden het gebeurde ging uitleggen.

„Allereerst moet ik u meedeelen, heeren, dat mijn Instituut een voorbereidingsschool is, waarvan ik de stichter en het hoofd ben. „Huxtable's Aanteekeningen over Horatius” zal misschien mijn naam bij u meer bekendheid verleenen. Mijn school is zonder twijfel de beste en beroemdste opleidingsschool in Engeland. Lord Leverstoke, de Graaf van Blackwater, Sir Cathcart Soames—zij allen hebben hun zonen aan mijn hoede toevertrouwd. Maar ik voelde, dat mijn school haar toppunt van roem had bereikt, toen, drie weken geleden, de hertog van Holdernesse zijn secretaris, mijnheer James Wilder, zond met het bericht, dat de jonge lord Saltire, oud tien jaar, zijn eenige zoon en erfgenaam, aan mijn zorgen zou worden toevertrouwd. Weinig vermoedde ik, dat dit het voorspel zou wezen van de grootste ramp in mijn leven.

„Den eersten Mei kwam de knaap, daar dan de overgangsexamens plaats hebben. Hij was een aardige jongen en wende spoedig aan zijn nieuwe omgeving. Ik kan u wel zeggen—ik hoop, dat ik niet onbescheiden ben, maar halve mededeelingen geven in een dergelijk geval toch niets—dat hij niet bijzonder gelukkig thuis was. Het is een bekend geheim, dat het huwelijksleven van den hertog niet zeer vreedzaam is geweest en dat de zaak geëindigd is in een scheiding met wederzijdsch goedvinden. De hertogin heeft zich een verblijf gekozen in het Zuiden van Frankrijk. Dat is niet lang geleden gebeurd en men wist, dat de knaap zeer gehecht was aan zijn moeder. Hij was stil en in zich zelf gekeerd na haar vertrek van Holdernesse Hall, en het was om deze reden, dat de hertog hem naar mijn inrichting wilde zenden. Na verloop van veertien dagen voelde de knaap zich echter bij ons thuis en was oogenschijnlijk gelukkig. Het laatst zagen wij hem in den avond van dertien Mei—dat is Maandagavond j.l. Zijn kamer was op de tweede verdieping en men bereikte haar door een andere kamer, waarin twee andere jongens sliepen. Deze jongens zagen of hoorden niets, zoodat het zeker is, dat de jonge Saltire dien kant niet is uitgegaan. Zijn raam was open en daarlangs groeit een mooie klimop. Wij konden beneden na zijn verdwijning geen voetsporen vinden, maar vast staat, dat hier de eenige uitgang was.

„Zijn afwezigheid werd Dinsdagmorgen om zeven uur ontdekt. Zijn bed was beslapen geweest. Hij had zich geheel gekleed, voordat hij wegging en zijn gewoon blauw schoolpak met de donkergrijze broek aangetrokken. Er was hoegenaamd geen aanwijzing, dat iemand de kamer was binnengetreden, en het is zeker, dat, wanneer een worsteling had plaats gehad of ook maar even om hulp geroepen was, zulks zou gehoord zijn, daar Caunter, de oudste jongen in de aangrenzende kamer, zeer licht slaapt.

„Toen Lord Saltire's verdwijning ontdekt was, liet ik terstond alle personen in mijn inrichting bij elkander komen, onderwijzers, dienstpersoneel en de jongens. Toen bemerkten wij, dat Lord Saltire waarschijnlijk niet alleen was geweest bij zijn vlucht. Heidegger, de onderwijzer in het Duitsch, werd ook vermist. Zijn kamer was op de tweede verdieping, aan het andere eind van het gebouw en kwam op dezelfde zijde uit als het vertrek van Lord Saltire. Hij had ook geslapen; maar klaarblijkelijk was hij slechts gedeeltelijk gekleed weggegaan, daar zijn boord en zijn sokken nog in zijn kamer lagen. Hij was ongetwijfeld ook langs het klimop naar beneden geklauterd, want wij konden zijn voetsporen zien, daar waar hij op den grond was neergekomen. Zijn fiets werd bewaard in een klein huisje naast de laan en deze was weg.

„Hij was twee jaar bij mij geweest en kwam met zeer goede getuigschriften; hij was echter een stil en in zich zelf gekeerd man en niet bijzonder populair bij de leerlingen, evenmin als bij de onderwijzers. Van de vluchtelingen kon geen spoor ontdekt worden, en thans op Donderdagmorgen zijn wij even wijs als wij Dinsdag waren. Op Holdernesse Hall werd natuurlijk terstond navraag gedaan. Het is slechts eenige mijlen ver en wij dachten, dat de jongen in een plotseling verlangen naar huis, naar zijn vader was teruggekeerd; daar had men echter niets van hem gehoord of gezien. De hertog is zeer opgewonden—en wat mij betreft, wel, u hebt zelf gezien, in welk een staat van overspanning ik mij bevind ten gevolge van deze zaak. Mijnheer Holmes, indien u ooit al uw vermogens aan het werk zette, smeek ik u het nu te doen, want nooit in uw leven zult u een geval krijgen, dat meer waard is al uw aandacht er aan te besteden.”

Sherlock Holmes had met gespannen aandacht geluisterd naar de mededeelingen van den ongelukkigen schoolmeester. Zijn saamgetrokken wenkbrauwen en de diepe rimpels in zijn voorhoofd toonden aan, dat hij geen aanmoediging behoefde om al zijn aandacht te concentreeren op een probleem, dat, afgescheiden van de groote belangen, die er bij waren betrokken, zoo direct zijn liefde voor het ingewikkelde en ongewone moest opwekken. Hij haalde zijn notitieboekje voor den dag en krabbelde eenige aanteekeningen neer.

„U zijt zeer nalatig geweest door niet eerder bij mij te komen,” zei hij streng. „U begint zoodoende mij bij mijn onderzoek reeds dadelijk te dwarsboomen. Het is bijvoorbeeld niet aan te nemen, dat de klimop in de laan voor een opmerkzaam toeschouwer niets merkwaardigs opgeleverd zou hebben.”

„Mij kan geen blaam in dat opzicht treffen. Zijne Genade wilde in elk geval alle publiek schandaal vermijden. Hij was bang, dat zijn ongelukkig familieleven zoodoende al te ruchtbaar zou worden. Hij zou voor geen geld ter wereld willen, dat dit gebeurde.”

„Maar er is toch zeker een officieel onderzoek ingesteld door de politie?”

„Ja, mijnheer, maar dat heeft al zeer weinig opgeleverd. Oogenschijnlijk was reeds dadelijk een spoor ontdekt, daar gemeld werd aan een naburig station, dat men 's morgens vroeg een jongen en een man gezien had, die met den trein waren vertrokken. Eerst gisteren avond kregen wij bericht, dat men deze beiden had opgespoord in Liverpool en dat daar gebleken is, dat zij hoegenaamd niets met het geval hadden uit te staan. Daarna kwam ik in mijn wanhoop en teleurstelling, na een slapeloozen nacht, regelrecht naar u toe met den vroegtrein.”

„Ik vermoed, dat het plaatselijk onderzoek verslapte tijdens dat het valsche spoor werd gevolgd.”

„Men deed in dien tusschentijd niets.”

„Zoodat drie dagen zijn verloren gegaan. De zaak is allertreurigst behandeld.”

„Dat weet ik en stem ik toe.”

„En toch is het vraagstuk nog wel op te lossen. Ik zal althans met genoegen het onderzoek op mij nemen. Is u er in geslaagd eenig verband te vinden tusschen den vermisten knaap en dien Duitschen onderwijzer?”

„In het geheel niet.”

„Kreeg de knaap reeds onderricht van dezen onderwijzer?”

„Neen, hij heeft, voor zoover ik weet, geen woord ooit met hem gewisseld.”

„Dat is zeker zeer vreemd. Had de knaap een fiets?”

„Neen.”

„Werd een fiets van een anderen knaap vermist?”

„Neen.”

„Is dat zeker?”

„Bepaald.”

„Wel, u zult zeker niet willen beweren, dat de Duitscher op een fiets in een donkeren nacht is weggereden, terwijl hij den knaap in zijn armen hield?”

„Zeker niet.”

„Wat is dan de theorie, die u er op nahoudt?

„De fiets kan gediend hebben om ons op een dwaalspoor te brengen. Zij kan hier of daar verborgen zijn en het paar dan te voet zijn weggegaan.”

„Juist; maar het schijnt dan toch wel een eigenaardig dwaalspoor, niet waar? Waren er nog andere fietsen in dat schuurtje?”

Welke theorie houdt u er op na? Welke theorie houdt u er op na?

„Verscheidene.”

„Zouden zij er geen twee hebben verstopt, indien zij het denkbeeld wilden opwekken, dat zij per rijwiel waren vertrokken?”

„Dat denk ik wel.”

„Natuurlijk zouden zij dat gedaan hebben. Deze theorie deugt dan ook niet. Maar het incident is een uitstekend punt van uitgang voor een onderzoek. Een fiets is nu eenmaal niet gemakkelijk te verbergen of te verruilen. Nog een vraag. Is er iemand geweest om naar den knaap te zien op den dag, vóór hij verdween?”

„Neen.”

„Heeft hij toen een brief gekregen?”

„Ja, een brief.”

„Van wien?”

„Van zijn vader.”

„Opendet u de brieven van den knaap?”

„Neen.”

„Hoe weet u dan, dat hij van zijn vader kwam?”

„Het wapen stond op de enveloppe en het adres was geschreven in het stijve handschrift van den hertog. Bovendien herinnert de hertog zich, dat hij geschreven heeft.”

„En heeft hij daarop geen brief ontvangen?”

„Niet in de laatste dagen.”

„Kreeg hij geen brief uit Frankrijk?”

„Neen, nooit.”

„U ziet natuurlijk waarheen ik wil. Of de knaap is ontvoerd met geweld, of hij is uit eigen vrijen wil gegaan. In het laatste geval mag men verwachten, dat eenige pressie van buiten noodig was, om zulk een jongen knaap tot zulk een stap te krijgen. Indien er geen bezoekers bij hem zijn geweest, moet die pressie zijn uitgeoefend per brief. Vandaar dat ik tracht uit te visschen, wie aan hem heeft geschreven.”

„Ik vrees, dat ik u niet veel wijzer kan maken. De eenige, die hem schreef, was, voor zoover ik weet, zijn vader.”

„Die hem een brief zond op den dag van zijn verdwijnen. Was de verstandhouding tusschen vader en zoon goed?”

„Zijne Genade is nooit vriendelijk tegen iemand. Hij wordt geheel en al in beslag genomen door algemeene openbare aangelegenheden en is onvatbaar voor alle gewone emoties. Maar op zijn manier was hij vriendelijk jegens den knaap.”

„Deze genoot de sympathie van zijn moeder?”

„Ja.”

„Heeft hij het wel eens gezegd?”

„Neen.”

„De hertog dan?”

„Goede hemel, neen.”

„Maar hoe weet u dit dan?”

„Ik heb met mijnheer James Wilder, den secretaris van Zijne Genade, een vertrouwelijk gesprek gehad. Hij was het, die mij voorlichtte omtrent de gevoelens van Lord Saltire.”

„Ik begrijp het. Is misschien de brief, dien de hertog zijn zoon geschreven had, in dat vertrek achtergebleven?”

„Neen, dien had hij meegenomen. Ik denk, mijnheer Holmes, dat het tijd wordt, dat wij naar Euston gaan.”

„Ik zal een rijtuig voor laten komen. Over een kwartier zijn wij tot uw dienst. Indien u naar huis telegrafeert, mijnheer Huxtable, zou het goed zijn de lieden in den waan te laten, dat het onderzoek nog steeds te Liverpool wordt voortgezet, of waar elders uw politie het gelieft in te stellen. In den tusschentijd zal ik eenige naspeuringen doen op het terrein zelf en misschien is het spoor nog niet zoo oud, of twee oude speurhonden als Watson en ik kunnen het wel volgen.”


Dien avond bevonden wij ons in de koude frissche atmosfeer van de Peah-landstreek, waarin de beroemde school van dr. Huxtable is gelegen. Het was reeds donker, toen wij er aankwamen. Een kaartje lag op de tafel in de vestibule en de huisknecht fluisterde zijn meester iets in het oor, dat deze dadelijk opgewonden naar ons deed toe komen.

„De hertog is hier,” zei hij. „De hertog en mijnheer Wilder zijn in de spreekkamer. Komt, heeren, ik zal u even voorstellen.”

Ik kende natuurlijk den beroemden staatsman van aanzien, maar de man was nu geheel anders dan hij gewoonlijk werd afgebeeld. Het was een forsch en statig persoon, in de puntjes gekleed, met een lang smal gelaat, waarvan de neus ietwat gebogen was. Zijn gelaat was doodsbleek, hetgeen meer uitkwam door het contrast, dat gevormd werd door den langen rooden baard, die op zijn wit vest neerhing. Aldus was de deftige verschijning, die ons ijzig aanstaarde. Naast den hertog stond een jongmensch, dat, naar ik vermoedde, de secretaris was. Hij was klein, zenuwachtig beweeglijk, met verstandige, lichtblauwe oogen. Hij was het, die dadelijk op een koelen, snijdenden toon het gesprek opende.

Naast den hertog stond een jongmensch. Naast den hertog stond een jongmensch.

„Dr. Huxtable, ik kwam heden morgen te laat om u te weerhouden van uw reis naar Londen. Ik vernam, dat uw doel was den heer Sherlock Holmes uit te noodigen het onderzoek in deze zaak op zich te nemen. Zijne Genade is verbaasd, dr. Huxtable, dat u zulk een stap hebt genomen zonder hem te waarschuwen.”

„Toen ik vernam, dat de politie er niet in was geslaagd—”

„Zijne Genade is in geenen deele overtuigd, dat de politie niet is geslaagd.”

„Maar gewis, mijnheer Wilder—”

„U weet toch, mijnheer, dat Zijne Genade voor alles een publiek schandaal wil vermijden. Hij neemt liefst zoo weinig mogelijk personen in zijn vertrouwen.”

„De zaak kan gemakkelijk verholpen worden,” zei de verslagen onderwijzer. „Mijnheer Sherlock Holmes kan morgen ochtend naar Londen terugkeeren.”

„Niet zoo haastig, dr. Huxtable, niet zoo haastig,” zei Holmes langs zijn neus weg. „Deze noordelijke lucht is zeer gezond en derhalve denk ik hier een paar dagen te blijven en mijn tijd te besteden, zooals ik dat noodig acht. Of ik daarbij onder uw dak zal slapen of in de dorpsherberg, moet u natuurlijk beslissen.”

Ik kon zien, dat de ongelukkige onderwijzer nog altijd besluiteloos was, uit welken toestand hij gered werd door de zware welluidende stem van den roodgebaarden hertog, die klonk als een zware etensbel.

„Ik ben het met mijnheer Wilder eens, dr. Huxtable, dat ge wijs zoudt gedaan hebben met mij te raadplegen. Maar nu mijnheer Holmes eenmaal door u in het vertrouwen is genomen, zou het inderdaad al te gek zijn, indien wij niet van zijn diensten zouden gebruik maken. In plaats van naar de herberg te gaan, mijnheer Holmes, zal het mij aangenaam zijn, wanneer u bij mij op Holdernesse Hall zoudt willen logeeren.”

„Ik dank Uwe Genade zeer, maar in het belang van mijn onderzoek, denk ik, dat het beter is te blijven op het terrein van het geheim.”

„Zooals u wilt, mijnheer Holmes. Alle inlichtingen, die mijnheer Wilder of ik u kunnen verstrekken, staan u natuurlijk ten dienste.”

„Het zal waarschijnlijk noodig zijn, dat ik u op de Hall kom bezoeken,” zei Holmes. „Ik zou u nu alleen willen vragen, mijnheer, of u eenige verklaring weet te geven over het verdwijnen van uw zoon?”

„Neen, mijnheer, in het geheel niet.”

„Wil mij niet kwalijk nemen, wanneer ik zaken aanroer, die voor u pijnlijk zijn, maar er zit niet anders op. Gelooft u, dat de hertogin iets met de zaak te maken heeft?”

De staatsman aarzelde een oogenblik.

„Ik geloof het niet,” zei hij eindelijk.

„De verklaring, die het meest voor de hand ligt, is deze, dat de knaap is opgelicht ten einde een hoog losgeld voor hem van u te krijgen. Er is toch nog geen brief door u ontvangen?”

„Neen, mijnheer.”

„Nu nog een vraag, Uwe Genade. Ik meen begrepen te hebben, dat u uw zoon hebt geschreven op den dag, dat het incident plaats had.”

„Neen, ik schreef hem den dag te voren.”

„Juist. Maar hij ontving uw brief toch eerst op den volgenden dag.”

„Ja.”

„Stond er iets in uw brief, dat hem er toe kon brengen zulk een stap te doen?”

„Neen, mijnheer, zeker niet.”

„Hebt u dien brief zelf op de post gedaan?”

Het antwoord van den edelman werd voorkomen door zijn secretaris, die eenigszins haastig tusschenbeide kwam.

„Zijne Genade is niet gewoon zelf zijn brieven op de post te doen,” zei hij. „Deze brief werd met andere op tafel gelegd, en ik zelf heb hem gepost.”

„U is er zeker van, dat die brief er bij was?”

„Ja, ik zag hem er bij.”

„Hoeveel brieven heeft Uwe Genade dien dag geschreven?”

Twintig of dertig. Ik heb een uitgebreide correspondentie. Maar zeker doet dit niets ter zake.”

„Toch wel,” zei Holmes.

„Wat mij betreft,” ging de hertog voort, „ik heb de politie geraden haar aandacht op het Zuiden van Frankrijk te vestigen. Ik heb reeds gezegd, dat ik niet geloof, dat de hertogin zulk een ellendige daad zou aanmoedigen, maar de knaap had de onzinnigste denkbeelden, en het is mogelijk, dat hij naar haar gevlucht is, geholpen en geleid door dezen Duitscher. Ik geloof, dr. Huxtable, dat wij thans naar de Hall kunnen terugkeeren.”

Ik kon zien, dat Holmes nog gaarne eenige andere vragen had willen richten tot den hertog, maar aan het optreden van den edelman was duidelijk te merken, dat hij het onderhoud als geëindigd beschouwde. Klaarblijkelijk was het voor zijn aristocratische natuur uiterst hinderlijk over zijn intieme aangelegenheden met een vreemdeling te spreken en vreesde hij, dat elke nieuwe vraag een nieuw licht zou verspreiden over de verborgen hoeken van zijn hertogelijke geschiedenis.

Zoodra de edelman en zijn secretaris vertrokken waren, toog mijn vriend met een merkwaardigen ijver aan het werk en ging op onderzoek uit.

De kamer van den knaap werd zorgvuldig onderzocht en niets bleef over dan de overtuiging, dat hij alleen door het raam ontsnapt kon wezen. De kamer van den Duitscher leverde ook geen enkele ontdekking op. Hier had een stuk van den klimop het begeven onder zijn gewicht en wij zagen bij het licht van een lantaarn, waar zijn voeten waren neergekomen. De indruk in het korte groene gras was het eenige bewijs, achtergelaten bij deze onverklaarbare, nachtelijke vlucht.

Sherlock Holmes verliet alleen het huis en kwam eerst over elven terug. Hij had zich een groote kaart van de omstreken laten geven en deze bracht hij in mijn kamer, waar hij haar op het bed uitspreidde en na de lamp er boven te hebben gehangen, ze begon te bestudeeren onder het rooken van een pijp, nu en dan bijzonder belangrijke punten aanwijzend.

„Deze zaak begint mij te boeien, Watson. Ongetwijfeld zijn er eenige belangrijke feiten, die er mede in verband staan. Nu wij nog zoo goed als aan het begin zijn, moet je je op de hoogte stellen van de geographische ligging dezer streek, hetgeen ons onderzoek later ten goede zal komen.

„Kijk eens naar de kaart. Deze donkere vlek is de school. Ik zal er een speld insteken. Nu, deze lijn is de hoofdweg. Zooals je ziet, loopt hij ten oosten en ten westen van de school en er is geen zijweg. Indien de beide personen den weg gevolgd hebben, moeten zij langs dezen weg zijn gekomen.

„Door een toevallige, gelukkige omstandigheid zijn wij in staat om na te gaan, wie zoo aldaar gepasseerd zijn. Op dat punt, waar mijn pijp nu ligt, heeft een veldwachter van 's nachts twaalf uur tot zes uur in den morgen op wacht gestaan. Zooals je ziet, scheidt de weg zich hier voor de eerste maal in tweeën. Deze man verklaart, dat hij geen oogenblik zijn post heeft verlaten en dat het onmogelijk is, dat een man of een knaap daar langs konden gaan, zonder dat hij hen zag. Ik heb dezen agent van avond gesproken en hij maakte op mij den indruk volkomen geloofwaardig te zijn. Daardoor kan deze kant verder buiten beschouwing blijven. Wij komen nu aan de andere zijde. Hier staat een herberg, „De Roode Stier” geheeten en de herbergierster is ernstig ziek. Zij had naar Mackleton om een dokter gezonden, maar deze kwam niet vóór 's morgens, daar hij was opgehouden door een ander geval. De bewoners van de herberg waren den geheelen nacht opgebleven, in afwachting van zijn komst en om beurten schijnen zij telkens gekeken te hebben of zij ook iets op den weg zagen aankomen. Zij verklaren, dat in elk geval niemand voorbijgekomen is. Indien hun verklaring juist is, volgt daaruit, dat wij tegelijkertijd kunnen vaststellen, dat ook niet langs dezen kant de vluchtelingen zijn gekomen, ergo dat zij in het geheel geen gebruik hebben gemaakt van den weg.”

„Maar de fiets?” bracht ik in het midden.

„Juist zoo. Wij zullen dadelijk tot de fiets komen. Maar laat ons onze redeneering volgen: indien deze personen niet langs den weg zijn gegaan, moeten zij dwars het land hebben overgestoken aan de noord- of de zuidzijde van het huis. Dat is zeker. Laat ons nu de kansen tegen elkander opwegen. Aan de zuidzijde van het huis is, zooals je ziet, een groote uitgestrektheid bouwland met slooten tot afscheiding. Daar is, dat stem ik toe, een fiets van geen waarde. Wij kunnen dan ook deze zijde gerust buiten beschouwing laten en moeten onze aandacht richten op de streek ten noorden van het huis. Hier staan een aantal boomen, aangeduid als de „Ragged Shaw” en verder strekt zich een groote golvende heide uit, Lower Gill Moor geheeten, die tien mijl voort gaat en zacht glooiend oploopt. Hier, aan een zijde van de wildernis, ligt Holdernesse Hall, tien mijl van de school, wanneer men den weg volgt, maar slechts zes mijl, wanneer men de heide oversteekt. Het is een zeer eenzame vlakte. Een paar boeren wonen er en hebben er kleine plaatsen. Zij leven van de veeteelt, hoofdzakelijk door schapen opgebracht. Behalve deze, zijn de kievit en de snip de eenige bewoners, totdat men komt aan den hoofdweg, die naar Chesterfield leidt. Daar staat een kerkje, zooals je ziet, met een paar huisjes en een herberg. Verderop worden de heuvels steiler. Zeker moeten wij ons onderzoek in deze richting leiden.”

„Maar de fiets,” hield ik vol.

„Wel, wel,” zei Holmes ongeduldig. „Een goed wielrijder heeft geen straatweg noodig. De heide wordt doorkruist door paden en het was volle maan. Hallo, wat is dat?”

Er werd zenuwachtig geklopt op de deur, en een oogenblik later was dr. Huxtable in de kamer. In zijn hand droeg hij een blauwe muts met een witten knoop in het midden.

„Eindelijk hebben wij een aanwijzing,” riep hij. „Den hemel zij dank, eindelijk zijn wij den knaap op het spoor! Hier is zijn muts.”

„Waar werd die gevonden?”

„In den wagen van de zigeuners, die op de heide gekampeerd hebben. Zij gingen Dinsdag weg. Vandaag heeft de politie hen achterhaald en hun karavaan geïnspecteerd. Dit werd gevonden.”

„Wat zeggen zij naar aanleiding van deze vondst?”

„Zij aarzelden en logen—zeiden, dat zij de muts gevonden hadden op de heide op Dinsdagmorgen. Zij weten, waar hij is, de schurken. Maar gelukkig zitten zij nu achter slot en de vrees voor de wet of de beurs van den hertog zullen zeker alles uit hen halen, wat zij weten.”

„Tot dusverre gaat het goed,” zei Holmes, zoodra de onderwijzer het vertrek weder had verlaten. „Wij zijn ten minste zoo ver, dat de theorie, dat aan de zijde van de Lower Gill Moor gezocht moet worden, de juiste is gebleken. De politie heeft werkelijk nog niets gedaan. Alleen heeft zij deze zigeuners gearresteerd. Kijk hier, Watson. Er loopt door de heide een stroompje, zooals je ziet. Op sommige plaatsen verbreedt het zich tot een moeras. Dat is voornamelijk het geval in de streek tusschen Holdernesse Hall en de school.”

Later merkte Holmes aan, na het terrein nogmaals te hebben opgenomen: „Met dat droge weer behoeven wij elders niet naar sporen te zoeken, dat zou vergeefsche moeite zijn, maar op dat punt is vrij zeker een of ander spoor achtergelaten. Ik zal je morgen ochtend vroeg roepen en wij zullen dan samen trachten eenig licht over dit geheim te verspreiden.”

De dag brak juist aan, toen ik wakker werd en de magere, hoekige gestalte van Holmes voor mijn bed ontwaarde. Hij was reeds gekleed en scheen ook al naar buiten te zijn geweest.

„Ik heb de laan en de fietsenbergplaats reeds doorzocht,” zei hij. „Ook heb ik een wandeling gedaan door het bosch. Nu, Watson, in de kamer hiernaast staat chocolade. Ik verzoek je een beetje voort te maken, want wij hebben een drukken dag voor ons.”

Zijn oogen schitterden en zijn wangen waren rood van opgewondenheid, evenals dat het geval zou zijn bij iemand, die den weg open ziet om tot succes te komen. Deze werkzame, koene man vormde een groot verschil met den lusteloozen droomer uit Baker-Street. Ik voelde, terwijl ik keek naar de smalle gestalte, die vol energie was, dat inderdaad een moeilijke dag voor de deur stond.

En toch begon hij met de grootste teleurstelling. Vol hoop liepen wij over de bruine heide, die doorkruist werd door wel duizend paden, door de schapen gemaakt, totdat wij kwamen aan een breede lichtgroene vlakte, als een teeken, dat hier het moeras begon tusschen ons en Holdernesse Hall. Indien de knaap naar huis gegaan was, moest hij hier zijn gepasseerd en hij kon dat niet doen zonder sporen achter te laten. Maar van hem noch van den Duitscher vonden wij een teeken. Met een donker gelaat liep mijn vriend langs den kant, nauwlettend uitkijkende naar iets, dat ook maar de minste aanwijzing zou kunnen geven. Indrukken van schapenpooten waren er genoeg en eenige mijlen verder op een plaats ook sporen van koeien. Anders niets.

„Dat is de eerste tegenvaller,” zei Holmes, terwijl hij peinzend over de golvende vlakte staarde. „Er is daar verderop nog een ander moeras, waartusschen een smalle begaanbare strook gronds loopt. Hallo, hallo, wat hebben wij hier?”

Wij waren gekomen aan een smal pad. In het midden, duidelijk zichtbaar op den vochtigen bodem, liep het spoor van een fiets.

„Hoera,” riep ik. „Nu hebben wij het.”

Holmes echter schudde zijn hoofd, en zijn gelaat drukte eerder verlegenheid en teleurstelling uit dan vreugde.

„Een fiets, juist, maar niet de fiets,” antwoordde hij. „Ik ben bekend met twee en veertig verschillende indrukken, die rijwielbanden achterlaten. Dit is, zooals gij ziet, een Dunlopband. Heidegger reed op Palmer's banden, en het spoor, dat deze achterlaten, heeft veel van dunne lange draden naast elkander. Aveling, de onderwijzer in wiskunde, was er zeker van, dat het Palmer's banden waren. Dit is derhalve niet het spoor van Heidegger.”

„Dat van den knaap dan?”

„Misschien, indien wij konden bewijzen, dat hij een fiets in zijn bezit had. Maar dit hebben wij in het geheel niet kunnen doen. Dit spoor is van een rijder, die, zooals gij ziet, kwam uit de richting van de school.”

„Hij kan er ook heengegaan zijn.”

Een indruk als van een bundel fijne telegraafdraden was in het midden zichtbaar. Een indruk als van een bundel fijne telegraafdraden was in het midden zichtbaar.

„Neen, neen, mijn waarde Watson. Het diepste spoor is natuurlijk dat van het achterwiel, waarop het gewicht rust. Je ziet, dat op verschillende punten, waar het over het ondiepe spoor ging, dit laatste is uitgewischt. Derhalve kwam de rijder ongetwijfeld van den kant van de school. Dit kan of kan ook niet in verband staan met ons onderzoek. Maar wij zullen toch, alvorens verder te gaan, het eerst moeten volgen.”

Dit deden wij en na een paar honderd meter verloren wij het spoor uit het oog, daar wij ons nu weder op een harder gedeelte van den grond bevonden. Teruggaande langs het spoor, kwamen wij op een plek, waar een beekje het kruiste. Hier was het echter bijna uitgewischt door de sporen achtergelaten door koeien. Daarna was er geen spoor meer, maar het was duidelijk, dat de wielrijder regelrecht was gekomen uit de „Ragged Shaw”, het bosch dat zich achter de school uitstrekt. In dit bosch was de fietser derhalve geweest. Holmes ging zitten en liet zijn kin in zijn handen rusten. Ik had twee cigaretten opgerookt alvorens hij zich bewoog.

„Wel, wel,” zei hij eindelijk. „Het is natuurlijk mogelijk, dat een geslepen man van banden kon verwisselen om een ander spoor achter te laten. Een misdadiger, die op zulk een gedachte is gekomen, moet iemand zijn, waarmede ik gaarne zaken zou willen doen. Wij zullen dit vraagstuk niet verder trachten op te lossen en weer naar ons moeras trekken, want een groot gedeelte hebben wij nog niet doorzocht.”

Wij vervolgden onze systematische enquête en onderzochten stuk voor stuk de randen van het moeras en de heide. Spoedig werd onze volharding beloond. Recht door het langste gedeelte van het moeras liep een pad. Holmes slaakte een kreet van voldoening, toen hij dit naderde. Een indruk als van een bundel telegraafdraden was in het midden. Dat was het spoor van den Palmerband.

„Dat is ongeveer het spoor van Herr Heidegger,” riep Holmes opgewonden. „Mijn redeneering schijnt dus wel goed geweest te zijn, Watson.”

„Ik feliciteer je.”

„Maar er ligt nog heel wat voor ons te doen. Wees zoo goed en loop niet in het spoor. Laat ons het nu volgen. Ik vrees, dat het niet ver zal leiden.”

Wij vonden echter, dat dit gedeelte van de heide doorkruist werd door weeke strooken gronds en ofschoon wij dikwijls het spoor bijster waren, slaagden wij er telkens weder in het terug te vinden.

„Merk je op,” zei Holmes, „dat de rijder hier merkbaar sneller is gaan rijden? Daar valt niet aan te twijfelen. Kijk eens naar dezen indruk, waar de beide banden zijn te onderscheiden. De indrukken zijn even diep. Dat kan alleen verklaard worden, doordat de rijder zijn gewicht heeft overgebracht naar het stuur, hetgeen alleen gedaan wordt bij zeer hard rijden. Bij Jupiter, hij is gevallen ook.” Er was een plek, waar de grond omgewoeld was. Dan volgden eenige voetstappen en toen weer de indruk van den band.

„Zeker geslipt,” merkte ik op.

Holmes trok een bremstruik naar zich toe. Tot mijn schrik bemerkte ik, dat de blaadjes gedeeltelijk rood gekleurd waren. Ik zag nu ook op het pad donkere vlekken en verdroogd bloed.

„Slecht,” zei Holmes. „Slecht! Blijf staan, Watson. Geen onnoodige voetstappen. Wat kan ik hier lezen! Hij viel gewond neer, stond op, steeg weer op en ging verder. Maar er is geen ander spoor. Hier aan dezen kant heeft een koe geloopen. Hij kan toch niet door een stier aangevallen zijn? Onmogelijk. Maar ik zie geen andere sporen. Wij moeten verder gaan, Watson. Met bloedvlekken op den grond als hier om ons te leiden, kan hij ons nu niet ontsnappen.”

Ons zoeken duurde niet lang. De indruk van den band begon allerlei onregelmatige bochten te vertoonen op het vochtige, glibberige pad. Plotseling zag ik, terwijl ik voor mij uitkeek, iets glinsteren te midden van de dichte struiken. Wij haalden er een fiets uit met Palmerbanden, een pedaal verbogen en het geheele voorgedeelte vol bloed. Aan de andere zijde van het boschje was juist een schoen zichtbaar. Wij renden er heen en daar lag de ongelukkige wielrijder.

Het was een lange man, met een zwaren baard en een bril op, waarvan een glas gebroken was. De oorzaak van zijn dood was een zware slag op het hoofd, waardoor een gedeelte van de hersenpan was verbrijzeld. Dat hij na het ontvangen van zulk een wonde nog verder had kunnen gaan, pleitte wel voor zijn volhardingsvermogen en zijn moed. Hij had schoenen aan, maar geen sokken en van onder zijn jas kwam een nachthemd te voorschijn. Het was ongetwijfeld de Duitsche onderwijzer.

Holmes keerde voorzichtig het lijk om en onderzocht het met groote nauwkeurigheid. Hij bleef vervolgens langen tijd in gedachten verzonken en ik kon zien aan zijn saamgetrokken wenkbrauwen, dat volgens zijn meening de ijselijke ontdekking ons niet veel verder gebracht had bij ons onderzoek.

Daar lag de ongelukkige wielrijder. Daar lag de ongelukkige wielrijder.

„Het is nu een weinig moeilijk om te weten, wat wij thans moeten doen, Watson,” zeide hij eindelijk. „Mijn eigen meening is, dat wij dit onderzoek moeten voortzetten, want wij hebben reeds zooveel tijd verloren, dat wij geen uur meer hebben te verliezen. Aan den anderen kant zijn wij verplicht de politie in kennis te stellen met onze ontdekking en te zorgen, dat het lijk van dezen ongelukkigen man naar elders wordt overgebracht.”

„Kan ik niet even een boodschap wegbrengen?”

„Maar ik heb je gezelschap en je hulp noodig.”

„Wacht even. Daar in de verte zie ik iemand bezig op de heide. Ik breng den man hier en hij zal de politie den weg kunnen wijzen.”

Ik bracht den boer bij Holmes en deze zond den verschrikten man met een briefje naar dr. Huxtable.

„Nu, Watson,” zeide hij, „hebben wij van morgen twee uitgangspunten opgediept. Het eene was de fiets met de Palmerbanden en je ziet, waar ons dat gebracht heeft. Het andere is de fiets met de Dunlopbanden. Voordat wij echter beginnen met een onderzoek hiervan, moeten wij trachten hetgeen wij weten te ontleden en het toevallige van het niet-toevallige te scheiden.

„In de eerste plaats wil ik je er op wijzen, dat de knaap zeker en gewis uit vrijen wil is weggegaan. Hij is uit het raam geklommen en hij ging of alleen weg of in gezelschap. Dat staat vast.”

Ik knikte.

„Goed, laten we ons nu bezighouden met dezen ongelukkigen Duitscher. De knaap was geheel gekleed, toen hij de vlucht nam. Hij heeft derhalve te voren geweten, dat hij weg zou gaan. De Duitscher ging echter zonder zijn sokken. Hij had haast om weg te komen.”

„Zonder twijfel.”

„Waarom ging hij? Omdat hij van uit zijn raam den knaap zag vluchten. Omdat hij hem wenschte in te halen en terug te brengen. Hij haalde zijn fiets te voorschijn, achtervolgde den knaap en kwam op den tocht om het leven.”

„Zoo schijnt het gegaan te zijn.”

„Nu kom ik tot het critieke punt van mijn redeneering. In een gewoon geval zou een man bij het vervolgen van een kleinen jongen hem achterna ijlen. Hij kon immers weten, dat hij hem gemakkelijk zou kunnen inhalen. De Duitscher doet dit echter niet. Hij neemt zijn fiets. Men heeft mij verteld, dat hij een uitstekend wielrijder was. Hij zou echter niet aan zijn fiets gedacht hebben, indien hij niet gezien had, dat de knaap op de een of andere wijze sneller kon wegkomen dan hij kon loopen.”

„De andere fiets.”

„Laat ons de feiten verder onderzoeken. Hij vindt den dood vijf mijlen van de school—niet, let wel, door een kogel, welke zelfs een knaap zou kunnen afschieten, maar door een geweldigen slag, toegebracht door een krachtigen arm. De knaap had derhalve iemand bij zich, toen hij vluchtte. En hij vluchtte snel, daar eerst na het afleggen van vijf mijl een goed wielrijder hem kon achterhalen. Wij hebben den grond om en nabij de plek, waar het treurspel is afgespeeld, onderzocht. Wat vonden wij daar? Niets anders dan eenige sporen van koeienpooten. Ik maakte een groote bocht, maar binnen een omtrek van vijftien meter ontdekte ik geen enkel begaanbaar pad. Een ander wielrijder kon derhalve niet betrokken zijn bij dezen moord. Maar er waren evenmin sporen van menschen.”

„Holmes,” riep ik, „dat is onmogelijk.”

„Bewonderenswaardig!” zei hij. „Een opmerking, die hout snijdt. Het is onmogelijk, zooals ik het uitleg en daarom moet ik mij in een of ander onderdeel vergist hebben. Toch heb je zelf ook alles kunnen zien. Heb je iets op mijn redeneering aan te merken?”

„Zou hij die wonde niet hebben opgedaan ten gevolge van een val?”

„In een moeras, Watson?”

„Ja, dan begrijp ik er niets meer van.”

„Tut, tut, wij hebben nog wel eens moeilijker vraagstukken opgelost. Wij hebben in elk geval feiten genoeg voor ons, als wij ze maar in verband met elkander weten te brengen. Komaan, nu wij niets meer aan de Palmerbanden hebben, moeten wij zien, wat wij van de Dunlop kunnen leeren.”

Wij volgden het eerste spoor over een grooten afstand. Weldra bereikten wij echter een punt, waar de heide begon te glooien en het drassige gedeelte plaats maakte voor harden grond. Hier konden wij niet meer hopen op de hulp van een spoor. Op de plek, waar de indruk van de Dunlop het laatst was te onderscheiden, viel niet na te gaan, waar de wielrijder heen gegaan was. Het kon naar Holdernesse Hall, waarvan de statige torens zich eenige mijlen links van ons verhieven, zijn, maar even goed naar een klein dorpje, dat recht voor ons lag en aanwees, waar de groote weg naar Chesterfield gezocht moest worden.

Toen wij de onaanzienlijke en vervallen herberg met een haan boven de deur naderden, slaakte Holmes plotseling een pijnlijken kreet—greep mij bij den schouder om niet te vallen. Hij had zijn enkel zoodanig verzwikt, dat hij bijna niet meer kon loopen. Zoo goed en zoo kwaad als 't ging, hinkte hij naar de deur, waarin een zwaar gebouwde, donker uitziende man op leeftijd een steenen pijp stond te rooken.

„Hoe gaat het u, Reuben Hayes?” vroeg Holmes.

„Wie ben je en hoe weet je zoo goed hoe ik heet?” vroeg de man op zijn beurt, met een achterdochtigen blik van zijn sluwe oogen.

„Wel, het staat op het bord boven je hoofd. Het is gemakkelijk aan iemand te zien of hij de heer des huizes is, ja of neen. Hebt u misschien ook een rijtuig in uw stal?”

„Neen, dat heb ik niet.”

„Ik kan ternauwernood mijn voet op den grond zetten.”

„Zet hem dan niet op den grond.”

„Maar ik kan niet loopen.”

„Wel, dan moet je dansen.”

De manieren van mijnheer Reuben Hayes waren alles behalve beleefd, maar Holmes toonde zich heelemaal niet uit het veld geslagen.

„Kijk eens hier, man,” zei hij. „Dit is werkelijk een lastige geschiedenis voor mij. Het kan mij niet schelen op welke wijze ik verder kom.”

„Mij ook niet,” zei de onvriendelijke herbergier.

„De zaak is van het hoogste gewicht. Ik zou je graag twaalf gulden willen geven voor het leenen van een fiets.”

De herbergier spitste de ooren.

„Waar wil je heen gaan?”

„Naar Holdernesse Hall.”

„Lieden van den hertog, is het niet?” zei de herbergier, onze met modder bevlekte kleederen met een ironischen blik beschouwend.

Met moeite hinkte hij tot aan de deur. Met moeite hinkte hij tot aan de deur.

Holmes lachte goedhartig.

„In elk geval zal hij blij zijn, wanneer hij ons ziet.”

„Waarom?”

„Omdat wij hem nieuws brengen van zijn verloren zoon.”

De man schrok merkbaar.

„Wat, ben jullie hem op het spoor?”

„Men heeft in Liverpool van hem gehoord. Men verwacht, dat hij elk oogenblik gevat zal worden.”

Weder kwam er een snelle verandering in het ongeschoren gelaat. De man werd plotseling vriendelijk.

„Ik heb al heel weinig redenen om den hertog een goed hart toe te dragen,” zeide hij, „want ik was indertijd zijn eerste koetsier en hij heeft mij gemeen behandeld. Hij gaf mij mijn ontslag op staanden voet naar aanleiding van hetgeen een onbetrouwbare marskramer geliefde te vertellen. Maar ik ben blij, dat men te Liverpool van den jongen lord gehoord heeft en ik zal jullie helpen om het nieuws naar de Hall te brengen.”

„Dank u,” zei Holmes. „Wij zouden eerst echter wel wat willen eten. Daarna kunt ge de fiets voorbrengen.”

„Ik heb geen fiets.”

Holmes hield zijn portemonnaie op.

„Ik zeg je man, dat ik er geen heb. Ik zal je echter met twee paarden naar de Hall laten brengen.”

„Wel,” zei Holmes, „daar zullen wij nader over praten, wanneer wij gegeten hebben.”

Toen wij alleen waren in de keuken was het opmerkelijk, zoo spoedig als de enkel van Holmes weer normaal werd. Het was bijna avond en wij hadden sedert den vroegen morgen niets gehad, zoodat wij tamelijk lang over ons maal deden. Holmes zat in gedachten verdiept, liep een- of tweemaal naar het raam en keek met ernstig gelaat naar buiten. Het raam kwam uit op een vierkante plaats. In den versten hoek was een hoefsmederij, waar een jongen aan het werk was. Aan den anderen kant was de stal. Holmes was, na voor het raam gestaan te hebben, weer gaan zitten en zat te denken. Plotseling sprong hij met een uitroep van zijn stoel.

„Bij den hemel, Watson, ik geloof, dat ik het gevonden heb,” riep hij. „Ja, ja, zoo moet het zijn. Watson, herinner je je vandaag sporen van koeien te hebben gezien?

„Ja, verscheidene.”

„Waar?”

„Wel, overal. Zij waren in het moeras en ook op het pad evenals op de plek, waar de arme Heidegger den dood vond.”

„Juist. Welnu, Watson, hoeveel koeien heb je op de heide gezien?”

„Ik herinner mij niet er een te hebben gezien.”

„Vreemd, Watson, dat wij langs den geheelen weg sporen van koeien zagen, maar op de heide zelf niet een enkele koe. Zeer vreemd, is 't niet, Watson?”

„Ja, zeer vreemd.”

„Nu, Watson, span je eens even in. Kunt ge je nog herinneren, hoe die sporen er uitzagen?”

„Ja, dat kan ik.”

„Kunt ge je herinneren of de sporen er uitzagen ongeveer zoo?”—hij legde een aantal broodkruimpjes in groepjes op tafel— : : : : —„en soms : · : · : · : en eindelijk— . · . · . · . · — Kunt ge je dat herinneren?”

„Neen, dat weet ik niet meer.”

„Maar ik wel. Ik zou er op kunnen zweren. Wij zullen echter teruggaan en het op ons gemak nog eens nagaan. Wat ben ik een blinde ezel geweest om niet eerder die gevolgtrekking te maken.”

„En welke conclusie is dat?”

„Alleen, dat het een merkwaardige koe moet zijn, die loopt, draaft, springt. Bij George, Watson, het was geen boertje, dat zulk een list wist te verzinnen. De kust schijnt veilig te zijn, wanneer wij dien jongen in de smederij niet meetellen. Laat ons naar buiten gaan en trachten te zien, wat er te zien is.”

Er stonden twee paarden in den stal. Holmes tilde den achterpoot van een dezer op en lachte luid.

„Oude hoefijzers, maar pas beslagen, oude hoefijzers en nieuwe spijkers. Dit geval behoort te worden gerangschikt onder de klassieke gevallen. Laat ons eens in de smederij gaan zien.”

De jongen ging door met zijn werk zonder acht op ons te slaan. Ik zag de oogen van Holmes links en rechts gaan over de massa ijzer en hout, die over den vloer verspreid lag. Plotseling hoorden wij echter voetstappen achter ons en daar stond de herbergier met van woede verwrongen gelaatstrekken en met oogen, die fonkelden van onder de zwarte wenkbrauwen.

Hij hield een korten, met koper beslagen stok in zijn hand en kwam zoo dreigend naar ons toe, dat ik werkelijk blij was mijn revolver in mijn zak te voelen.

„Gij, ellendige spionnen!” riep de man. „Wat doen jullie hier?”

„Wel, mijnheer Reuben Hayes,” antwoordde Holmes koel, „men zou denken, dat gij bang zijt, dat wij iets kwaads zullen ontdekken.”

De man herstelde zich en zijn strenge mond plooide zich tot een valschen lach, die meer dreigend was dan zijn woede.

„Gij moogt in de smederij zoeken, wat gij er kunt vinden,” zei hij. „Maar hoor eens, heeren, ik houd er niet van, dat de menschen in mijn huis rondscharrelen zonder mijn permissie, dus hoe gauwer jullie je vertering betaalt en weggaat, hoe liever het mij zal zijn.”

„All right, mijnheer Hayes—wij bedoelden niets kwaads,” zei Holmes. „Wij hebben eens naar uw paarden gekeken, maar ik denk, dat ik toch maar zal wandelen. Het is, geloof ik, niet ver.”

„Niet meer dan twee mijl tot aan de poorten van de Hall. Daar links loopt de weg.” Hij keek ons met nijdige oogen na, totdat wij zijn huis hadden verlaten.

Wij gingen niet ver langs den weg, want Holmes bleef staan, zoodra wij door een kromming uit het gezicht van den herbergier waren.

„Wij waren warm, zooals de kinderen zeggen, in die herberg,” zei hij. „Ik schijn kouder te worden bij elken stap, dien ik verder wegga. Neen, neen. Ik kan met geen mogelijkheid weggaan.”

„Ik ben overtuigd,” zei ik, „dat deze Reuben Hayes er alles van weet. Aan alles kan men bemerken met een schurk te doen te hebben.”

„O, kreeg je dien indruk van hem? Daar zijn de paarden, daar is de smederij. Ja, deze herberg „De Vechtende Haan” is een interessante plek. Ik denk, dat wij er nog eens zullen moeten kijken, maar dan minder opzienbarend.”

De man vloog ons voorbij op den weg. De man vloog ons voorbij op den weg.

Een lange, glooiende weg, aan weerszijden waarvan [B 33]
[B 34]
grijze steenen palen stonden, strekte zich achter ons uit. Wij waren van den weg afgegaan en wilden den heuvel opgaan, toen ik uit de richting van Holdernesse Hall een wielrijder in volle vaart zag naderen.

„Bukken, Watson,” riep Holmes en met zijn hand drukte hij mij op den schouder. Nauwelijks waren wij onzichtbaar geworden, of de man snorde langs ons. Te midden van een rollende golf stof zag ik iets van een bleek, opgewonden gelaat, een gelaat met schrik geteekend in elken trek, den mond open, terwijl de oogen wild vooruitstaarden.

Het was een vreemd uitstapje van den dapperen James Wilder, dien wij den vorigen avond hadden ontmoet.

„De secretaris van den hertog,” riep Holmes. „Kom, Watson, laat ons eens zien, wat hij doet.”

Wij klauterden van heuvel tot heuvel, tot wij na eenige oogenblikken een punt bereikt hadden, waar wij de raadselen van de herberg konden zien. Niemand bewoog zich buiten het huis en Wilder's fiets stond tegen den muur. Langzaam werd het duister, nadat de zon verdwenen was achter de hooge torens van Holdernesse Hall. Eindelijk zagen wij in de duisternis de twee lichten van een tilbury, die stond nabij de herberg, en kort daarop hoorden wij het geratel van het rijtuigje, dat in woedende vaart verdween in de richting van Chesterfield.

„Wat denk je daarvan, Watson?” fluisterde Holmes. „Het heeft veel van een vlucht.”

„Een enkel man in de tilbury, voor zoover ik kon zien. Wel, in elk geval was het James Wilder niet, want daar komt hij aan de deur.”

Een roode lichtstraal werd zichtbaar in de duisternis. In het midden stond de zwarte gestalte van den secretaris, die langs den donkeren weg tuurde. Het was duidelijk, dat hij iemand verwachtte. Eindelijk hoorden wij iemand langs den weg komen, voor een oogenblik werd een tweede gestalte zichtbaar tegen het licht, de deur werd gesloten en alles was weder duister. Vijf minuten later werd op de eerste verdieping een lamp aangestoken.

„Het schijnt, dat men in „De Vechtende Haan” er zonderlinge manieren op nahoudt,” zei Holmes.

„De bar is aan den anderen kant.”

„Juist. Dit zijn, wat wij zouden kunnen noemen bekende klanten. Maar wat ter wereld zou mijnheer James Wilder op dat uur in dit krot doen, en wie is de man, die hem daar komt opzoeken? Kom, Watson, wij moeten iets wagen en dat een weinig nader trachten te onderzoeken.”

Samen slopen wij langs den weg en kropen tot aan de deur van de herberg. De fiets stond nog tegen den muur. Holmes stak een lucifer op, hield dien bij het achterwiel en ik hoorde hem zacht lachen, toen het licht op een Dunlopband viel. Boven ons was het verlichte venster.

„Ik moet daar even naar binnen kijken, Watson. Als je je rug buigt en je aan den muur vasthoudt, zal het wel gaan.”

Een oogenblik later stond hij op mijn schouders. Nauwelijks er op, sprong hij er echter weer af.

„Kom, mijn vriend,” zei hij, „onze dagtaak is reeds lang genoeg geweest. Ik denk, dat wij alle gegevens verzameld hebben, die wij noodig hebben. Het is een verre wandeling naar de school, en hoe eerder wij teruggaan, hoe beter.”

Hij deed ternauwernood onderweg een mond open en hij ging ook de school niet binnen, toen wij deze hadden bereikt, maar ging naar het station Mackleton, om van daar eenige telegrammen te verzenden. Laat in den nacht hoorde ik hem dr. Huxtable toespreken, daar de goede man geheel van streek was door den dood van zijn onderwijzer en even later kwam hij mijn kamer binnen, even opgewekt en frisch als toen wij 's morgens waren vertrokken. „Alles gaat goed, vriend,” zeide hij. „Ik geloof, dat wij voor morgen avond de oplossing van het geheim zullen hebben.”


Om elf uur wandelden wij den volgenden dag door de beroemde eikenlaan van Holdernesse Hall en wij werden, na binnengeleid te zijn, gebracht naar het studeervertrek van den hertog. Daar vonden wij den heer James Wilder, hoffelijk en deftig, maar toch droeg zijn gelaat nog de sporen van den wilden schrik van den vorigen nacht en in zijn oogen was nog iets van den doorgestanen angst te lezen.

„U is gekomen om den hertog te spreken? Het spijt mij, maar Zijne Genade is zeer onwel. Hij is zeer terneergeslagen door het treurige nieuws. Wij ontvingen gisteren een telegram van dr. Huxtable, waarin hij mededeeling deed van uw ontdekking.”

„Ik moet den hertog spreken.”

„Maar hij is nog op zijn kamer.”

„Dan moet ik daarheen gaan.”

„Ik geloof, dat hij nog te bed ligt.”

„Nu, dan maar naar zijn bed.”

De koele, kalme manier van Holmes toonde den secretaris, dat er niets tegen in te brengen was.

„Zeer goed, mijnheer Holmes, ik zal zeggen, dat u hier is.”

Na een half uur wachtens verscheen de groote edelman. Zijn gelaat was lijkkleurig, zijn schouders leken veel smaller en hij scheen mij veel ouder toe dan den vorigen dag. Hij groette ons met statige hoffelijkheid en ging aan zijn schrijfbureau zitten, waar zijn roode baard tot op de tafel afhing.

„Wel, mijnheer Holmes?” vroeg hij.

De oogen van mijn vriend waren echter gevestigd op den secretaris, bij den stoel zijns meesters staande.

„Ik denk, Uwe Genade, dat ik vrijer zou kunnen spreken, wanneer mijnheer Wilder er niet bij was.”

De man verbleekte en wierp Holmes een nijdigen blik toe.

„Als Uwe Genade 't wenscht?”

„Ja, ja, ga. Nu, mijnheer Holmes, wat hebt u te zeggen?” Mijn vriend wachtte tot de deur gesloten was achter den secretaris.

„Het feit is, Uwe Genade,” zei hij, „dat mijn collega dr. Watson en ik de verzekering van dr. Huxtable hadden gekregen, dat een belooning was uitgeloofd in deze zaak. Ik zou gaarne zien, dat u dit persoonlijk bevestigdet.”

„Zeker, mijnheer Holmes.”

„Het bedrag, ten minste als ik wel ben ingelicht, was 5000 pond voor hem, die zegt waar uw zoon is.”

„Juist.”

„En nog eens duizend pond voor hem, die zegt, wie de personen waren, die hem gevangen hielden.”

„Juist.”

„Onder de laatsten zijn ongetwijfeld ook begrepen degenen, die er toe bijdragen, dat hij in zijn tegenwoordigen toestand blijft?”

„Ja, ja,” riep de hertog ongeduldig. „Indien u uw werk goed doet, mijnheer Holmes, zult gij u niet over een schrale behandeling hebben te beklagen.”

Mijn vriend wreef zich in de handen met een schijn van begeerigheid, die voor mij een verrassing was, daar ik zijn gewoonten tamelijk wel kende.

„Ik meen uw chèque-boek daar te zien liggen,” zei hij. „Het zou mij aangenaam zijn, indien Uwe Genade een chèque wilde uitschrijven voor 6000 pond. Misschien is het niet kwaad de chèque te endosseeren. De Capital and Counties Bank zijn mijn agenten.”

Zijne Genade ging rechtop zitten en keek mijn vriend ijskoud aan.

„Is dit scherts, mijnheer Holmes? Het is toch waarlijk geen onderwerp voor zoodanige grap.”

„In het geheel niet, Uwe Genade. Ik was nooit ernstiger in mijn leven dan op dit oogenblik.”

„Wat bedoelt u dan?”

„Ik bedoel, dat ik de belooning heb verdiend. Ik weet, waar uw zoon is en ik weet, wie hem hebben vastgehouden.”

De baard van den hertog scheen nog rooder te worden, vergeleken bij het bleeke gelaat.

„Waar is hij?” stamelde hij.

„Hij is of was gisteren avond in „De Vechtende Haan”, de herberg hier twee mijl vandaan.”

De hertog leunde achterover in zijn stoel.

„En wien beschuldigt gij dan?”

Het antwoord van Holmes was verrassend. Hij stapte snel naar voren en tikte den hertog op den schouder.

„Ik beschuldig u,” zei hij. „En nu, Uwe Genade, mag ik u om die chèque verzoeken?”

Nooit zal ik het voorkomen vergeten van den hertog, toen hij opsprong en met zijn handen zwaaide als iemand, die in een afgrond zinkt. Maar dadelijk zat hij weder met een buitengewone poging van aristocratische zelfbeheersching neder en liet het gelaat in de beide handen zinken. Het duurde eenige minuten voor hij sprak.

„Hoeveel weet gij?” vroeg hij eindelijk zonder op te kijken.

„Ik zag u beiden gisteren avond bij elkander.”

„Weet iemand behalve uw vriend hiervan iets?”

„Ik heb er met niemand over gesproken.”

„Ik zal mijn woord gestand doen, mijnheer Holmes. Ik zal de chèque schrijven, hoe onwelkom de informatie, [B 38]
[B 39]
die ik van u heb gekregen, ook voor mij is. Toen de belooning werd uitgeloofd, kon ik niet vermoeden, dat de zaak zulk een wending zou nemen. Maar gij en uw vriend zijn mannen, die weten te zwijgen.”

De moordenaar is ontsnapt. De moordenaar is ontsnapt.

„Ik begrijp Uwe Genade niet.”

„Ik moet mij duidelijker uitdrukken, mr. Holmes. Als gij alleen met dit incident bekend zijt, is er geen reden, dat we er nog meer van hooren. Ik denk, dat ik u twaalf duizend pond schuldig ben, is het niet?”

Holmes glimlachte en schudde het hoofd.

„Ik vrees, Uwe Genade, dat de zaak niet zoo gemakkelijk kan worden afgedaan. Wij mogen den moord op den schoolmeester niet uit het oog verliezen.”

„Maar James wist daar niets van. U kunt hem daarvoor niet verantwoordelijk stellen. Het was het werk van dien brutalen schurk, dien hij ongelukkigerwijs in den arm had genomen.”

„Ik moet mij op het standpunt plaatsen, dat wanneer iemand een misdaad beraamt, hij tevens zedelijk schuldig is aan elke misdaad, die er het gevolg van is.”

„Zedelijk, mijnheer Holmes. Ongetwijfeld hebt u gelijk. Maar reken niet uit het oogpunt der wet. Iemand kan niet veroordeeld worden voor een moord, waarbij hij niet tegenwoordig was en dien hij verafschuwt evenzeer als u. Op het oogenblik, dat hij er van hoorde, vertelde hij mij alles, zoozeer was hij vervuld van berouw en schrik.

„Hij liet geen tijd verloren gaan om met den moordenaar te breken. O, mijnheer Holmes, u moet hem redden! Ik zeg u, dat u hem moet redden. Ik apprecieer uw gedrag, dat u eerst hier zijt gekomen voor gij tot iemand anders hebt gesproken,” zei hij. „Wij kunnen nu ten minste overleggen in hoeverre wij dit afschuwelijke schandaal kunnen verzwijgen.”

„Juist,” zei Holmes. „Ik dank Uwe Genade, dat dit alleen kan gedaan worden door volkomen en algeheele openhartigheid tusschen ons. Ik ben bereid Uwe Genade naar mijn beste vermogen te helpen, maar om dat te kunnen doen, moet ik in de puntjes weten, hoe de zaak in elkaar zit. Ik begrijp, dat uw woorden betrekking hebben op mr. James Wilder en dat hij niet de moordenaar is.”

„Neen, de moordenaar is ontsnapt.”

Sherlock Holmes lachte witjes.

[B 40]
[B 41]

Ik hoorde hem zacht lachen, toen het licht viel op een Dunlopband. (Blz. 35). Ik hoorde hem zacht lachen, toen het licht viel op een Dunlopband. (Blz. 35).

„Uwe Genade zal zeker nooit gehoord hebben van mijn nederige reputatie, die ik heb, anders zou zij weten, dat men mij niet gemakkelijk ontsnapt. Mr. Reuben Hayes werd gisteren avond om elf uur op mijn aanwijzing te Chesterfield gearresteerd. Ik ontving een telegram daaromtrent van de plaatselijke politie, juist toen ik van morgen hierheen wilde gaan.”

„U schijnt eigenschappen te bezitten, die ternauwernood menschelijk zijn,” zei hij. „Dus, is Reuben Hayes gepakt? Ik ben blij dat te hooren, ten minste als James er geen nadeel van ondervindt.”

„Uw secretaris?”

„Neen, mijnheer, mijn zoon.”

„Ik beken, dat dit geheel nieuw voor mij is, Uwe Genade. Ik moet u verzoeken meer uitvoerig te zijn.”

„Ik zal niets voor u verbergen. Ik ben het met u eens, dat openhartigheid, hoe pijnlijk die ook voor mij moge zijn, de beste politiek is in dezen wanhopigen toestand, waarin wij door de dwaasheid en de afgunst van James zijn geraakt. Toen ik nog een zeer jong man was, mijnheer Holmes, beminde ik met een liefde, die slechts eenmaal in het leven komt. Ik bood aan de dame te huwen, maar zij weigerde op grond, dat daardoor mijn positie misschien benadeeld zou worden. Had zij nog geleefd, dan zou ik zeker met niemand anders zijn gehuwd. Zij stierf en liet dit kind na, dat ik om harentwille tot mij heb genomen en opgevoed. Ik kon de wereld niet zeggen, dat ik zijn vader was, maar ik gaf hem een zeer goede opvoeding en sedert hij man geworden is, heb ik hem als secretaris bij mij. Hij ontdekte mijn geheim en was steeds vol van de macht, die hij over mij had door met een schandaal te dreigen, hetgeen ik nooit zou willen. Zijn tegenwoordigheid stond ook in verband met mijn ongelukkig huwelijk. Boven alles haatte hij mijn wettigen erfgenaam van het begin af met een diepen haat. U zult mij vragen, waarom ik hem dan nog onder mijn dak hield? Dan antwoord ik, omdat ik het gelaat van zijn moeder in het zijne las. Al haar lieftallige manieren—niet een was er, die hij niet bezat en waardoor hij mij aan haar herinnerde. Ik kon hem niet wegzenden. Maar ik vreesde zoozeer, dat hij Arthur—dat is Lord Saltire—kwaad zou doen, dat ik den jongen voor zijn eigen veiligheid naar de school van dr. Huxtable zond.

„James kwam met dien Hayes in aanraking, omdat de man een huurder van mij was en James daarbij als tusschenpersoon optrad. De man was altijd een schurk, maar op de een of andere wijze werd James met hem bevriend. Hij had steeds een zwak voor gezelschap van minder allooi. Toen James het plan had opgevat Lord Saltire te ontvoeren, bediende hij zich van dezen man. Gij herinnert u, dat ik Arthur dien avond geschreven had. Nu, James opende den brief en deed er een briefje in, waarin hij Arthur verzocht hem te ontmoeten in een boschje, de „Ragged Shaw” geheeten, dat dicht bij de school is. Hij gebruikte den naam van de hertogin en zoodoende kwam de knaap. Dien avond ging James per fiets daarheen—ik vertel u precies, wat hij mij verteld heeft—en hij zeide tegen Arthur, dien hij in het woud ontmoette, dat zijn moeder zeer naar hem verlangde en op hem wachtte op de heide, en dat, wanneer hij te middernacht weer in het boschje kwam, hij daar een man zou vinden met een paard, die hem naar haar toe zou brengen. De arme Arthur liet zich beet nemen. Hij kwam op de afgesproken plaats en vond dezen Hayes met een gezadelde ponny. Arthur steeg op en samen gingen zij weg. Het schijnt—maar dat hoorde James gisteren eerst—dat zij achtervolgd werden; dat Hayes den vervolger met zijn stok een klap gaf en dat de man aan de bekomen wonde is overleden. Hayes bracht Arthur naar zijn herberg, „De Vechtende Haan”, waar hij in een kamer werd opgesloten en toevertrouwd aan de zorgen van juffrouw Hayes, die een vriendelijke vrouw is, maar geheel onder den invloed van haar brutalen man staat.

„Wel, mijnheer Holmes, dat was de staat van zaken, toen ik u voor het eerst zag. Ik wist even weinig van de waarheid als u. U zult mij vragen, waarom deed James het. Ik antwoord, dat er zeer veel onredelijks en fanatieks was in zijn haat jegens mijn erfgenaam. Volgens hem moest hij zelf erfgenaam zijn van al mijn goederen, en hij was ten zeerste verbitterd op de sociale begrippen, die dit verbieden. Terzelfder tijd had hij reeds een vast plan. Hij wilde mij voorstellen Arthur weer vrij te laten, mits ik bij testament hem mijn bezittingen afstond. Hij wist wel, dat ik nooit zou kunnen besluiten de hulp van de politie tegen hem in te roepen. Ik zeg, dat hij mij zulk een voorstel wilde doen, maar hij werd er van afgebracht, omdat de gebeurtenissen elkander te snel opvolgden en hij geen tijd had zijn plannen ten uitvoer te brengen. De ontdekking van het lijk van dezen Heidegger bracht al zijn plannen in de war. James was vervuld van afschuw bij het hooren van het nieuws. Toen wij gisteren samen in mijn studeervertrek zaten, kwam dr. Huxtable's telegram. James werd zoo aangedaan en schrok dermate, dat de vermoedens, die bij mij toch reeds bestonden, plotseling zekerheid werden en zoo beschuldigde ik hem plotseling van de daad. Hij legde toen vrijwillig een bekentenis af. Hij smeekte mij zijn geheim nog drie dagen te bewaren, om zijn medeplichtige kans te geven zijn leven te redden. Ik zwichtte, zooals ik steeds gezwicht ben, voor zijn beden en dadelijk haastte James zich naar „De Vechtende Haan” om Hayes te waarschuwen en hem in staat te stellen om te vluchten. Ik kon bij daglicht niet daarheen gaan, wilde ik praatjes voorkomen, maar zoodra het donker was, ging ik Arthur opzoeken. Ik vond hem gezond en wel, maar vooral verschrikt over de afschuwelijke daad, waarvan hij getuige was geweest. Zeer tegen mijn wil, maar met het oog op mijn belofte, beloofde ik hem nog drie dagen bij juffrouw Hayes te laten, daar het onmogelijk aanging de politie te laten weten, waar hij was, zonder den moordenaar aan te wijzen en ik zag niet in hoe de moordenaar kon gestraft worden, zonder mijn ongelukkigen James in het verderf te storten. Wees nu, mijnheer Holmes, op uw beurt openhartig tegen mij.”

„Dat wil ik,” zei Holmes. „In de eerste plaats moet ik Uwe Genade zeggen, dat u zich in een lastige positie hebt geplaatst voor het oog van de wet. U hebt aan een schurkenstreek meegeholpen en den moordenaar laten ontsnappen, want ik twijfel niet, of het geld, dat James Wilder genomen heeft om zijn medeplichtige in de gelegenheid te stellen weg te komen, kwam uit uw beurs.”

De hertog boog toestemmend.

„Dat is inderdaad een ernstige zaak. Nog erger is, volgens mijn meening, uw houding tegenover uw jongsten zoon. U laat hem drie dagen in dat hol.”

„Onder de plechtige belofte—”

„Wat zijn beloften bij dergelijke menschen? U hebt geen waarborgen, dat hij niet verder ontvoerd wordt. Om uw schuldigen oudsten zoon te hulp te komen, stelt gij den ander aan een groot en onnoodig gevaar bloot. Het was een niet te rechtvaardigen daad. Toch wil ik u helpen, op één voorwaarde. En dat is, dat u een lakei roept en hem de bevelen geeft, die ik wensch.”

Zonder een woord te zeggen, drukte de hertog op een electrische schel. Een lakei kwam binnen.

„Het zal je aangenaam zijn te vernemen,” zei Holmes, „dat de jonge Lord Saltire teruggevonden is. Het is het verlangen van den hertog, dat een rijtuig wordt gezonden naar „De Vechtende Haan” om Lord Saltire daar af te halen.”

„Nu,” zei Holmes, toen de verheugde lakei verdwenen was, „nu de toekomst verzekerd is, kunnen wij ons veroorloven bij het verleden nog even stil te staan. Wat Hayes betreft, zeg ik niets. De galg wacht hem, en ik zal geen hand uitsteken om hem te redden. Wat hij zal loslaten, weet ik niet, maar ik twijfel niet of Uwe Genade kan hem aan het verstand brengen, dat het in zijn belang is zijn mond te houden. De politie denkt natuurlijk, dat hij den knaap heeft ontvoerd met het oog op het losgeld. Als zij het zelf niet uitvinden, zie ik geen reden, waarom ik mij zou haasten hen wijzer te maken. Ik wil Uwe Genade echter waarschuwen, dat de voortdurende aanwezigheid van James Wilder slechts tot ongelukken kan leiden.”

„Dat begrijp ik, mijnheer Holmes en reeds is bepaald, dat hij mij voorgoed zal verlaten en zijn fortuin in Australië gaan zoeken.”

„In dat geval, Uwe Genade, zou ik, te meer waar u zelf zegt, dat het ongelukkig huwelijk een gevolg was van zijn aanwezigheid, u raden aan de hertogin uw verontschuldigingen aan te bieden voor zoover dat gaat en te trachten de betrekkingen, die zoo ongelukkig zijn afgebroken, weer aan te knoopen.”

„Daar heb ik al voor gezorgd, mijnheer Holmes. Ik heb gisteren reeds aan de hertogin geschreven.”

„En verder,” zei Holmes opstaande, „geloof ik, dat mijn vriend en ik ons kunnen gelukwenschen met vele gelukkige resultaten tijdens ons kort bezoek aan het Noorden. Er is nog een klein punt, waarover ik gaarne zou worden ingelicht. Deze Hayes had zijn paarden beslagen met ijzers, die aan de sporen van koeien deden denken. Leerde hij van mijnheer Wilder deze list?”

De hertog dacht een oogenblik na met een uitdrukking vol verrassing op zijn gelaat. Vervolgens opende hij een deur en bracht ons in een kamer, die dienst deed als museum. Hij ging ons voor naar een glazen kast en wees op het opschrift.

„Deze ijzers,” luidde het, „werden in de grachten van Holdernesse Hall gevonden. Zij zijn voor het gebruik van paarden, maar zij zijn van onderen gekloofd, om vervolgers op een dwaalspoor te leiden. Men vermoedt, dat zij hebben behoord aan een van de roofridders van Holdernesse Hall in de middeleeuwen.”

Holmes opende de kast en zijn vinger nat makende, streek hij er mee langs het ijzer. Een dun laagje modder bleef aan zijn huid kleven.

„Dank u,” zei hij, de kast sluitend. „Het is het tweede interessante voorwerp, dat ik in het Noorden gezien heb.”

„En het eerste?”

Holmes vouwde de chèque op en legde haar zorgvuldig in zijn portefeuille. „Ik ben een arm man,” zei hij, terwijl hij op de portefeuille klopte en ze in het diepst van een zijner zakken liet verdwijnen.


II.
101 of 191
27 pages left
CONTENTS
Chapters
Highlights