IV.

V.

De dood van Sherlock Holmes.

Met een zwaar hart neem ik de pen op om deze laatste woorden, waarin ik de wonderbaarlijke geestesgaven boekstaaf, waardoor zich mijn vriend Sherlock Holmes onderscheidde, neder te schrijven. Onsamenhangend en, zooals ik maar al te wel gevoel, zeer onvolkomen heb ik een verhaal gegeven van mijn vreemde ervaringen in zijn gezelschap—van het toeval af, dat ons voor de eerste maal[A] samenbracht tot den tijd, toen hij in de geschiedenis van het Scheepvaart-verdrag zijn tusschenkomst verleende, een tusschenkomst, waardoor hij een reeks internationale verwikkelingen voorkwam. Het lag aanvankelijk in mijn plan, daarmede mijn „gedenkschriften” van Sherlock Holmes te besluiten en niets te zeggen van de gebeurtenis, die een leegte in mijn leven heeft gebracht, welke na een tijdsverloop van twee jaren nog niet is aangevuld. De brieven, waardoor korten tijd geleden kolonel James Moriarty de nagedachtenis van zijn broer van blaam trachtte te zuiveren, noodzaken mij evenwel tot schrijven en mij blijft geen andere keus, dan de feiten nauwkeurig aan het publiek mede te deelen. Ik alleen ken de ware toedracht der zaak en het verheugt mij, dat de tijd gekomen is, dat het tot niets meer dient, de waarheid te verzwijgen. Zoover ik weet, zijn er slechts drie verhalen, op de geschiedenis betrekking hebbende, in de pers verschenen, dat in het Journal de Genève op den 6en Mei 1891, een dépêche van Reuter in de Engelsche kranten op 7 Mei en ten slotte de onlangs verschenen brieven, waarop ik zooeven zinspeelde. De eerste en de tweede hiervan waren zeer beknopt, terwijl in den laatsten, zooals ik zal aantoonen, de feiten geheel verkeerd zijn voorgesteld. Op mij rust thans de plicht, voor de eerste maal te vertellen, wat er werkelijk plaats vond tusschen professor Moriarty en Sherlock Holmes.

Ik moet hier even in herinnering brengen, dat na mijn huwelijk en mijn daarop gevolgde werkzaamheid als geneesheer, in de nauwe betrekking, waarin ik tot Holmes stond, wel eenige wijziging kwam. Van tijd tot tijd kwam hij nog wel bij mij, als hij een metgezel in zijn nasporingen zocht, maar zulks werd toch hoe langer hoe zeldzamer, zoodat ik b.v. in 1890 van slechts drie gevallen aanteekeningen bezit. In den winter van dit jaar en de vroege lente van 1891 zag ik in de bladen, dat Holmes voor een hoogst gewichtige aangelegenheid in dienst van de Fransche regeering werkzaam was, en ik ontving twee brieven van Holmes, een uit Narbonne en een uit Nimes, waaruit ik opmaakte, dat zijn verblijf in Frankrijk waarschijnlijk van langen duur zou zijn. Ik was dus wel verrast, toen ik hem in den avond van den 24sten April mijn spreekkamer zag binnentreden en het trof mij, dat hij er nog bleeker en schraler uitzag dan anders.

„Ja, ik heb wel wat veel van mijn krachten gevergd,” zeide hij, meer in antwoord op mijn blik dan op mijn woorden. „Men vervolgt mij den laatsten tijd een weinig. Hebt gij er iets tegen, dat ik uw luiken sluit?”

De kamer werd alleen verlicht door de lamp op de tafel, waarbij ik had zitten lezen. Holmes liep langs de wanden der kamer naar de vensters, sloeg de luiken dicht en sloot ze stevig.

„Zijt gij ergens bang voor?” vroeg ik.

„Ja, dat ben ik.”

„Waarvoor vreest ge?”

„Voor windroeren.”

„Mijn waarde vriend Holmes, wat bedoelt ge?”

„Ik geloof, dat gij mij goed genoeg kent, Watson, om te weten, dat ik volstrekt geen zenuwachtig man ben. Het is intusschen meer een blijk van domheid dan van moed, niet te willen erkennen, dat een dreigend gevaar naakt. Mag ik u om een lucifer verzoeken?” Hij zoog den rook van zijn cigarette op, en de kalmeerende invloed daarvan scheen hem weldadig aan te doen.

„Ik moet u verschooning vragen, dat ik zoo laat bij u kom, en ik moet u verder verzoeken u zoo weinig aan de vormen te storen, dat gij mij toestaat uw huis te verlaten, door over den achtermuur van uw tuin te klauteren.”

„Maar wat heeft dit toch alles te beteekenen?” vroeg ik.

Hij strekte zijn hand uit, en nu zag ik bij het licht der lamp, dat twee van zijn knokkels gewond waren en bloedden.

„Het is geen luchtig zaakje, zooals gij ziet,” zeide hij glimlachend. „Integendeel, ze is stevig genoeg, om er zijn hand tegen stuk te slaan. Is mevrouw Watson te huis?”

„Zij is op bezoek.”

„Inderdaad. Zijt gij alleen?”

„Geheel en al.”

„Dat maakt het mij gemakkelijker, om u voor te stellen mij een week op het vasteland te vergezellen.”

„Waar zullen we heen gaan?”

„O, hier of daar. Het is mij onverschillig.”

Deze voorslag kwam mij zeer vreemd voor. Het lag niet in Holmes' aard, zonder doel zijn bezigheden er aan te geven en aan zijn bleek, afgemat gelaat kon ik zien, dat zijn zenuwen in de hoogste mate overprikkeld waren. Hij las in mijn oogen, wat ik hem wilde vragen en zijn vingertoppen tegen elkaar drukkende en zijn ellebogen op zijn knieën zettende, deelde hij mij mede, in welken toestand hij zich bevond.

„Gij hebt waarschijnlijk nooit van professor Moriarty gehoord?” zeide hij.

„Nooit.”

Twee van zijn knokkels waren gewond en bloedden. Twee van zijn knokkels waren gewond en bloedden.

„Hé, dat is juist het wonderlijkste van de geschiedenis!” riep hij. „De man beheerscht Londen en niemand kent hem. Dat is het, wat hem in de kronieken der misdaad bovenaan plaatst. In allen ernst kan ik u zeggen, Watson, dat zoo ik dien man kon slaan, indien ik de maatschappij van hem kon verlossen, ik het hoogste punt in mijn loopbaan zou hebben bereikt en ik bereid zou wezen, een rustiger, vreedzamer leven te beginnen. Onder ons gezegd, door de laatste misdaden, waarin ik mijn hulp verleend heb aan de koninklijke familie van Scandinavië en aan de Fransche republiek, is mijn positie van dien aard geworden, dat ik verder rustig voort kan leven, wat ook het meest met mijn aard overeenkomt en mij geheel aan mijn scheikundige studiën zou kunnen wijden. Maar ik zou niet kunnen rusten, Watson, ik zou niet bedaard op mijn stoel kunnen blijven zitten bij de gedachte, dat zulk een man als professor Moriarty ongehinderd door Londens straten wandelt.”

„Wat heeft die man dan gedaan?”

„Hij heeft tot dusver een buitengewone carrière gehad. Het is een man van goede geboorte en uitmuntende opvoeding, door de natuur begaafd met zeldzamen aanleg voor wiskundige studie. Op een en twintigjarigen leeftijd schreef hij een verhandeling over het Binomium van Newton, waardoor hij zich een Europeeschen naam verwierf. De bekwaamheid, waarvan hij hierin blijk gaf, deed hem een leerstoel in de wiskunde aan een der kleinere hoogescholen verwerven en alles scheen hem een schitterende loopbaan te voorspellen. Maar de man had overgeërfde karaktertrekken van den meest duivelschen aard. Een neiging tot de misdaad zat hem in 't bloed, die door zijn buitengewone intellectueele begaafdheid niet vernietigd maar integendeel versterkt en veel gevaarlijker werd. In de universiteitsstad kwamen kwade geruchten omtrent hem in omloop en weldra was hij genoodzaakt zijn leerstoel te laten varen en naar Londen te vertrekken, waar hij zijn praktijken voortzette. Dit alles is bekend, maar wat ik u verder ga vertellen, weet ik alleen dank zij eigen onderzoek.

Zooals gij weet, Watson, is er in Londen niemand, die de groote misdadigerswereld zoo goed kent als ik. Al jaren lang was ik mij voortdurend bewust, dat er een macht achter den boosdoener stond, een organiseerende kracht, die steeds de wet in den weg staat en den misdadiger met zijn schild dekt. Telkens en telkens weer, in gevallen van het meest verschillende karakter—gevallen van inbraak, diefstal, moord—heb ik de aanwezigheid van deze macht gevoeld en haar werkzaamheid kunnen nagaan in vele van die verborgen gebleven misdaden, waarin ik niet persoonlijk geraadpleegd werd. Al jaren lang heb ik getracht den sluier op te lichten, welke deze geheimzinnige macht voor mij verborgen hield, tot ik ten slotte den draad van 't geheim in handen kreeg, en dien langs duizend listige bochten volgend, ontmoette ik den ex-professor Moriarty, de wiskundige beroemdheid.

Deze Moriarty is de Napoleon van de misdaad, Watson. Hij is het organiseerende talent van de helft der misdaden, die in deze groote stad gepleegd worden en van bijna alle misdaden, wier bedrijvers niet worden ontdekt. Hij is een genie, een wijsgeer, een diepzinnig denker. Hij heeft een verstand van den eersten rang. Hij zit bewegingloos als een spin in het midden van haar web; maar dat web heeft duizend stralen en hij kent elke trilling daarvan. Hij zelf doet weinig. Hij smeedt alleen plannen. Maar zijn agenten zijn talrijk en goed georganiseerd. Moet er een misdaad worden gepleegd, b.v. een papier geroofd, een huis geplunderd, een man uit den weg geruimd—men stelt den professor van dit plan in kennis, en de zaak wordt op touw gezet en uitgevoerd. Wordt de pleger der misdaad gesnapt, men heeft geld als borgtocht voor zijn invrijheidstelling of zijn verdediging. Maar de centrale macht, die den agent gebruikt—wordt nooit gesnapt, wordt zelfs niet verdacht. Dit is de organisatie, Watson, door mij ontdekt en aan welker openbaarmaking en vernietiging ik voornemens ben al mijn krachten te wijden.

Maar de professor is omringd door een aantal schildwachten, die zoo goed op hun hoede waren en zoo schrander te werk gingen, dat het bijna onmogelijk scheen bewijzen in handen te krijgen, om hem voor de rechtbank te brengen. Gij kent mijn krachten, Watson, en toch na verloop van drie maanden moest ik bekennen, dat ik een tegenstander had gevonden, die verstandelijk mijn gelijke was. Mijn afgrijzen van zijn misdaden werd op den achtergrond gedrongen door mijn bewondering voor zijn schranderheid. Maar ten laatste beging hij een misslag,—slechts een kleinen, kleinen misslag—maar daardoor gaf hij zich al te veel bloot, toen ik hem reeds zoozeer in het nauw had gebracht. Ik nam mijn kans waar en ik heb mijn net zoo goed om hem geweven, dat er bijna aan geen ontkomen meer te denken is. Binnen drie dagen, dat is te zeggen aanstaanden Maandag, is mijn plan uitgevoerd en zal de professor zich met de voornaamste leden van zijn bende in handen der politie bevinden. Dan zal het grootste misdadigersproces van de geheele eeuw beginnen; meer dan veertig geheimen zullen worden ontsluierd en allen zullen veroordeeld worden tot den dood aan de galg—maar als wij onzen tijd niet afwachten, dan kunnen ze ons, zooals gij wel kunt begrijpen, nog ontglippen, zelfs op het laatste oogenblik.

Indien ik dit alles had kunnen doen, zonder dat professor Moriarty daarvan iets bekend werd, zou alles in orde zijn geweest. Maar deze was daarvoor te uitgeslapen. Hij zag elken stap, dien ik deed om mijn net om hem te spannen. Telkens trachtte hij te ontsnappen, maar even dikwijls verhinderde ik het hem. Ik durf u verzekeren, mijn vriend, dat indien er een uitvoerig verhaal van deze stille worsteling geschreven kon worden, dit verhaal het schitterendste voorbeeld van aanval en verweer uit de kronieken der geheime politie zou zijn. Nooit heb ik mij bekwamer betoond en nooit werd ik door een tegenstander zoo in 't nauw gebracht. Hij legde zijn mijnen diep aan en ik groef nog juist dieper dan hij. Dezen morgen deed ik de laatste stappen en nog slechts drie dagen waren noodig om de zaak tot een goed einde te brengen. Ik zat in mijn kamer en overdacht de zaak nog eens, toen de deur geopend werd en professor Moriarty voor mij stond.

Professor Moriarty stond voor mij. Professor Moriarty stond voor mij.

Mijn zenuwen zijn nog al tegen iets bestand, maar ik moet toch bekennen, dat ik schrok, toen ik den man, met wien zich mijn gedachten zoozeer bezighielden, daar op den drempel zag staan. Zijn voorkomen heeft overeenkomst met het mijne. Hij is buitengewoon lang en schraal, zijn voorhoofd is blank en gewelfd en zijn oogen liggen diep in zijn hoofd. Hij is glad geschoren, bleek en heeft in zijn uiterlijk nog iets van een professor. Zijn rug is krom door veel studie en zijn gelaat steekt vooruit en beweegt zich langzaam van de eene naar de andere zijde op een wonderlijke manier, die aan de bewegingen van een kruipend dier doet denken. Nieuwsgierig gluurde hij mij aan van onder zijn gefronste wenkbrauwen.

„Uw voorhoofd is minder sterk ontwikkeld, dan ik mij heb voorgesteld,” zeide hij, na mij eenigen tijd aangekeken te hebben.

„Het is een gevaarlijke gewoonte een geladen vuurwapen in den zak van de huisjas met de vingers te betasten.”

De waarheid was, dat ik, toen hij de kamer binnentrad, terstond had bemerkt, in welk persoonlijk gevaar ik mij bevond. In een oogenblik had ik mijn revolver uit de lade genomen, in mijn zak gestoken en met een doek bedekt. Bij zijn woorden haalde ik het wapen voor den dag en legde het met gespannen haan op tafel. Hij glimlachte nog en knipoogde, maar daar was iets in zijn oogen, dat mij heel blijde deed zijn, dat ik mijn wapen onder mijn bereik had.

„Gij kent mij klaarblijkelijk niet,” zeide hij.

„Integendeel,” gaf ik ten antwoord. „Het is nog al duidelijk, dat ik u wel ken. Ga als 't u blieft zitten. Ik heb vijf minuten tijd, als gij mij iets hebt te zeggen.”

„Al wat ik u heb te zeggen, weet gij reeds,” zeide hij.

„Dan weet gij mogelijk ook mijn antwoord al,” gaf ik ten antwoord.

„Staat uw besluit vast?”

„Onwrikbaar.”

Hij stak zijn hand in zijn zak en ik hief den revolver van de tafel. Hij haalde evenwel slechts een notitieboekje voor den dag, waarin hij eenige datums had opgeteekend.

„Op den 4den Januari hebt gij mij ontmoet,” zeide hij. „Op den 23sten dier maand zijt gij mij lastig gevallen; in het midden van Februari bracht gij mij ernstig in ongelegenheid; op het einde van Maart werd ik in mijn plannen gedwarsboomd, en nu op het einde van April verkeer ik door uw aanhoudende vervolging in gevaar mijn vrijheid te verliezen. Mijn toestand wordt onhoudbaar.”

„Hebt gij mij eenigen voorslag te doen?” vroeg ik.

„Gij moet er mee ophouden, mijnheer Holmes,” zeide hij, zijn hoofd opheffende. „Gij moet dit werkelijk, weet gij.”

„Na Maandag a.s.”

„Tut, tut. Ik weet zeker, dat een man, zoo schrander als ge zelf, zal inzien, dat er maar één kans bestaat om u uit deze zaak te redden. Het is noodzakelijk, dat gij terugtrekt. Gij hebt ons beiden nu in zulke omstandigheden gebracht, dat er slechts één uitkomst denkbaar is. Het heeft mij inderdaad geestelijk genot verschaft, u in deze zaak te zien worstelen en ik zeg het zonder vleierij, dat het mij leed zou doen, indien ik gedwongen werd tot een uitersten maatregel mijn toevlucht te nemen. Gij glimlacht, mijnheer, maar ik verzeker u, dat ik het inderdaad zou doen.”

„Gevaar behoort bij mijn beroep,” merkte ik op.

„Dit is meer dan gevaar. Het is uw onvermijdelijke ondergang. Gij staat niet tegenover één persoon, maar tegenover een machtige organisatie, waarvan gij den omvang met al uw schranderheid nog niet beseft. Gij moet zeer vast staan, mijnheer Holmes, of gij wordt onder den voet getreden.”

„Ik vrees,” zeide ik, overeind staande, „dat ik door het genoegen van dit gesprek bezigheden, die mij elders wachten, verzuim.”

Hij stond eveneens overeind en zag mij zwijgend aan, treurig het hoofd schuddend.

„Wel, wel. Het is jammer, maar ik heb gedaan wat ik kon,” zeide hij ten laatste. „Ik ken elken zet van uw spel. Gij kunt voor Maandag niets doen. Het was een duel tusschen ons beiden, mijnheer Holmes. Gij hoopt mij in de bank der beschuldigden te brengen. Doch ik zeg u, dat ik nooit in de bank der beschuldigden zal staan. Gij hoopt mij te slaan, ik zeg u, dat gij mij nooit zult slaan. Zijt gij schrander genoeg om mij in het verderf te storten, houd u verzekerd, dat ik u een gelijk lot zal bezorgen.”

„Gij hebt mij verscheidene loftuitingen toegezwaaid, mijnheer Moriarty,” zeide ik. „Laat ik op mijn beurt zeggen, dat ik gaarne in 't algemeen belang de kans op het laatste zou aannemen, als ik de zekerheid had, dat het eerste zou gebeuren.”

„Het eene kan ik u beloven, maar niet het andere,” meesmuilde hij en bij deze woorden keerde hij mij zijn gebogen rug toe en verliet glurende en knipoogende de kamer.

Hij keerde mij zijn gebogen rug toe. Hij keerde mij zijn gebogen rug toe.

Van dien aard was mijn zonderling onderhoud met professor Moriarty. Ik beken het u eerlijk, dat het een onaangenamen indruk bij mij achterliet. De bedaarde toon, waarop hij sprak, schenkt mij meer de overtuiging, dat hij meent, wat hij zegt, dan grootspraak zou doen. Natuurlijk zult gij zeggen: „Waarom neemt gij geen politie-voorzorgen tegen hem?” Daarom niet, wijl ik overtuigd ben, dat van den kant zijner agenten het gevaar dreigt. Mij zijn al de bewijzen er voor gegeven, dat het zoo zal wezen.”

„Zijt gij reeds aangevallen?”

„Mijn waarde Watson, professor Moriarty is niet een man, die er gras over laat groeien. Heden middag ging ik voor eenige zaken naar Oxford-Street. Toen ik den hoek passeerde, waar de Bentinck-Street en de Welbeck-Street elkaar kruisen, kwam een met twee paarden bespannen huifkar in woeste vaart op mij af. Ik sprong ter zijde op het trottoir; een seconde later en ik zou verpletterd zijn geworden. De huifkar snelde Marylebone-Lane in en was een oogenblik later uit het gezicht verdwenen. Ik nam hierna den weg voor voetgangers, doch in de Vere-Street kwam een baksteen van een der huizen naar beneden en viel aan mijn voeten aan stukken. Ik riep de politie en stelde een onderzoek in. Op het dak lagen pannen en baksteenen voor een reparatie opgestapeld, en men wilde mij doen gelooven, dat de wind een daarvan naar beneden had doen tuimelen. Natuurlijk wist ik wel beter, doch kon niets bewijzen. Daarna nam ik een rijtuig en bereikte de woning van mijn broer in Pall Mall, waar ik werd aangevallen door een ruwen kerel met een knots gewapend. Ik sloeg hem neer en de politie heeft hem in hechtenis genomen, maar ik durf met het volste vertrouwen verzekeren, dat men er nooit achter zal komen, dat er eenige betrekking bestaat tusschen het heerschap op wiens snijtanden ik mijn knokkels heb stuk geslagen en den mathematicus Moriarty, die tien mijlen van de plek, waar de aanval geschiedde, vraagstukken op het zwarte bord uitwerkt. Het zal u zeker niet meer verwonderen, dat ik na uw kamer te zijn binnengetreden, terstond de luiken heb gesloten en u verlof moest vragen uw huis door een minder zichtbaren uitgang dan de voordeur te verlaten.”

Dikwijls had ik den moed van mijn vriend bewonderd, maar nooit meer dan nu, toen hij daar kalm een reeks van gebeurtenissen verhaalde, die samen den dag tot een verschrikking voor hem hadden gemaakt.

„Wilt gij hier den nacht doorbrengen?” zeide ik.

„Neen vriend, gij zoudt mij een te gevaarlijken gast kunnen vinden. Ik heb mijn plannen gevormd en alles zal goed afloopen. De zaken zijn nu zoover gevorderd, dat men hen zonder mijn hulp wel kan in hechtenis nemen, ofschoon mijn tegenwoordigheid vereischt wordt voor hun veroordeeling. Het is daarom duidelijk, dat ik niets beters kan doen, dan mij gedurende de weinige dagen, die er nog verloopen, aleer de politie vrijheid tot handelen heeft, te verwijderen, en het zou mij zeer veel genoegen doen, indien gij mij naar het vasteland wildet vergezellen.”

„Het is tegenwoordig stil met mijn praktijk en ik heb een gedienstigen buurman. Ik zal gaarne met u op reis gaan.”

„En morgen vroeg vertrekken?”

„Als het noodzakelijk is.”

„O ja, het is noodzakelijk. En dan zal ik u eenige instructiën geven met het dringend verzoek, Watson, ze letterlijk op te volgen, want gij speelt nu met mij een gevaarlijk spel tegen den meest geslepen schurk en de machtigste misdadigersbende van gansch Europa. Luister nu!

„Al de bagage, die gij voornemens zijt mede te nemen, zendt gij met een vertrouwden kruier dezen avond zonder adres naar het Victoria-station. Morgen vroeg moet gij een hansom bestellen en uw bediende last geven noch het eerste, noch het tweede rijtuig, dat voorkomt, te nemen. Gij moet dan in de hansom springen en naar het Strand-einde van de Lowther Arcade rijden, terwijl gij het adres van uw koffers aan den koetsier op een strookje papier overhandigt met verzoek dit niet weg te werpen. Houdt de vracht klaar en dadelijk nadat het rijtuig stilstaat, moet gij door de Arcade snellen en u haasten om de andere zijde te kwart over negen te bereiken. Dicht bij het trottoir wacht u een brougham, met een man in een dikken zwarten mantel, de kraag met rood afgezet als koetsier. Gij stapt die brougham binnen en zult vroeg genoeg aan 't Victoria-station komen om den sneltrein naar het vasteland te halen.”

„Waar zal ik u ontmoeten?”

„Aan het station. De tweede wagon 1ste klasse van voren af gerekend zal voor ons gereserveerd worden.”

„Is dat spoorwegrijtuig dan de plaats, waar wij bij elkaar komen?”

„Ja.”

Vruchteloos verzocht ik Holmes, dien avond bij mij te blijven. Blijkbaar was hij bevreesd, dat het huis, onder welks dak hij vertoefde, ongeluk zou aanbrengen, en dit was het, wat hem tot vertrekken drong. Na een paar haastige woorden over onze plannen voor den volgenden dag, stond hij op, ging met mij in den tuin, klauterde over den muur, die aan de Mortimer-Street grenst, en riep terstond een rijtuig aan, waarin ik hem hoorde wegrijden.

Den volgenden morgen hield ik mij letterlijk aan Holmes' instructiën. Ik nam de voorzorg niet in het rijtuig te stappen, dat voor ons was klaar gezet en reed onmiddellijk na het ontbijt naar de Lowther Arcade, die ik zoo snel mogelijk doorliep. Aan het eind daarvan wachtte een brougham met een stevigen koetsier in een donkeren mantel gehuld en die, zoodra ik in het rijtuig zat, de zweep over het paard legde en snel naar het Victoria-station reed. Toen ik was uitgestapt, keerde hij terstond om en reed weer terug, zonder zelfs naar mij om te zien.

Mijn afgeleefde Italiaansche vriend. Mijn afgeleefde Italiaansche vriend.

Zoover was alles wonderlijk goed gegaan. Mijn bagage was aanwezig en ik had volstrekt geen moeite het door Holmes aangeduide spoorwegrijtuig te vinden, dit te minder, omdat het de eenige wagon in den trein was, waarop stond: „Besproken.” De eenige reden tot bezorgdheid was nu het niet verschijnen van Holmes. De stationsklok wees nog slechts zeven minuten aan vóór het oogenblik, dat de trein zou vertrekken. Vruchteloos zocht ik onder de groepen reizigers en personen, die even den trein verlieten, naar de slanke gestalte van mijn vriend. Er was geen spoor van hem. Een paar minuten gingen voorbij, waarin ik luisterde naar een eerwaardig Italiaansch priester, die in zijn gebroken Engelsch een conducteur trachtte aan 't verstand te brengen, dat zijn bagage naar Parijs moest worden doorgezonden. Na vervolgens nog eens rondgekeken te hebben, keerde ik naar mijn coupé terug, waar ik tot de ontdekking kwam, dat de conducteur in weerwil van het opschrift „besproken” [A 143]
[A 144]
mij mijn afgeleefden Italiaanschen vriend tot reismakker had gegeven. Vergeefs trachtte ik hem te beduiden, dat hij een indringer was, want mijn kennis van het Italiaansch was nog geringer dan de zijne van het Engelsch, en zoo haalde ik de schouders op en keek weer bezorgd naar mijn vriend uit. Ik beefde van angst bij de gedachte, dat hem in den afgeloopen nacht een ongeluk kon zijn overkomen. Reeds waren al de portieren gesloten; de stoomfluit gilde, toen—

„Beste Watson, gij hebt u zelfs niet verwaardigd mij goeden morgen te wenschen,” zeide een stem.

Ik keerde mij om, mijn verbazing geen, meester. De oude geestelijke had zijn gelaat naar mij toe gewend. Voor een oogenblik waren de rimpels gladgestreken, de neus en de kin verwijderd; de onderlip stak niet meer vooruit, de mond mompelde niet meer; de doffe oogen schitterden weer; de in elkaar gebogen gestalte richtte zich op. Het volgende oogenblik stortte het beeld in elkaar en Holmes was weer verdwenen, even snel als hij gekomen was.

„Goede hemel! Hoe verschrikt gij mij!” riep ik.

„Alle mogelijke voorzorgen zijn nog noodig,” fluisterde hij. „Ik heb redenen te gelooven, dat zij ons dicht op de hielen zitten. Ha, daar is Moriarty zelf.”

Terwijl Holmes sprak, had de trein zich reeds in beweging gezet. Terugziende bemerkte ik een langen man, die zich met geweld een weg door de menigte baande en met de hand wuifde, alsof hij verlangde, dat de trein stil bleef staan. Het was evenwel te laat, en een oogenblik daarna lag het station een eind achter ons.

„Met al onze voorzorgen zijn wij nog net den dans ontsprongen, zooals gij ziet,” zeide Holmes lachende. Hij stond overeind en ontdeed zich van zijn zwart kleed en hoed, die zijn vermomming vormden, en borg deze kleedingstukken weg in zijn handvalies.

„Hebt gij het ochtendblad gelezen, Watson?”

„Neen.”

„Dus hebt gij ook niet gelezen, wat er in Baker-Street gebeurd is?”

„Baker-Street?”

„Zij hebben van nacht in onze kamers brand gesticht. De schade is niet groot.”

„Genadige hemel, Holmes, dat gaat toch alle perken te buiten.”

„Zij moeten mijn spoor na de inhechtenisneming van den knotsman geheel en al zijn bijster geworden. Anders zouden zij niet in de meening verkeerd hebben, dat ik naar mijn woning was teruggekeerd. Zij hebben evenwel de voorzorg genomen, u te bespieden, en dat is het, wat Moriarty naar het Victoria-station heeft gebracht. Gij hadt bij uw komst niet de minste fout begaan.”

„Ik heb in alles uw raad opgevolgd.”

„Vondt gij uw brougham?”

„Ja, zij wachtte op mij.”

„Hebt gij uw koetsier herkend?”

„Neen.”

„Het was mijn broer Mycroft. Het is in zulke omstandigheden een voordeel, dat men geen huurling in vertrouwen behoeft te nemen. Doch wij moeten nu overleggen, hoe wij ten opzichte van Moriarty moeten handelen.”

„Wijl dit een sneltrein is en de boot er op correspondeert, zou ik denken, dat wij in 't geheel geen last meer van hem zullen hebben.”

„Mijn beste Watson, gij hebt klaarblijkelijk mijn bedoeling niet gevat, toen ik zeide, dat die man in intellectueele ontwikkeling met mij op één lijn gesteld mag worden. Gij verbeeldt u toch niet, dat indien ik de vervolger was, ik mij door zulk een geringen hinderpaal uit het veld zou laten slaan? Waarom zouden wij dan zulk een lagen dunk van hem hebben?”

„Wat zal hij doen?”

„Wat ik in dit geval zou doen.”

„En wat zoudt gij dan doen?”

„Een extra-trein huren.”

„Maar het moet nu al te laat zijn.”

„In geenen deele. Deze trein stopt te Canterbury; en daar wordt altijd wel een kwartier op de boot gewacht. Hij zal ons daar inhalen.”

„Men zou denken, dat wij de misdadigers zijn. Laten wij hem bij zijn aankomst in hechtenis nemen.”

„Dat zou mijn werk van drie maanden nutteloos maken. Wij zouden de groote visch hebben, maar de kleinere zouden rechts en links uit het net springen. Als wij tot Maandag geduld hebben, vangen wij hen allen. Neen, zijn arrestatie mag nu niet geschieden.”

„Wat dan?”

„Wij zullen te Canterbury uit den trein stappen.”

„En dan?”

„Wel, dan moeten wij zuidwaarts naar Newhaven reizen en dan de reis over Dieppe vervolgen. Moriarty zal alweer doen, wat ik zou doen. Hij zal naar Parijs reizen, onze bagage in 't oog houden en twee dagen bij het goederendepôt op ons wachten. In dien tijd zullen wij ons voorzien van een paar reiszakken, en verder in de streken, waardoor wij reizen, onze verdere benoodigdheden aanschaffen en op ons gemak via Luxemburg en Bazel onzen weg naar Zwitserland vervolgen.”

Te Canterbury verlieten wij dus den trein en vernamen daar, dat wij een uur moesten wachten, aleer er een trein naar Newhaven ging.

Ik keek nog met een gevoel van spijt den snel verdwijnenden bagagewagen na, die mijn garderobe bevatte, toen Holmes mij aan den arm trok en langs de spoorlijn wees.

Heel in de verte, boven de bosschen van Kent, spreidde zich een dunne rook uit. Een minuut later kwam een door een enkelen wagon gevolgde locomotief de kromming langs vliegen, die naar het station geleidde. Wij hadden nauwelijks den tijd achter een stapel bagage de wijk te nemen, toen zij ons snuivend en ratelend voorbijsnelde, ons een golf heete lucht in het gelaat blazende.

„Daar gaat hij,” zeide Holmes, terwijl wij de rijtuigen naoogden, die schommelend en slingerend in duizelingwekkende vaart over de rails voortrolden. „Gij ziet, dat de schranderheid van onzen vriend haar grenzen heeft. Het zou een meesterstuk van hem geweest zijn, had hij dezelfde gevolgtrekking gemaakt, die ik in zijn geval zou maken en dienovereenkomstig had gehandeld.”

„En wat zou hij gedaan hebben, als hij ons had overvallen?”

zij snelde snuivend en ratelend voorbij. zij snelde snuivend en ratelend voorbij.

„Men behoeft er niet 't minst aan te twijfelen, dat hij een moorddadigen aanval op mij zou gewaagd hebben. Dat is evenwel een spelletje, waarbij twee behooren. De vraag is nu, zullen wij hier vroeg een lunch nemen, of kans loopen te verhongeren voor wij te Newhaven komen?”


Wij reisden dien dag tot Brussel en bleven daar twee dagen, terwijl wij den derden dag Straatsburg bereikten. Des Maandagsmorgens zond Holmes een telegram aan de Londensche politie en dien avond vonden wij een antwoord in ons hotel. Holmes scheurde het telegram open, las het en wierp het met een bitteren vloek op het vuur.

„Ik had dit kunnen weten,” gromde hij. „Hij is ontsnapt.”

„Moriarty?”

„Zij hebben de gansche bende behalve hem in handen. Hij heeft hen beet gehad. Natuurlijk, toen ik was vertrokken, was er niemand in Londen, die het tegen hem kon opnemen. Maar ik dacht, dat ik hun het spel in handen had gegeven. Mijns inziens deedt gij nu maar het beste met naar Engeland terug te keeren, Watson.”

„Waarom?”

„Omdat ik nu een gevaarlijk reisgezel voor u zal wezen. Met Moriarty's bedrijf is het nu gedaan. Als hij naar Londen terugkeert, is hij een verloren man. Heb ik mij niet in zijn karakter vergist, dan zal hij nu al zijn geestkracht aanwenden, om zich op mij te wreken. Bij het korte onderhoud, dat wij met elkaar hadden, gaf hij mij dit te kennen en ik geloof, dat hij het meende. Ik moet u bepaald aanraden naar uw patiënten terug te keeren.”

Het was moeilijk te verwachten, dat hij met een dergelijken voorslag succes zou hebben bij iemand, die zoowel een oud soldaat als een oud vriend van hem was. In de eetzaal te Straatsburg zaten wij de zaak te bespreken, maar nog denzelfden avond hervatten wij gezamenlijk onze reis en bevonden ons thans op weg naar Genève.

We brachten een aangename week in het Rhônedal door en daarna bij Leuk een zijweg inslaande, trokken wij den Gemmipas over, die nog met een dikke sneeuwlaag was bedekt, en bereikten zoo over Interlaken het schoon gelegen Meiringen. Het was een verrukkelijk uitstapje; beneden het liefelijke groen der lente, boven het maagdelijk wit van den winter; maar ook in deze schoone omgeving vergat Holmes geen oogenblik de schaduw, die zijn weg verduisterde. In de eenvoudige Alpendorpen of in de eenzame bergpassen kon ik aan het snelle flikkeren van zijn oogen en uit den vorschenden blik, waarmede hij de enkele wandelaars, die ons voorbijkwamen, gadesloeg, bemerken, dat hij wel overtuigd was, dat waar onze weg ons ook mocht heenvoeren, wij ons niet konden onttrekken aan het ons dreigende gevaar.

Eens, ik herinner het mij nog goed, toen wij den Gemmi overtrokken en langs den oever van het sombere Daubenmeer gingen, rolde een groot rotsblok, dat van den bergwand was losgeraakt, naar beneden en stortte met donderend geluid in het meer achter ons. Oogenblikkelijk snelde Holmes tegen den berg op en na op een rotspunt plaats genomen te hebben, tuurde hij naar alle richtingen. Vergeefs verzekerde onze gids hem, dat een steenenval in de lente op die plaats een zeer gewoon verschijnsel was. Holmes zeide niets, maar hij glimlachte tegen mij als een man, die de vervulling ziet van de droeve gebeurtenis, die hij verwacht.

En toch, niettegenstaande al zijn waakzaamheid, was hij nooit neerslachtig. Integendeel, ik herinner mij niet, hem ooit zoo geestig gezien te hebben. Telkens weer herhaalde hij, dat hij welgemoed tot het ambtelooze leven zou terugkeeren, als hij de samenleving van professor Moriarty kon bevrijden.

„Ik geloof, Watson, dat ik vrij kon zeggen niet vergeefs geleefd te hebben,” zeide hij. „Ook als heden aan mijn werk een einde kwam, ik zou het met gelatenheid overleven. De Londensche lucht zou mij te zoeter zijn om in te ademen. Ik ben mij niet bewust, ook maar in een van de meer dan duizend gevallen, waarin ik hulp verleende, mijn macht tot een verkeerd doel gebruikt te hebben. In den laatsten tijd had het voor mij een bijzondere bekoring mij bezig te houden met de problemen door de natuur zelve aan de hand gedaan; liever dan met die, waarvoor onze kunstmatige samenleving verantwoordelijk is. Uw mémoires, Watson, zullen ten einde loopen op den dag, dat ik de kroon op mijn werk zet door de gevangenneming of den dood van den gevaarlijksten en bekwaamsten misdadiger van Europa.”

Een groot rotsblok stortte naar beneden. Een groot rotsblok stortte naar beneden.

Ik zal kort en toch nauwkeurig zijn in het weinige, dat mij nog te verhalen blijft. Het is geen onderwerp, waarbij ik gaarne met mijn gedachten verwijl en toch gevoel ik, dat op mij de plicht rust, geen enkele bijzonderheid weg te laten.

Op den 3den Mei kwamen wij aan in het kleine dorpje Meiringen en namen onzen intrek in het Engelsche Hof, waar toen de oude Peter Steiler kastelein was. Onze waard was een ontwikkeld man, die uitmuntend Engelsch sprak, daar hij drie jaren als kellner in het Grovesnor Hotel te Londen had gediend. Gevolg gevende aan zijn raad, vertrokken wij gezamenlijk in den namiddag van den 4den Mei met het voornemen de heuvelstreek door te trekken en den daaropvolgenden nacht in het gehucht Rosenlani te vertoeven. Men had ons vooral op 't hart gedrukt in geen geval te verzuimen een kleinen omweg te maken om de watervallen van Reichenbach, die halfweegs den heuvel zijn, te gaan zien.

Het is inderdaad een vreeselijke plek. De stroom, gezwollen door de smeltende sneeuw, stort zich in een diepen afgrond, waaruit het schuim in wolken opstijgt als de rook uit een brandend huis. Stel u voor de onmetelijk diepe kloof, omlijnd door glinsterende koolzwarte rotsen, zich aan het einde vernauwende tot een kokenden afgrond van onpeilbare diepte, over welks gezaagden rand de rivier met duizelingwekkende vaart voortschiet. Het groene, glinsterende water stroomt eindeloos ver, bruisende, schuimende en razende, en er boven hangt steeds een dik gordijn van damp, en wie aan den rand der kloof staande naar beneden ziet, moet wel duizelig worden door het eeuwig geraas en gewarrel en gedraai van den glinsterenden maalstroom beneden. Wij stonden nabij den rand en staarden op de glinstering van het water, ver beneden ons brekende tegen de zwarte rotsen, en luisterden naar het geheimzinnig geraas, dat tegelijk met het fijn verdeelde schuim opsteeg.

Ter halverwege van den waterval was een pad uitgehouwen, waardoor men een goed gezicht had op het verheven natuurtafereel, maar dit pad loopt plotseling dood tegen den bergwand, zoodat een reiziger op zijn schreden moet terugkeeren. Ook wij wilden dat doen, [A 152]
[A 153]
[A 154]
toen wij een Zwitserschen knaap langs het pad zagen komen met een brief in zijn hand. De brief droeg het adres van het hotel, dat wij zooeven verlaten hadden en was aan mij door den waard geadresseerd. Hij meldde mij, dat eenige minuten na ons vertrek een Engelsche dame was aangekomen, die in de laatste periode van de tering was.

Beiden stortten in den afgrond (blz. 158). Beiden stortten in den afgrond (blz. 158).

Zij had den winter in Davos Platz doorgebracht en was nu op reis naar haar vriendin te Lucern, toen zij plotseling een bloedspuwing kreeg. Men dacht, dat zij ternauwernood nog een paar uren te leven had, doch het zou haar zeer tot troost strekken, een Engelschen dokter te zien, en als ik slechts terug wilde keeren enz. enz. De goede Steiler verzekerde mij, dat hij mijn komst als een zeer groote gunst zou beschouwen, daar de dame volstrekt de hulp van een Zwitserschen geneesheer weigerde en hij voelde, dat op hem een groote verantwoordelijkheid rustte.

Ik kon het beroep op mijn hulp niet afslaan. Het was mij onmogelijk het verzoek te weigeren van een landgenoote, die stervende was in een vreemd land. Toch maakte ik bezwaar, Holmes te verlaten. Wij kwamen echter overeen, dat hij den jongen Zwitser als gezelschap bij zich zou houden, terwijl ik naar Meiringen terugkeerde. Mijn vriend wilde eenigen tijd bij den waterval blijven en dan langzaam over den heuvelrug naar Rosenlani wandelen, waar ik mij in den avond bij hem zou voegen. Toen ik heenging, stond Holmes met den rug tegen den rotswand, met de armen over elkaar geslagen, naar beneden ziende op den waterval. Het was de laatste maal, dat ik hem op deze wereld zou zien.

Toen ik nabij den voet van de helling was aangekomen, zag ik om. Het was nu onmogelijk den waterval te zien, maar ik ging het smalle voetpad over, dat er heen leidde. Langs het pad zag ik een man snel voortloopen. Zijn zwarte gestalte teekende zich scherp af tegen den groenen achtergrond. Ik merkte de vastheid van zijn gang; doch terwijl ik voortsnelde, verloor ik hem uit de gedachte.

Het duurde mogelijk iets langer dan een uur, eer ik Meiringen bereikte. De oude Steiler stond in het portaal van zijn hotel.

„Wel, het is toch niet erger met haar geworden?” zeide ik, binnenkomende.

Zijn gelaat nam een uitdrukking van verbazing aan en bij de eerste trilling zijner wenkbrauwen was het, of mij het hart omdraaide.

„Hebt gij dit dan niet geschreven?” vroeg ik, den brief uit mijn zak nemende. „Is er geen zieke Engelsche dame in het hotel?”

„In 't geheel niet,” riep hij, „maar deze brief draagt den stempel van het hotel. Ha, dan moet hij geschreven zijn door dien langen Engelschman, die hier binnenkwam, nadat gij vertrokken waart. Hij zeide....”

Ik wachtte geen verdere verklaringen van den waard af. In een duizeling van angst liep ik de dorpsstraat langs en snelde terug naar het pad, dat ik zoo pas afgedaald was. Ik had een uur noodig gehad, om in het dorp te komen. Trots alle inspanning, verliepen er nog eens twee uren, voor ik weer aan de watervallen van Reichenbach kwam. Daar stond nog de Alpenstok van Holmes tegen den rotswand, waarbij ik mijn vriend verlaten had. Maar er was nu geen spoor meer van hem te zien en het was tevergeefs, dat ik hem luid bij zijn naam riep. Mijn eenig antwoord was mijn eigen stem, in honderdvoudige echo door de omringende rotsen teruggekaatst.

Het gezicht van dien Alpenstok deed mij huiveren. Holmes was dus niet naar Rosenlani gegaan. Hij was op dat drie voet breede pad gebleven met een steilen rotswand aan de eene zijde en een steilen afgrond aan de andere, tot hij door zijn vijand overrompeld was. De jonge Zwitser was ook verdwenen. Hij was waarschijnlijk bij Moriarty in dienst geweest en had de beide mannen alleen gelaten. En wat was er toen gebeurd? Wie kon zeggen, wat er toen was voorgevallen?

Ik stond een paar minuten verbijsterd, trachtende mijn gedachten te verzamelen, want de schrik had mij overmand. Toen begon ik aan Holmes' eigen methode te denken en trachtte ze in praktijk te brengen, om het treurspel te ontsluieren. Het was helaas slechts al te gemakkelijk. Wij waren niet tot het eind van het bergpad gegaan; de Alpenstok wees de plaats aan, waar wij onze wandeling gestaakt hadden en staan waren gebleven. De zwarte grond wordt hier altijd vochtig gehouden door het onophoudelijk neerspattende schuim; de tred van een vogel zou hier zelfs zijn spoor achterlaten. Langs het verdere einde van het pad liepen twee rijen voetstappen; zij liepen van mij af; geen kwam terug. Op eenige ellen afstand van de plek, waar het pad eindigde, was de grond geheel en al omgewoeld en modderig en de braamstruiken en varenkruiden waren afgescheurd en met slijk bedekt. Ik ging voorover liggen en bezag den grond nauwkeurig, terwijl het schuim over en rond mij spatte. Het was de laatste uren donker geworden en nu zag ik slechts hier en daar op de zwarte wanden het vocht glinsteren, en ver weg naar beneden aan 't eind der kloof den glans van den gebroken waterstroom. Ik riep met luider stem, maar het klagende en bruisende, eentonig rollende geluid van den waterval, veel overeenkomst hebbende met de kreten van een menschelijke stem, was het eenig antwoord.

Maar het was de wil der Voorzienigheid, dat ik toch nog een laatsten groet zou hebben van mijn vriend en makker. Ik heb reeds gezegd, dat zijn Alpenstok nog tegen den op het smalle voetpad vooruitspringenden rotswand stond. Op den top van deze rots staande, zag ik iets schitterends en mijn hand boven de oogen houdende om beter te zien, bemerkte ik, dat die schittering afkomstig was van den zilveren sigarenkoker, dien Holmes gewoonlijk bij zich had. Toen ik hem opnam, dwarrelde een klein vierkant stukje papier, waarop de koker had gelegen, op den grond neer. Het papier ontvouwende, zag ik, dat het bestond uit drie bladzijden uit zijn zakboek gescheurd en aan mij geadresseerd. Het was kenmerkend voor het karakter van Holmes, dat het adres juist en het schrijven vast en helder was, alsof hij het in zijn studeerkamer had geschreven.

Een klein vierkant stukje papier dwarrelde neer. Een klein vierkant stukje papier dwarrelde neer.

„Waarde Watson,” zoo luidde het schrijven. „Dat ik u deze weinige regelen kan schrijven, heb ik te danken aan de hoffelijkheid van Moriarty, die de bespreking van ons geschil wel een oogenblik wilde uitstellen. Hij [A 157]
[A 158]
heeft mij verteld, op welke wijze hij aan de handen der Engelsche politie is ontsnapt en van onze bewegingen op de hoogte bleef. Zijn methode van handelen heeft het hooge denkbeeld, dat ik van zijn bekwaamheden had, versterkt. De gedachte, dat ik in staat zal zijn te voorkomen, dat de maatschappij verder door zijn tegenwoordigheid geschaad wordt, doet mij genoegen, ofschoon ik vrees tot een prijs, die mijn vrienden veel verdriet zal veroorzaken, in 't bijzonder u, mijn waarde Watson. Ik heb u reeds gezegd, dat mijn loopbaan haar eind heeft bereikt en dat het onmogelijk op een voor mij meer passende wijze kan geschieden dan nu het geval is. Om u de waarheid te zeggen, ik was dadelijk overtuigd, dat die brief van Meiringen een valstrik was en liet toe, dat gij vertrokt, ofschoon het bij mij vaststond, dat er een ontknooping als deze zou volgen. Zeg den inspecteur Patterson, dat de papieren, die hij noodig heeft voor de veroordeeling van de bende, in het geheime laadje M zijn en zich bevinden in een enveloppe met het opschrift Moriarty. Ik heb, voor ik Engeland verliet, mijn testament gemaakt en dit mijn broer Mycroft ter hand gesteld. Breng mijn groeten aan mevrouw Watson over en geloof mij, waarde vriend, dat ik steeds ben

Uw u toegenegen

Sherlock Holmes.”


Een paar woorden zullen voldoende zijn, het overige mede te deelen. Een onderzoek door deskundigen ingesteld liet weinig twijfel, dat een twist tusschen de beide mannen eindigen moest, zooals die wel nauwelijks anders kon eindigen, namelijk daarmede, dat zij in elkaars armen gekneld in den afgrond stortten. Een poging om hun lijken te vinden was geheel hopeloos, en daar diep in den ketel van draaiend water en kokend schuim liggen voor altijd bedolven de gevaarlijkste misdadiger en de voornaamste kampioen voor het recht. De jonge Zwitser is nooit teruggevonden en het behoeft niet meer betwijfeld te worden, dat hij een van de talrijke agenten was, die Moriarty in zijn dienst had.—En wat de misdadigersbende betreft, men zal zich nog wel herinneren, hoe volledig door de getuigenissen, door Holmes bijeengegaard, hun organisatie werd blootgelegd, en hoe zwaar de hand van den doode op hen drukte. Gedurende het proces kwamen omtrent hun vreeselijken aanvoerder weinig bijzonderheden aan het licht, en indien ik gedwongen ben geworden een juist verhaal te geven van bovengemelde feiten, dan is dit te wijten aan die niet tot oordeelen bevoegde strijders, die zijn aandenken hebben trachten te zuiveren door aanvallen op hem, dien ik steeds zal beschouwen als den besten en verstandigsten man, dien ik ooit gekend heb.

[A] Zie „Een Godsgericht”.


ÉÉN WOORDENBOEK VOLDOENDE

VOOR DE DRIE MODERNE TALEN.

HET EERSTE Viertalig Woordenboek

OM EN OM

Viertalig Zakwoordenboek

HET BEVAT

Hollandsch-Fransch,
Hollandsch-Duitsch,
Hollandsch-Engelsch,

en

Fransch-Hollandsch,
Duitsch-Hollandsch,
Engelsch-Hollandsch.

ALLES IN ÉÉN BOEK VOOR ƒ 1.25

Quanjers Viertalig Woordenboek Om en Om

is naar de beste bronnen bewerkt. Voor het Nederlandsch is de Woordenlijst van de Vries en te Winkel, voor het Duitsch die van Duden gevolgd, terwijl de dictionnaires van Larousse en van Cassell respectievelijk voor Fransch en Engelsch geraadpleegd zijn.

Quanjers Viertalig Woordenboek Om en Om

is zoo volledig mogelijk, volkomen betrouwbaar, zeer duidelijk van druk, aldus bij uitnemendheid geschikt voor school en huis; het bevat bijna 1200 pagina's, is gedrukt op geheel houtvrij papier, kost slechts f 1.25 in geheel linnen band, en is bij elken Boekhandelaar verkrijgbaar, alsmede bij de Uitgevers BLANKWAARDT & SCHOONHOVEN te Rijswijk (Z.=H.).

DE TERUGKEER VAN SHERLOCK HOLMES.
83 of 191
18 pages left
CONTENTS
Chapters
Highlights