II.

III.

Het avontuur van „Charles Augustus Milverton”.

Het is jaren geleden, dat de gebeurtenissen, waarover ik nu ga spreken, hebben plaats gehad, en toch doe ik mijn verhaal nog met een zekeren schroom. Want geruimen tijd zou het zelfs met de grootste discretie onmogelijk zijn geweest deze feiten publiek te maken; thans echter, nu de voornaamste persoon, daarbij betrokken, buiten het bereik van de menschelijke wet is, kan de geschiedenis met verzwijging van data en enkele bijzonderheden verteld worden zonder iemand schade te berokkenen. Zij is een volstrekt eenige episode, zoowel in de loopbaan van Sherlock Holmes als in mijn eigen leven. De lezer zal het mij zeker niet kwalijk nemen, dat ik naast de data, elke andere omstandigheid, waaruit de gebeurtenis gemakkelijk zou kunnen worden nagegaan, in de finesses verzwijg. Wij waren uitgegaan, Holmes en ik, op ons achtermiddag-wandelingetje en waren ongeveer te zes uur op een kouden, vorstigen winteravond teruggekeerd. Terwijl Holmes de lamp opdraaide viel het licht op een visitekaartje op tafel. Hij keek er naar en wierp het vervolgens met een gebaar van walging op den grond. Ik raapte het op en las:

Charles Augustus Milverton,
agent
Appledown Towers
Hampstead.

„Wie is dat?” vroeg ik.

„De vreeselijkste man in Londen,” antwoordde Holmes, terwijl hij ging zitten en zijn beenen voor het vuur uitstrekte. „Staat er ook iets achterop geschreven?”

Ik draaide het kaartje om.

„Zal om 6 uur 30 terugkomen—C. A. M.,” las ik.

„Hm. Dus hij zal er weldra zijn. Heb je niet een huiverig, onaangenaam gevoel, Watson, wanneer je voor de slangen in een dierentuin staat en de glibberige, gladde, venijnige beesten met hun doodaanbrengende oogen je aanstaren? Welnu, denzelfden indruk ontvang ik bij het zien van Milverton. Ik heb in mijn beroep te doen gehad met zeker wel vijftig moordenaars, maar voor den ergste onder hen voelde ik nooit den afschuw, dien ik voor dezen man heb. En toch kan ik niet buiten hem in dit geval—ja, hij is hier op mijn verzoek heen gekomen.”

„Maar wie is hij?”

„Ik zal het je zeggen. Hij is de koning van alle chantageplegers. De hemel helpe den man en nog meer de vrouw, wier geheimen en reputatie in de macht komen van Milverton. Met een lachend gelaat en een hart van marmer zal hij de citroen uitpersen en nog eens persen, totdat er geen druppel meer uit te halen valt. De man is op zijn manier een genie en zou van zich hebben doen spreken in een eerlijker beroep. Zijn methode is als volgt: Hij laat rondstrooien, dat hij bereid is zeer hooge sommen te betalen voor brieven, waardoor menschen van geld en stand gecompromitteerd worden. Hij ontvangt deze niet alleen van onbetrouwbare bedienden en dienstmeisjes, maar dikwijls ook van schurken uit de voorname wereld, die het vertrouwen van hooggeplaatste dames hebben weten te verwerven. Hij toont zich daarbij niet gierig. Ik weet toevallig, dat hij zevenhonderd pond aan een lakei betaalde voor een briefje, dat slechts twee regels bevatte en dat den ondergang van een adellijke familie ten gevolge had. Al hetgeen op dat gebied aan de markt is, gaat naar Milverton en er zijn honderden in deze groote stad, die verbleeken bij het hooren van zijn naam. Niemand weet, waar hij zijn greep zal doen, want hij is veel te rijk en te geslepen om een familie in één keer „af te werken”. Hij zal een kaart jaren achtereen in portefeuille houden en haar dan eerst uitspelen, wanneer hij weet, dat er de grootste winst mee valt te behalen. Ik heb je gezegd, dat hij de vreeselijkste man is in Londen en niemand zal zelfs den schurk, die zijn kameraad in koelen bloede vermoordt, durven gelijkstellen met dezen man, die volgens een methode langzaam de ziel pijnigt en de zenuwen verslapt, alleen om zijn toch reeds gevulden buidel nog dikker te maken. Kortom, hij is een echte vampier.”

Zelden had ik mijn vriend met zulk een bitterheid over iemand hooren spreken.

„Maar,” vroeg ik, „de man moet toch binnen het bereik van de wet zijn?”

„Charles Augustus Milverton”. „Charles Augustus Milverton”.

„Theoretisch wel, maar in de practijk gaat het niet op. Welk voordeel zou bijvoorbeeld een vrouw er bij hebben, wanneer zij hem eenige maanden gevangenisstraf bezorgde en dan zeker was, dat zij zoodoende zelf ten gronde zou gaan? Zijn slachtoffers durven niet terugslaan. Wanneer hij eens een onschuldig persoon bedreigde, zouden wij hem hebben, maar hij is zoo geslepen als de duivel zelf. Neen, neen, wij moeten andere wegen inslaan om hem te bestrijden.”

„En waarom komt hij hier?”

„Omdat een beroemde cliënte haar zaak in mijn handen heeft geplaatst. Het is Lady Eva Brackwell, de schitterende „débutante” van het vorig seizoen. Zij zou over veertien dagen huwen met den graaf van Dorincourt. Deze dame heeft nu verscheidene onvoorzichtige brieven—onvoorzichtig, Watson, en niets meer—geschreven aan een jongen, maar armen heerenboer op het platteland, en Milverton, de slang, heeft ze in handen. Zij zullen echter ongetwijfeld het huwelijk doen afspringen; Milverton zal deze aan den graaf zenden, wanneer hem niet voor een bepaalden datum een groote som gelds wordt betaald. Mij is opgedragen hem op te zoeken en de beste voorwaarden te bedingen in het belang van mijn cliënte.”

Op dat oogenblik hoorden wij beweging in de straat en naar buiten kijkende zag ik een prachtig rijtuig, bespannen met twee paarden. De lantaarns verspreidden een schitterend licht. Een palfrenier opende het portier en een zwaargebouwd man in een dikke astrakan pels steeg uit. Een minuut later was hij in de kamer.

Charles Augustus Milverton was naar schatting vijftig jaar, had een breed, verstandig voorhoofd en een rond, bol, baardeloos gelaat, een eeuwigen glimlach en twee grijze oogen, die schitterden achter een bril, waarvan de glazen in dik goud gemonteerd waren. Er was iets van de goedmoedigheid van Pickwick in zijn voorkomen, die alleen door de harde uitdrukking in de rustelooze, doordringende oogen gelogenstraft werd. Zijn stem was even zacht en zalvend als zijn voorkomen, toen hij binnentredend en een dikke, korte hand uitstekend, zijn spijt uitsprak, dat hij ons den eersten keer niet had te huis getroffen. Holmes deed alsof hij de toegestoken hand niet zag en keek hem met een effen gelaat aan.

De glimlach van Milverton werd breeder, hij haalde de schouders op, trok zijn overjas uit, vouwde deze netjes op over den rug van een stoel en ging vervolgens zitten.

„Deze heer?” vroeg hij, naar mij wijzende. „Is hij bescheiden, kunnen wij spreken?”

„Dr. Watson is mijn vriend en compagnon.”

„Zeer goed, mijnheer Holmes. Alleen in het belang van uw cliënte meende ik deze vraag te moeten doen. De zaak is voor haar van zulk een kieschen aard.”

„Dr. Watson heeft er reeds van gehoord.”

„Dan kunnen wij haar zonder omhaal afhandelen. U zegt, dat u Lady Eva vertegenwoordigt. Heeft zij u opgedragen mijn voorwaarden te aanvaarden?”

„Welke zijn uw voorwaarden?”

„Zeven duizend pond.”

„En de uiterste prijs?”

„Waarde heer, het doet mij leed het te moeten zeggen, maar wanneer het geld niet op den veertienden betaald is, zal er den achttienden geen huwelijk worden gesloten.” Zijn ondragelijke glimlach was zoeter dan ooit. Holmes dacht een oogenblik na.

„Het komt mij voor,” zeide hij eindelijk, „dat u de zaak te veel van uw kant bekijkt. Ik ben natuurlijk bekend met den inhoud van deze brieven. Mijn cliënte zal zeker doen, hetgeen ik haar aanraad. Ik zal haar adviseeren haar toekomstigen echtgenoot alles te vertellen en op zijn edelmoedigheid te vertrouwen.”

Milverton lachte luid.

„U kent klaarblijkelijk den graaf niet,” zeide hij.

Aan den teleurgestelden blik van Holmes kon ik duidelijk zien, dat hij den graaf wel degelijk kende.

„Welk kwaad steekt er eigenlijk in die brieven?” vroeg hij.

„Zij zijn levendig geschreven—zeer levendig geschreven,” antwoordde Milverton. „De dame heeft een allerliefsten stijl. Maar ik kan u verzekeren, dat de graaf van Dorincourt ze niet op de juiste waarde zal weten te schatten. Wanneer u er echter anders over denkt, willen wij er niet verder over spreken. Het is een zuivere handelszaak. Als u denkt, dat het in het belang van uw cliënte is, dat deze brieven aan den graaf worden ter hand gesteld, zoudt gij inderdaad dwaas zijn, wanneer gij haar raaddet zulk een hooge som te betalen om ze terug te krijgen!” Hij stond op en greep naar zijn jas.

Holmes was wit van nijd en ergernis.

„Wacht even,” zeide hij, „u gaat te spoedig heen. Wij zullen natuurlijk alles doen om in zulk een kiesche zaak een schandaal te vermijden.”

Milverton zonk weer in zijn stoel.

„Ik was er zeker van, dat u de zaak ook van die zijde zoudt bekijken,” mompelde hij.

„Allereerst dient in aanmerking te worden genomen,” vervolgde Holmes, „dat Lady Eva geen rijke vrouw is. Ik verzeker u, dat twee duizend pond wel al haar bezittingen vertegenwoordigen en dat de som, die gij genoemd hebt, volkomen buiten haar bereik is. Ik verzoek u daarom uw eischen te matigen en de brieven terug te geven tegen den door mij genoemden prijs, die naar ik u verzeker de hoogste is, dien gij kunt verkrijgen.”

Weer werd de glimlach van Milverton breeder en hij knipoogde.

„Ik ben er van overtuigd, dat, wat gij zegt over de middelen van de dame in quaestie, waar is,” zeide hij. „Maar,” vervolgde Milverton, „terzelfder tijd zult gij moeten toegeven, dat een huwelijk van een dame een zeer geschikte gelegenheid is voor vrienden en verwanten om iets te doen te haren behoeve. Zij zullen misschien verlegen zijn in de keuze van een huwelijksgeschenk. Laat mij u verzekeren, dat dit pakje brieven der bruid meer vreugde zal geven dan alle candelabres en serviezen in geheel Londen.”

„Dat is onmogelijk,” riep Holmes uit.

„Wel, wel, hoe ongelukkig!” meende Milverton, een dik zakboek voor den dag halend. „Het komt mij voor, dat men dames een slechten raad geeft door te adviseeren zulk een zaak op haar beloop te laten. Kijk eens hier naar!” Hij hield een briefje in de hoogte, waarop een wapen zichtbaar was. „Dat behoort aan—wel, misschien is het minder fair den naam te noemen voor morgen ochtend. Maar tegen dien tijd zal het in het bezit zijn van den echtgenoot van de dame. En zulks alleen, omdat zij weigert een luttel bedrag bijeen te brengen, dat zij in een uur zou kunnen krijgen door haar diamanten te verwisselen voor valsche steenen. Het is zoo jammer. En u herinnert u toch wel het plotseling afbreken van het engagement tusschen miss Miles en kolonel Darking? Slechts twee dagen voor het huwelijk stond er in de „Morning Post” een korte mededeeling, dat het was ontbonden. En waarom? Het is bijna ongelooflijk, maar de luttele som van twaalfhonderd pond zou de geheele zaak in orde hebben gebracht. Is dat geen zonde? En hier vind ik nu een man met verstand, trachtende op mijn voorwaarden af te dingen, terwijl de toekomst en de eer van zijn cliënte op het spel staan. U verbaast mij, mijnheer Holmes.”

„Wat ik zeg, is waar,” antwoordde Holmes. „Het geld is er niet. Voor u zou het beter zijn dit geld aan te nemen, dan het leven van deze vrouw te verwoesten, hetgeen u toch geen voordeel kan brengen.”

„Daarin vergist gij u, mijnheer Holmes. Indirect zou ik van zulk een schandaal zelfs groot voordeel hebben. Ik heb acht of tien dergelijke gevallen in portefeuille. Indien onder de bedreigden bekend werd, hoe ik Lady Eva heb behandeld, zou ik hem of haar zeker handelbaarder vinden. Ziet u, dat is mijn zienswijze.”

Holmes sprong op van zijn stoel.

„Ga achter hem, Watson. Laat hem er niet uit. En nu, mijnheer, laat ons den inhoud van dat zakboekje zien.”

Snel als een rat was Milverton naar den wand gesprongen en stond nu met zijn rug tegen den muur.

„Mijnheer Holmes, mijnheer Holmes,” zeide hij, zijn jas openslaande en den loop van een groote revolver latende zien, die uit den binnenzak stak. „Ik verwachtte, dat u iets origineels zoudt doen. Dat is echter zoo dikwijls gedaan en wat goeds is er ooit uit voortgekomen? Ik verzeker u, dat ik tot de tanden gewapend ben en zeker niet zal aarzelen mijn wapens te gebruiken, wetende, dat ik de wet aan mijn zijde heb. Voorts is uw vermoeden, dat ik de brieven in een zakboekje mee zou brengen, geheel en al onjuist. Zoo dwaas ben ik niet. En nu, heeren, ik heb heden avond nog een of twee kleine afspraken en het is een heel eind naar Hampstead.”

Hij stapte naar voren, nam zijn jas op, legde de hand op zijn revolver en draaide zich om naar de deur. Ik nam een stoel, maar Holmes schudde het hoofd en ik liet den stoel weer los. Met een buiging, een glimlach en een knippen van de oogen ging Milverton de deur uit en eenige oogenblikken later hoorden wij het portier van het rijtuig dichtslaan en het geratel van de wielen, terwijl het wegreed.

Hij liet een groote revolver zien, die uit zijn binnenzak stak. Hij liet een groote revolver zien, die uit zijn binnenzak stak.

Holmes zat bewegingloos bij den haard, met de handen diep in zijn zakken, de kin op de borst en zijn oogen gericht op het knetterende vuur. Gedurende een half uur bleef hij stil zitten kijken. Toen sprong hij eensklaps op als iemand, die een besluit genomen heeft, en ging naar zijn slaapkamer.

Kort daarop kwam een jonge werkman, slordig gekleed, met een weinig onderhouden baard en knevel te voorschijn en stak zijn steenen pijp aan de lamp aan, voor hij naar beneden ging. „Ik zal over eenigen tijd terugkomen, Watson,” zeide hij en verdween. Ik begreep, dat Holmes zijn campagne tegen Charles Augustus Milverton begonnen was, maar ik had hoegenaamd geen „ahnung” van den vreemden vorm, dien deze veldtocht te zijner tijd zou aannemen.

Eenige dagen kwam en ging Holmes geregeld in dit pak en behalve een opmerking, dat hij zijn tijd doorbracht te Hampstead en dat hij dezen wel besteedde, wist ik in 't geheel niet, wat hij deed. Eindelijk echter op een guren, stormachtigen nacht, toen de wind gierde en floot tegen de ruiten, keerde hij van de laatste expeditie terug en nadat hij zijn vermomming had afgelegd, ging hij voor den haard zitten en lachte hartelijk in zich zelf, zooals hij meer kon doen, wanneer de zaken naar wensch marcheerden.

„Je zoudt mij zeker niet rekenen tot de mannen, die een vrouw zoeken, is 't wel, Watson?”

„Neen, zeker niet.”

„Het zal je interesseeren te vernemen, dat ik geëngageerd ben.”

„Geëngageerd? Beste kerel, ik feliciteer....”

„Met het dienstmeisje van Milverton.”

„Goede hemel, Holmes.”

„Ik had eenige inlichtingen noodig, Watson.”

„Maar nu ben je toch ver gegaan.”

„Het was een zeer noodzakelijke stap. Ik ben nu een loodgieter met eigen zaakje; Escotte is mijn naam. Elken avond heb ik met haar geloopen en met haar gesproken. Goede hemel, die gesprekken! Maar enfin, ik heb bereikt, hetgeen ik wenschte. Ik ken nu het huis van Milverton als de palm van mijn hand.”

„Maar het meisje, Holmes?”

Hij haalde de schouders op.

„Ja, men kan overal niet voor zijn, waarde Watson. Je moet nu eenmaal je kaarten zoo goed mogelijk uitspelen, wanneer het om zulk een inzet gaat! Het doet mij echter genoegen te kunnen zeggen, dat ik een gehaten mededinger heb, die mij zeker zal verdringen op hetzelfde oogenblik, dat ik haar mijn rug toekeer. Wat een heerlijke nacht is het!”

„Vind je dit weer aangenaam?”

„Het komt mij goed van pas voor mijn plannen, Watson. Ik ben n.l. tot de conclusie gekomen, dat mij niets anders overblijft dan in te breken in het huis van Milverton.”

Ik hield mijn adem in en er liepen koude rillingen langs mijn lichaam hij het hooren van deze woorden, die langzaam werden uitgesproken op een toon, waaruit beslistheid sprak. Evenals een bliksemstraal in den nacht elk detail van een landschap laat zien, zoo zag ik met een oogopslag alle mogelijke gevolgen, die konden voortvloeien uit zulk een handelwijze—ontdekking, aanhouding, de eervolle loopbaan eindigend met een onherstelbaar fiasco en daardoor discrediet, mijn vriend zelf overgeleverd aan de genade van den afschuwelijken Milverton.

„Om 's hemels wil, Holmes, denk wat je gaat doen,” riep ik uit.

„Beste jongen, ik heb alle mogelijke gevolgen overwogen. Ik ben nooit haastig in mijn daden en ik zou zulk een paardenmiddel, dat daarbij tevens zoo gevaarlijk is, niet gaan toepassen, wanneer er een andere manier bestond. Laat ons de zaak kalm en zakelijk bespreken. Ik veronderstel, dat gij zult moeten erkennen, dat de zaak moreel te rechtvaardigen is, ofschoon zij voor de wet strafbaar moet zijn. Een inbraak in Milverton's huis is niet erger dan door geweld zich meester te maken van zijn zakboekje—een daad, waarbij gij bereid waart mij te helpen.”

Ik dacht eens even na.

„Ja,” zeide ik, „het is moreel te rechtvaardigen, zoolang het ons doel blijft geen andere artikelen weg te nemen behalve die, welke gebruikt worden voor onwettige doeleinden.”

„Precies, en sinds het moreel te rechtvaardigen is, heb ik alleen nog maar de quaestie van de persoonlijke risico te behandelen. Een gentleman zal zich zeker hiermede het hoofd niet al te lang kunnen breken, wanneer hij weet, dat een dame dringend behoefte heeft aan zijn hulp, is 't wel?”

„Je zult daardoor in zulk een valsche positie geraken.”

„Wel, dat is een gedeelte van het gevaar. Er bestaat geen andere manier om deze brieven machtig te worden. De ongelukkige dame heeft niet het noodige geld en er zijn geen lieden, waarvan zij zulk een som kan leenen. Morgen is de laatste dag en als wij van avond de brieven niet kunnen bemachtigen, zal de schurk zoo zeker als twee maal twee vier is, zijn woord houden en haar in 't verderf storten. Ik moet dus mijn cliënte aan haar lot overlaten of deze wanhopige troef uitspelen. Tusschen ons gezegd, Watson, het is een soort duel tusschen dezen Milverton en mij. Hij had, zooals je gezien hebt, bij de eerste ontmoeting het voordeel aan zijn zijde, maar mijn zelfrespect en mijn reputatie maken 't noodig, dat ik den strijd tot het einde volhoud.”

„Nu, ik heb er niets mee op, maar ik veronderstel, dat er geen andere uitweg is,” zeide ik. „Wanneer gaan wij?”

„O, jij gaat niet mee.”

„Dan ga jij evenmin,” antwoordde ik. „Ik geef je mijn woord van eer—en dat heb ik nog nooit in mijn geheele leven gebroken—dat ik een rijtuig neem en regelrecht naar het politiebureau rijd om je te verraden, wanneer je mij niet toestaat dit avontuur mee te maken.”

„Je kunt me toch niet helpen.”

„Hoe weet je dat? Je weet toch ook niet, wat er kan gebeuren. In elk geval, mijn besluit staat vast. Er zijn nog andere menschen behalve Sherlock Holmes, die zelfrespect en reputatie er op nahouden.”

Holmes keek eerst verstoord, maar nu verhelderde zijn gelaat weer en klopte hij mij op den schouder.

„Wel, wel, waarde heer, laat 't dan zoo zijn. Wij hebben eenige jaren dezelfde kamer gedeeld en het zou amusant zijn, indien wij eindigen met dezelfde cel te deelen. Ge weet, Watson, dat ik er tegenover jou nooit doekjes om heb gewonden, dat ik een uiterst handig en geslepen misdadiger had kunnen worden. Dit is nu de groote kans van mijn leven in deze richting. Kijk eens hier!” Hij haalde een betrekkelijk kleine leeren tasch uit een kast, opende haar en liet een aantal glimmende instrumenten zien. „Dit is prima klasse inbrekersgereedschap: breekijzers, boren, diamanten glassnijder, loopers, kortom alle werktuigen van de nieuwste constructie, die door den vooruitgang noodig geoordeeld worden. Hier is voorts mijn dievenlantaarn. Alles is in orde. Heb je een paar schoenen, die niet kraken?”

„Ik heb een paar tennis-schoenen met gutta-percha zolen.”

„Uitstekend. En een masker?”

„O, dat kan ik gemakkelijk uit een stuk zwarte zijde knippen.”

„Ik kan zien, dat jij ook al voor dit soort van dingen een zekeren aanleg hebt. Zeer goed, maak jij de maskers. Wij moeten, voor wij op weg gaan, eerst nog iets eten. Het is nu halftien. Om halfelf laten wij ons tot Church Low rijden. In een kwartier loopen wij van daar wel naar Appledown Towers, zoodat wij nog voor middernacht met het werk kunnen beginnen. Milverton slaapt vast en gaat precies op de minuut af om halfelf naar bed. Met een weinig geluk kunnen wij hier om twee uur terug zijn met de brieven van Lady Eva in mijn zak.”

Holmes en ik trokken onzen rok aan en zetten den hoogen hoed op, zoodat wij gehouden zouden worden voor twee schouwburgbezoekers, die naar huis gingen. In Oxford Street namen wij een rijtuig en reden naar een adres in Hampstead. Hier betaalden wij ons rijtuig en na onze jassen hoog dichtgeknoopt te hebben, want het was vreeselijk koud en de wind scheen door ons heen te waaien, sloegen wij den hoek om bij de Heath.

„Het is een zaak, die met overleg moet worden ondernomen,” zeide Holmes. „De documenten worden bewaard in een brandkast, die staat in het studeervertrek van den man, en dit vertrek grenst aan zijn slaapkamer. Daar staat gelukkig tegenover, dat hij als alle corpulente dikke menschen, die er een goed leven van nemen, zeer vast slaapt. Agatha—dat is mijn fiancée—zegt, dat het dienstpersoneel dikwijls zelfs weddenschappen maakt in verband met het wekken van hun meester. Hij heeft een secretaris, die zijn taak zeer conscientieus opvat en den geheelen dag het studeervertrek niet verlaat. Daarom gaan wij in het holle van den nacht. Dan heeft hij een reusachtigen hond, die 's nachts losloopt. Ik ben de beide laatste avonden bij Agatha op visite geweest en zij heeft het dier opgesloten om mij gelegenheid te geven ongedeerd te kunnen komen of gaan. Hier is het huis, dit groote gebouw met een tuin voor en achter. Door het hek—nu rechtsom door een zijlaan. Hier moesten wij onze maskers maar voordoen. Zooals je ziet, is er achter geen der ramen licht te bespeuren en alles gaat naar wensch.”

Met onze zwarte zijden maskers voor slopen wij naar het eenzame, stille huis. Een soort veranda liep langs de geheele voorzijde, en hier bevonden zich verscheidene ramen en twee deuren.

„Dat is zijn slaapkamer,” fluisterde Holmes. „Door deze deur komt men regelrecht in het studeervertrek. Dat zou voor ons de gemakkelijkste toegang zijn, maar de deur is gesloten en bovendien gegrendeld en wij zouden om daarin te kunnen komen te veel leven moeten maken. Kom dus hier langs. Er is een serre, waardoor wij in de woonkamer kunnen komen.”

De serre was gesloten, maar Holmes sneed een stuk uit een der ruiten, stak er zijn hand door en draaide den sleutel om. Een oogenblik later had hij de deur weer achter ons gesloten, en waren wij in het oog der wet misdadigers geworden. De zoele, warme lucht van de serre en de scherpe geur van exotische planten sloegen ons op de keel. Holmes greep mij bij de hand en leidde mij snel langs groote potten met planten, waarvan de bladeren langs ons gezicht slierden. Holmes bezat de merkwaardige eigenschap, welke hij bovendien zorgvuldig onderhield, in het donker te kunnen zien. Mijn hand in de zijne houdend, opende hij een deur en ik meende te bemerken, dat wij een groote kamer binnengingen, waar nog niet lang geleden een sigaar was gerookt. Hij volgde zijn weg tusschen de meubelen door, opende een tweede deur en sloot deze achter zich. Mijn hand uitstekende, voelde ik verscheidene jassen aan den muur hangen, en ik begreep, dat wij ons in een gang bevonden. Wij liepen er door, en Holmes ontsloot zacht een deur aan zijn rechterzijde. Er kwam iets op ons af en mijn hart stokte in mijn keel, ofschoon ik had kunnen lachen, toen ik bemerkte, dat het slechts een kat was. In dit vertrek brandde in den haard een vuur en de lucht was hier doortrokken van tabaksrook. Holmes ging op zijn teenen binnen, wachtte op mij tot ik hem gevolgd was en sloot daarop weer zacht de deur. Wij waren in het studeervertrek van Milverton en een portière aan de vensterzijde toonde ons, waar zich de slaapkamer bevond.

Het vuur brandde hel op en de geheele kamer werd er voldoende door verlicht. Bij de deur zag ik het glimmende knopje van het electrisch licht, maar het was onnoodig, zelfs al ware er geen gevaar geweest, om het op te draaien. Aan een zijde van den haard was een zwaar gordijn, dat hing voor het raam, dat wij buiten hadden gezien. Aan de andere zijde was de deur, die uitkwam op de veranda. In het midden stond een bureau ministre met een kantoorstoel van rood leder er voor, aan de tegenovergestelde zijde was een groote boekenkast, met een marmeren buste van Athene er boven op. In den hoek tusschen de kast en den muur stond een zware groene brandkast en het haardvuur werd teruggekaatst in de gepolijste schroeven. Holmes sloop er heen en onderzocht haar. Daarna ging hij naar de deur van de slaapkamer en stond met gebogen hoofd aandachtig te luisteren. Er werd niets door hem gehoord. Intusschen was ik tot de conclusie gekomen, dat het verstandig zou zijn, wanneer wij ons door de buitendeur een aftocht verzekerden, en daarom ging ik er eens naar kijken. Tot mijn verbazing was zij niet gesloten en ook niet gegrendeld. Ik raakte Holmes even aan en hij draaide zijn gemaskerd gelaat in die richting. Ik zag hem schrikken en hij was klaarblijkelijk even verrast als ik.

„Ik heb 't er niet op begrepen,” fluisterde hij zijn lippen tegen mijn oor drukkend, „ik weet niet, wat 't heeft te beteekenen. In elk geval hebben wij geen tijd te verliezen.”

„Kan ik iets doen?”

„Ja, bij de deur blijven staan. Indien je iemand hoort komen, doe dan de deur aan de binnenzijde op de grendels en wij kunnen ontkomen langs den weg, waarlangs wij zijn gekomen. Komen zij langs de andere zijde, dan kunnen wij door de deur gaan, indien onze karwei is afgeloopen en ons achter deze gordijnen verbergen, wanneer wij nog niet gereed zijn. Begrijp je?”

Hij stond met voorovergebogen hoofd en luisterde aandachtig. Hij stond met voorovergebogen hoofd en luisterde aandachtig.

Ik knikte en ging bij de deur staan. Mijn eerste gevoel van vrees was verdwenen en ik was thans van grooter ijver vervuld dan ik ooit had getoond, wanneer wij de verdedigers [B 89]
[B 90]
van de wet in plaats van de aanranders waren geweest. Het hooge doel van onzen tocht, de wetenschap, dat dit eerlijk en onzelfzuchtig was, het schurkachtige karakter van onzen tegenstander, alles droeg er toe bij om de belangstelling in het avontuur te verhoogen. Verre van mij schuldig te gevoelen, verheugde ik mij over de gevaren, die wij nu liepen. Met een blik van bewondering sloeg ik Holmes gade, die zijn tasch instrumenten losmaakte en zijn gereedschap uitkoos, met de kalme wetenschappelijke nauwkeurigheid van een heelmeester, die een gevaarlijke operatie volbrengen gaat. Ik wist, dat het openen van brandkasten een kolfje naar zijn hand was en ik begreep de vreugde, welke hij ondervond, nu hij zich tegenover het groene monster bevond, de draak, die in zijn klauwen de reputatie van vele schoone dames hield. De mouwen van zijn rok omslaande—hij had zijn overjas op een stoel gelegd—haalde Holmes twee drilboren, een breekijzer en verscheidene loopers voor den dag. Ik stond voor de middelste deur, nu eens naar deze, dan weer naar gene deur kijkend en op alles voorbereid, ofschoon ik, het moet gezegd, niet precies wist, wat ik zou doen, indien wij werden gestoord. Gedurende een half uur werkte Holmes uit alle macht, nu eens een stuk gereedschap neerleggend, dan weer een ander oprapend: elk stuk gebruikte hij met de kracht en de behendigheid van den ervaren machinist. Eindelijk hoorde ik een klik, de breede groene deur sprong open en binnenin zag ik een aantal pakken, alle dichtgebonden en verzegeld met opschriften. Holmes zocht er een uit, maar het was moeilijk om bij het flikkerend haardvuur te lezen; hij haalde dus zijn kleine dievenlantaarn te voorschijn, want het was te gevaarlijk om met Milverton in de kamer naast ons het electrisch licht aan te steken. Plotseling zag ik hem ophouden, aandachtig luisteren en het volgend oogenblik had hij de deur van de brandkast dichtgeworpen, zijn jas opgeraapt, de gereedschappen in zijn zakken geborgen, waarna hij naar het gordijn liep en daarachter verdween, na mij beduid te hebben hetzelfde te doen.

Eerst toen ik daar bij hem was, hoorde ik, hetgeen hij met zijn veel scherper zintuigen reeds veel eerder vernomen had. Ergens in het huis was iemand op. Een deur werd toegeslagen. Daarna hoorden wij voetstappen in de verte, die al dichter en dichter bij kwamen, door de gang. Aan de deur hield het op. Deze werd geopend. Wij hoorden, hoe het electrisch licht werd opgedraaid. De deur werd weer gesloten en de doordringende geur van een zware sigaar drong in onze neusgaten. De voetstappen gingen voortdurend voor- en achterwaarts, achter- en voorwaarts tot op een meter van ons. Eindelijk hoorden wij het kraken van een stoel en de voetstappen werden niet meer vernomen. Een sleutel werd in het slot omgedraaid en ik hoorde het geritsel van papier.

Tot dusverre had ik het niet gewaagd even te kijken, maar nu schoof ik zachtjes de plooien iets weg, zoodat ik een smalle reet had om door te turen. Aan het duwen van den schouder van Holmes tegen den mijne wist ik, dat hij ook door de nu ontstane opening keek.

Recht voor ons uit en bijna binnen ons bereik was de breede ronde schouder van Milverton. Het was duidelijk, dat wij geheel en al gedwaald hadden bij de gissing van zijn bewegingen; dat hij in het geheel niet was geweest in zijn slaapkamer, maar gewoonweg had gezeten in een of andere kamer, aan de andere zijde van het huis, waarvan wij de ramen niet aan de straatzijde hadden kunnen zien. Zijn breed, grijzend hoofd met de glimmende kale plek in 't midden konden wij met de hand aanraken. Hij leunde achterover in zijn rood lederen kantoorstoel, zijn beenen ver naar voren uitgestrekt en een lange zwarte sigaar recht voor zich uit in den mond houdend. Hij droeg een smoking van roode stof met zwart fluweelen kraag en omslagen. In zijn hand hield hij een lang gezegeld papier, dat hij op zijn gemak, zonder er groote aandacht aan te schenken, doorlas, waarbij hij groote rookwolken voor zich uitblies. Uit de wijze, waarop hij was gaan zitten en waarop hij dit document las, was gemakkelijk op te maken, dat wij niet konden rekenen op een spoedig vertrek.

Ik voelde, hoe Holmes mijn hand zocht en deze geruststellend drukte, alsof hij zeggen wilde, dat hij meester was van den toestand en zich op zijn gemak gevoelde. Ik wist niet of hij gezien had, hetgeen ik duidelijk kon waarnemen, n.l. dat de deur van de brandkast niet geheel gesloten was en dat Milverton elk oogenblik tot deze ontdekking kon komen. Bij mij zelf had ik reeds het plan opgevat dat wanneer ik uit de strakheid van zijn blik in die richting moest opmaken, dat het ook zijn aandacht had getrokken, ik terstond naar voren zou springen, mijn groote jas over zijn hoofd werpen, hem binden en de rest aan Holmes overlaten. Milverton keek echter heelemaal niet op. Hij bepaalde zijn aandacht tot de papieren, die hij in de hand had en pagina na pagina werd ter zijde gelegd. Eindelijk dacht ik dat, als hij gereed en zijn sigaar opgerookt was, hij wel naar zijn slaapkamer zou afzakken, maar voor hij nog zoover was gekomen, gebeurde er iets, waardoor onze gedachten een geheel andere wending namen.

Meer dan eens had ik opgemerkt, dat Milverton op zijn horloge keek en eenmaal was hij opgestaan om met een ongeduldig gebaar weer te gaan zitten. Het denkbeeld echter, dat hij op zulk een vreemd uur een afspraak had, kwam heelemaal niet bij mij op, totdat van de zijde van de veranda een geritsel mijn oor bereikte. Milverton ging recht overeind zitten en legde zijn papieren neer. Een oogenblik later hoorde ik voetstappen, die gevolgd werden door een zacht kloppen op de deur. Milverton stond op en deed open.

„Wel,” zeide hij kortaf, „u is bijna een half uur te laat.” Dus dit was de verklaring, waarom de deur niet gesloten was en Milverton nog zoo laat opzat.

Wij konden het ruischen van een japon hooren. Ik had de reet van het gordijn dichtgedaan, zoodra Milverton was opgestaan, omdat hij misschien in onze richting zou kijken, maar nu waagde ik het de gordijnen nog even op een kier te zetten. Hij was weer gaan zitten, zijn sigaar vormde met zijn neus een hoek van 90° en voor hem in het volle licht stond een lange, slanke, donkere vrouwenfiguur met een voile voor het gelaat, haar mantel hoog tot over haar kin dichtgeknoopt. Zij haalde snel en diep adem en elk deel van haar lichaam sidderde van ontroering.

„Wel,” vervolgde Milverton, „u hebt mij geruimen tijd van mijn nachtrust beroofd, mijn waarde. Ik hoop, dat gij 't waard zijt. U kondt op geen ander uur komen?”

De vrouw schudde het hoofd.

Kon u niet op een ander uur komen? Kon u niet op een ander uur komen?

„Wel, als u niet kondt komen, was er natuurlijk niets aan te doen. Indien de gravin een strenge meesteres is, hebt u nu de gelegenheid het haar betaald te zetten. Wees kalm, meisje, waarom beeft ge zoo! Het is in orde! Kom tot je zelf. Laat ons nu de zaak bespreken.” Hij haalde een briefje uit een lade. „Je zegt, dat je vijf brieven hebt, waardoor de gravin d'Albert wordt gecompromitteerd. Je wilt ze verkoopen. Ik wil ze koopen. Dat is dus ook in orde. Alleen blijft nu nog de prijs over. Natuurlijk moet ik de brieven eerst zien. Als het werkelijk goede stukken—goede hemel, is u het?”

De vrouw had zonder een woord te zeggen haar voile in de hoogte gedaan en den mantel om haar kin losgemaakt. Het was een donker, mooi, zuiver gelijnd gelaat, dat Milverton aanschouwde, een gelaat met een arendsneus, zware donkere wenkbrauwen, die een paar harde, schitterende oogen overschaduwden en een dunnen mond, waarom een gevaarlijk lachje speelde.

„Ik ben het,” zeide ze, „de vrouw, wier leven gij verwoest hebt.” Milverton lachte, maar vrees deed zijn stem trillen: „Gij waart zoo onhandelbaar,” zeide hij. „Waarom hebt gij mij ook tot het uiterste gedreven? Ik verzeker u, dat ik zelfs geen vlieg kwaad zal doen, maar ieder heeft zijn zaken en wat kon ik anders doen? Ik stelde de som binnen uw bereik. U wildet niet betalen.”

„Daarom zondt gij de brieven aan mijn echtgenoot en hij—de edelste man, die ooit leefde, een man, wiens schoenen ik zelfs niet waard was te rijgen—hij werd er door gebroken en stierf. Gij herinnert u dien nacht nog, toen ik door die deur kwam en smeekte en bad om genade en gij lachte mij in mijn gezicht uit, evenals gij nu tracht te lachen, alleen uw laf hart kan niet verhinderen, dat uw lippen beven. Ja, gij dacht niet mij hier weer te zullen zien, maar het was op dien avond, dat mij geleerd werd, hoe ik u van aangezicht tot aangezicht kon ontmoeten. Wij zijn nu alleen. Wel, Charles Milverton, wat hebt gij te zeggen?”

„Denk niet, dat gij mij vrees kunt aanjagen,” zeide hij opstaande. „Ik heb alleen luid te roepen en mijn personeel is hier om u te arresteeren. Maar ik kan mij uw ergernis zeer goed verklaren. Daarom, verlaat de kamer, zooals gij gekomen zijt en ik zal er verder over zwijgen.”

De vrouw stond met haar hand in haar boezem verborgen en dezelfde doodelijke glimlach speelde weer om haar lippen.

„Gij zult geen levens meer verwoesten, zooals gij het mijne hebt gedaan. Gij zult geen harten meer vaneenrijten, zooals gij het mijne hebt gedaan. Ik zal de wereld bevrijden van een vergiftig beest. Neem dat, jij hond!—en dat!—en dat!—en dat!—en dat!”

Zij had een kleine, glinsterende revolver voor den dag gehaald en loste lading na lading in het lichaam van Milverton, waarbij de loop nog geen twee voet van zijn borst was verwijderd. Hij sprong achteruit en viel vervolgens voorover op de tafel, vreeselijk hoestend, terwijl hij met zijn handen wild in de papieren ronddraaide. Plotseling stond hij weer op, kreeg nog een schot en rolde op den vloer. „Je hebt me vermoord,” riep hij, en lag stil. De vrouw keek hem strak aan en plantte haar hiel in zijn gelaat. Weer keek zij, maar er was geen beweging of geluid meer in hem. Ik hoorde iets ruischen, de koude buitenlucht drong in het warme vertrek en de wreekster was weg.

Plotseling stond hij weer op en ontving nog een schot. Plotseling stond hij weer op en ontving nog een schot.

De tusschenkomst van onze zijde zou den man niet hebben kunnen redden, zoo snel ging alles in zijn werk, maar toen de vrouw kogel na kogel in het ineenkrimpende lichaam van Milverton joeg, stond ik op 't punt te voorschijn te springen, had ik niet den kouden, vasten greep van Holmes om mijn pols gevoeld. Ik begreep terstond, wat hij hiermede wilde zeggen—dat het een zaak was, die ons niet aanging, dat recht was gedaan aan een schurk en wij onze eigen zaken en bedoelingen hadden, die niet uit 't oog mochten worden verloren. Maar nauwelijks was de vrouw de kamer uit, of Holmes was met eenige snelle, zachte schreden bij de andere deur. Op hetzelfde oogenblik hoorden wij stemmen in het huis en haastig naderende voetstappen. De revolverschoten hadden het geheele dienstpersoneel in rep en roer gebracht. Met bewonderenswaardige kalmte ging Holmes naar de brandkast, pakte beide armen vol met pakken brieven en smeet ze alle op het vuur. Driemaal herhaalde hij dit en toen was de brandkast leeg. Iemand draaide de kruk van de deur om en klopte aan de buitenzijde. Holmes keek nog even in 't rond. De brief, die den dood gebracht had voor Milverton, lag op de tafel, geheel in bloed gedrenkt. Holmes wierp hem te midden van de fel brandende papieren. „Dezen kant, Watson,” zeide hij, „wij komen langs deze richting spoedig bij den tuinmuur.”

Ik zou nooit hebben kunnen gelooven, dat iedereen in zulk een groot huis zoo spoedig na het lossen van de schoten bij de hand kon zijn. Omkijkend zag ik, dat overal reeds licht brandde. De voordeur stond open en wij zagen menschen heen en weer loopen. De geheele tuin scheen wel vol te zijn en iemand riep ons reeds bij het verlaten van de veranda aan en volgde ons, toen wij natuurlijk geen antwoord gaven. Holmes scheen den weg uitstekend te kennen, en hij bewoog zich snel tusschen struiken en boomen. Ik volgde hem op den voet met onzen vervolger eenige meters achter ons. De tuinmuur was zes voet hoog, maar Holmes sprong als een acrobaat er op en er overheen. Ik volgde zoo goed mogelijk zijn voorbeeld, moest mij echter eerst ophijschen, ten gevolge waarvan de man achter mij nog juist mijn enkel kon grijpen. Ik gaf hem echter met mijn anderen voet een trap en rolde vervolgens over den muur met mijn gezicht voorover in eenige struiken; Holmes had mij oogenblikkelijk weer op de been geholpen en samen renden wij langs Hampstead Heath.—


Wij hadden ontbeten en rookten onze morgenpijp op den dag van het merkwaardig avontuur, hetwelk ik juist heb meegedeeld, toen mijnheer Lestrade van Scotland Yard, statig en indrukwekkend, onze eenvoudige zitkamer werd binnengelaten.

„Goeden morgen, mijnheer Holmes,” zeide hij. „Goeden morgen. Mag ik u vragen, of u het tegenwoordig nog al druk hebt?

„Niet te druk om naar u te luisteren.”

„Ik meende, dat wanneer u niets bijzonders aan de hand hadt, u ons wellicht zoudt willen assisteeren in een zeer merkwaardig geval, dat juist in den afgeloopen nacht te Hampstead is afgespeeld.”

„Wel heb ik van mijn leven!” zeide Holmes. „Wat was dat?”

„Een moord—een zeer dramatische en merkwaardige moord. Ik weet, hoezeer u gesteld zijt op deze dingen en ik zou het voorts als een groote welwillendheid beschouwen, wanneer u mee wildet gaan naar Appledown Towers en ons uw meening zeggen. Het is geen gewone misdaad. Wij hielden dezen mijnheer Milverton reeds eenigen tijd in het oog, want, tusschen ons gezegd, was het iemand van minder goed allooi. Bekend is, dat hij papieren in zijn bezit had, die hij gebruikte om menschen geld af te persen. Deze papieren zijn alle door de moordenaars verbrand. Niet een voorwerp van waarde werd door hen meegenomen, zoodat het waarschijnlijk is, dat de misdadigers behoorden tot den voornamen stand, wier eenig doel bestond in het voorkomen van schandaal.”

„Misdadigers?” vroeg Holmes. „Meer dan één?”

„Ja, er waren er twee. Het scheelde zeer weinig of zij waren op heeterdaad gearresteerd. Wij hebben hun voetsporen, wij hebben hun beschrijving, tien tegen een, dat wij hen op het spoor komen. De eerste was een weinig te vlug, maar de tweede werd door den tuinman gegrepen en ontkwam eerst na een worsteling. Het was een stevig gebouwde man van middelmatige lengte, hij had een dikken nek en snor en een masker voor de oogen.”

Zijn blik volgend, zag ik de beeltenis van een voorname dame in baltoilet. Zijn blik volgend, zag ik de beeltenis van een voorname dame in baltoilet.

„Dat is tamelijk vaag,” zeide Sherlock Holmes. „Wel, het zou een beschrijving van Watson kunnen zijn.”

„Dat is waar,” lachte de inspecteur, vroolijk.

„Maar ik ben bang, dat ik u niet zal kunnen helpen, Lestrade,” zeide Holmes. „Het feit is, dat ik dezen mijnheer Milverton heb gekend en dat ik hem beschouwde als een der gevaarlijkste typen uit geheel Londen. Ik vermeen voorts, dat er zekere misdaden zijn, welke de wet niet kan treffen en die daardoor in zeker opzicht persoonlijke wraak wettigen. Neen, het helpt niet, ik laat mij in deze niet overreden. Ik heb mijn besluit genomen. Mijn sympathie is aan de zijde van de misdadigers en niet aan die van het slachtoffer, en ik zal mij met deze zaak niet inlaten.”

Holmes had tegenover mij met geen enkel woord meer gesproken over het drama, waarvan wij getuigen waren geweest, maar ik bespeurde den geheelen morgen, dat hij in gedachten was verzonken, en ik kreeg door zijn starenden blik en zijn afgetrokken manieren den indruk van iemand, die tracht zich iets te herinneren. Wij zaten aan onzen lunch, toen hij plotseling opsprong. „Bij Jupiter, Watson, ik heb het,” riep hij. „Zet je hoed op en ga met me mee.”

Zoo snel hij kon liep hij door Baker-Street en daarna langs Oxford Street, totdat wij bijna bij het Regent Circus waren. Hier was links een winkel, waarvan de etalagekast vol stond met de fotographieën van alle beroemdheden en schoonheden van den dag. De oogen van Holmes vestigden zich op een dezer portretten en zijn blik volgende, zag ik de beeltenis van een voorname dame in baltoilet, met een groote diamanten tiara op het edele hoofd. Ik keek naar dien ietwat gebogen neus, naar de donkere wenkbrauwen, naar dien vastberaden mond en de van wilskracht getuigende [B 99]
[B 100]
kleine kin. Ik hield mijn adem in, toen ik den te allen tijde eerbied afgedwongen hebbenden titel van den grooten edelman en staatsman las, wiens vrouw zij was geweest. Mijn oogen ontmoetten die van Holmes en hij legde den vinger op de lippen, terwijl wij wegliepen.


IV.
147 of 191
17 pages left
CONTENTS
Chapters
Highlights