BIJLAGEN

III


1 April 1897.

Mijn waarde Robbie,

Tegelijk met dezen zend ik U afzonderlijk een handschrift waarvan ik hoop dat het U behouden zal bereiken. Ik zag graag dat Gij, zoodra Gij het gelezen hebt, het zorgvuldig liet copiëeren. Om verschillende redenen wensch ik dit. Het zal voldoende zijn er éene aan te geven. Mijn verlangen is dat Gij, voor het geval dat ik kom te sterven, mijn letterkundige boedelredder zijt en volledig toezicht uitoefent over mijn tooneelstukken, boeken en geschriften. Zoodra ik wettelijk het recht zal hebben een testament te maken, zal ik dat doen. Mijn vrouw begrijpt mijn kunst niet, en men kan van haar geen belangstelling daarvoor verwachten, en Cyril is nog een kind. Daarom wend ik mij natuurlijk tot U, zooals ik om de waarheid te zeggen in alle dingen doe, en ik zoû gaarne hebben dat Gij al mijn werken onder U hadt. Het tekort dat hun verkoop oplevert, kan op rekening van Cyril en Vivian geplaatst worden. Welnu, als Gij mijn letterkundige boedelredder zijt, moet Gij in bezit zijn van het eenige document dat eenige verklaring geeft van mijn buitensporig gedrag.... Wanneer Gij den brief gelezen hebt, zult Gij de psychologische verklaring inzien van een gedragslijn die van buiten af een verbinding van volstrekte zwakhoofdigheid en gemeenen bluf lijkt. Eéns moet de waarheid bekend worden—niet noodzakelijk bij mijn leven. Maar het is mijn bedoeling niet om voor altijd aan den bespottelijken schandpaal te staan, waar men mij stelde, om de eenvoudige reden dat ik van mijn vader en moeder een naam van hooge onderscheiding in letterkunde en kunst geërfd heb, en ik kan niet gedoogen dat die naam voor de eeuwigheid zoû zijn omlaaggehaald. Ik verdedig mijn gedrag niet. Ik verklaar het. Ook zijn er in mijn brief enkele passages die loopen over mijn geestelijke ontwikkeling in de gevangenis en de onvermijdelijke evolutie die plaats gehad heeft in mijn karakter en mijn intellectueele houding tegenover het leven. Ik wensch dat Gij en anderen die mij trouw gebleven zijt en Uw genegenheid voor mij hebt bewaard, nauwkeurig weet in wat geest en wijze ik de wereld hoop tegemoet te treden. Van den éenen kant gezien, weet ik natuurlijk dat ik op den dag van mijn ontslag enkel van de éene gevangenis in de andere zal overgaan, en daar zijn oogenblikken dat de geheele wereld mij niet ruimer voorkomt dan mijn cel en even vol verschrikking voor mij. Toch geloof ik dat God in den beginne een wereld schiep voor ieder afzonderlijk mensch, en in die wereld die binnen in ons is, moeten wij trachten te leven. In elk geval zult Gij die gedeelten van mijn brief met minder leed lezen dan de andere. Natuurlijk behoef ik U niet te herinneren welk een onvast ding bij mij, en bij ons allen, de gedachte is, en van welk een vluchtige stof onze aandoeningen zijn gemaakt. Toch zie ik een soort van mogelijk doel waarop ik langs den weg der kunst zoû kunnen afgaan. Het is niet onwaarschijnlijk dat Gij mij daarbij zult kunnen helpen.

Wat de wijze van copiëeren aangaat: de brief is natuurlijk te lang om hem door een of anderen klerk te laten overschrijven, en Uw eigen schrift, waarde Robbie, in uw laatsten brief schijnt bij voorkeur aangewezen om mij te waarschuwen dat de taak niet aan U mag worden opgedragen. Het eenige wat overblijft, lijkt mij, is door en door modern te werk te gaan en de copie te laten maken op de schrijfmachine. Natuurlijk moet het handschrift onder Uw toezicht blijven, maar zoudt Gij Mevrouw Marshall niet kunnen bewegen een harer meisjes-typisten—op vrouwen kan men het meest aan, daar zij geen geheugen hebben voor wat belangrijk is—naar Hornton Street of Phillimore Gardens te sturen om het onder Uw leiding te doen? Ik kan U verzekeren dat de schrijfmachine wanneer zij met gevoel wordt bespeeld, niet onaangenamer is dan het pianospel van een zuster of een naverwante. Ja zelfs geven velen onder hen die dwepen met het familieleven, aan haar de voorkeur. Ik zoû de copie willen hebben niet op satijnpapier, maar op kloek papier zooals gebruikt wordt voor de rollen van tooneelstukken, met een breeden roodafgezetten rand voor verbeteringen.... Indien de copie in Hornton Street gemaakt wordt, zou men de typiste eten kunnen geven door een schuif in de deur, zooals de Cardinalen het krijgen, wanneer zij bezig zijn een Paus te kiezen, tot zij op het balkon zoû kunnen verschijnen om de wereld te verkondigen: "Habet Mundus Epistolam"; want de brief is inderdaad een Encycliek, en evenals de bullen van den Heiligen Vader genoemd worden naar haar beginwoorden, zou men er van kunnen spreken als: "Epistola in Carcere et Vinculis"....

Het is maar al te waar, Robbie, het leven in de gevangenis doet ons de menschen en de dingen zien zooals zij in werkelijkheid zijn. Daarom verandert het iemand in steen. De menschen buiten worden misleid door de schijnverbeeldingen van een leven in voortdurende beweging. Zij draaien mede met het leven en dragen bij tot zijn onwerkelijkheid. Wij die onbewegelijk zijn, zien en weten. Laat de brief deugen of niet voor enge naturen en koortsige hersenen, mij heeft hij deugd gedaan. Ik heb "mijn borst verlucht van veel gevaarlijk tuig" om een zegswijze te borgen bij den dichter dien Gij en ik indertijd wilden redden uit de handen der Philistijnen. Ik behoef U niet te herinneren dat uiting op zichzelf voor een kunstnaar de opperste en eenige wijze van leven is. Van uiting leven wij. Onder de oneindig vele dingen waarvoor ik den Directeur te danken heb, is er geen waarvoor ik dankbaarder ben dan voor zijn verlof om naar hartelust te schrijven en zoo lang als ik wensch. Gedurende bijna twee jaar droeg ik binnen in mij een toenemenden last van bitterheid waarvan ik mij nu grootendeels heb verlicht. Aan den anderen kant van den gevangenismuur staan een paar arme zwarte roetberookte boomen die op het oogenblik uitloopen in knoppen van bijna schel groen. Ik weet heel goed wat zij ondergaan. Zij vinden hun uiting.

Steeds de Uwe,

Oscar.


IV
59 of 86
2 pages left
CONTENTS
Chapters
Highlights